|
|
|
| |
| | | |
Taalkunde en taalverwerving
| | | |
Het begin van de zin, in functioneel perspectief Theo Janssen
(Amsterdam)
1. Inleiding
Woordvolgorde in de Nederlandse zin was al vroeg voorwerp van systematische
beschouwing, zo blijkt uit het werk van de Hollandse koopman en taalgeleerde
Adriaen Verwer. Zijn Linguae belgicae idea rhetorica ‘Schets
van de retorica der Nederlandse taal’, in 1707 uitgegeven samen met een
grammatica en poëtica (Knol 1996), is geheel aan woordvolgorde gewijd. Aandacht
voor woordvolgorde in het Nederlands staat dus in een traditie van enkele
eeuwen.1
De zeer gevarieerde volgordemogelijkheden in het Nederlands zijn intussen
nauwkeurig in kaart gebracht en tot op zekere hoogte hebben we ook een goed
beeld van hun functies (zie bijvoorbeeld Haeseryn e.a. 1997; Verhagen 1986).
Maar nog allerminst duidelijk is welke rol toegeschreven moet worden aan het
eerste element in een zin. Nog steeds heerst er onzekerheid over de vraag
wanneer een bewerende zin bijvoorbeeld met het onderwerp of lijdend voorwerp
moet beginnen, wanneer met een plaats- of tijdsbepaling, wanneer met een
bepaling van gesteldheid of een modale bepaling.
In navolging van de Tsjech František Daneš (1974b) en de Finse Tuija Virtanen
(1992a, b) wil ik nagaan of er vanuit het ruimere tekstverband systematische
observaties te verrichten zijn die indicaties kunnen opleveren welke
pragmatische functie of functies elementen hebben als ze | | | | in een
hoofdzin vóór de persoonsvorm staan. Eerst zal ik hiervoor kort de visie van
Daneš (1974b) schetsen en dan die van Virtanen (1992a, b).
| |
1.1 Daneš
Om de informatiegeleding in zinnen aan te duiden zijn uiteenlopende
karakteriseringen voorgesteld. Vooral in het voetspoor van Mathesius en
andere Praagse taalkundigen wordt de zinsinformatie vaak verdeeld in thema en rhema.2 Bezie bijvoorbeeld de zinnen (1) en (2).
(1) Je stem klinkt te zacht.
(2) Misschien moet je de microfoon wat hoger doen.
Stel dat iemand in de situatie waarin ik hier sta te spreken, mij die tekst
toeroept. Dan is het element je stem te begrijpen als het
thema van zin (1); het element klink te zacht fungeert
daarbij als rhema.
In zin (1) heeft de informatiegeleding een linker- en rechterdeel. Maar de
informatie kan ingewikkelder verdeeld zijn, zoals zin (2) laat zien. Hier is
het niet het meest linkse element misschien dat we als
thema moeten opvatten, maar de constituent je. Het is niet
plausibel dat misschien als thema dienst zou doen, want de
zin gaat daar niet over. Zin (2) heeft eerst en vooral betrekking op de
persoon aangeduid met je.
De bepaling van de informatieverdeling en de definiëring van de twee soorten
informationele categorieën, thema en rhema, mogen simpel lijken, tot dusver
zijn ze echter maar weinig geslaagd te noemen. Het kernprobleem lijkt
hierbij dat het informationele onderscheid vaak twee doelen moet dienen.
Enerzijds wordt aangenomen dat de informatiegeleding van zinnen in dienst
staat van het tekstverband en daardoor een | | | | zinexterne functie
heeft. In die visie wordt de informatiegeleding niet alleen door het
voorafgaande bepaald, maar is die ook bepalend voor wat volgt. Anderzijds
wordt aangenomen dat de informatiegeleding tevens een zininterne functie
heeft. Het uitgangspunt is daarbij dat met de zin iets aan de orde wordt
gesteld over een constituent van die zin. Die constituent is het thema; wat
erover gezegd wordt, is het rhema.
Uiteraard is overwogen om de externe en interne functies principieel te
scheiden. Daneš (1974b: 109) verwerpt echter de gedachte om aan het thema
uitsluitend een zininterne functie toe te schrijven, waarbij die functie dus
niet bepaald of medebepaald zou worden door wat eraan vooraf is gegaan. Hij
betwijfelt dat de keus van het thema toevallig en ongemotiveerd zou zijn en
dat iedere structurele samenhang met de tekst zou ontbreken. Hij ziet een
samenhang tussen de keus van het thema en de van zin tot zin voortgaande
presentatie van informatie in een tekst.
In opeenvolgende zinnen onderscheidt Daneš enkele informationele
hoofdpatronen. Wat zijn hun kenmerken? Bezie om te beginnen figuur 1, die
een reeks met een thema-rhemaschakeling weergeeft.
Figuur 1. Reeks met een thema-rhemaschakeling (Daneš 1974b:
118)
Het patroon van figuur 1 licht Daneš toe met onder meer tekst (3); wat hij
als thema opvat, is hier schuin gedrukt.
(3) The first of the antibiotics was discovered
by Sir Alexander Fle[m]ing in 1928.
He was busy at the time investigating a certain species of
germ which is responsible for boils and other troubles.
In de eerste zin van tekst (3) is het belangrijkste element van het rhema Sir Alexander Fleming. Op dat element gaat de tweede zin
door met He, dat daar fungeert als thema. In de tweede
hoofdzin is a certain species of germ de kern van het
rhema; op dat element wordt vervolgens doorgegaan met | | | |
which, dat op zijn beurt als thema dienst doet.
Laten we nu figuur 2 bekijken, die een reeks weergeeft waarin het thema
constant is. Dit patroon wordt toegelicht met onder andere tekst (4). In de
achtereenvolgende zinnen duiden de cursief gedrukte elementen het thema aan;
dat heeft in die zinnen betrekking op dezelfde entiteit.
Figuur 2. Reeks met een constant thema (Daneš 1974b: 118)
(4) The Rousseauist especially feels an inner
kinship with Prometheus and other Titans.
He is fascinated by any form of insurgency...
He must show an elementary energy in his explosion against
the established order and at the same time a boundless sympathy for the
victims of it... Further the Rousseauist is ever
ready to discover beauty of soul in anyone who is under the reprobation of
society.
Figuur 3 laat vervolgens een hoofdthema zien, waarvan verschillende
subthema's worden uitgewerkt. Dit patroon licht Daneš toe met onder meer
tekst (5). De elementen die gecursiveerd zijn, vormen de reeks subthema's;
ze noemen stuk voor stuk een facet van Roemenië.
Figuur 3. Reeks met een hoofdthema en subthema's (Daneš
1974b: 119)
(5) (...) Rumänien liegt am Schnittpunkt des 45.
Breitenkreises mit 25. Längenkreis. | | | |
Die Bodenfläche des Landes beträgt 235 000
Quadratkilometer;
seine Bevölkerungszahl ist 19 Milionen Einwohner.
Die Staatsgrenze hat eine Gesamtlänge von... Kilometern.
Im Westen hat Rumänien gemeinsame Grenze mit...
Im Süden bildet der Fluss Donau die Grenze mit...
Die östliche Grenze is teilweise das Schwarze Meer.
In tekst (5) blijken de plaatsbepalingen Im Westen en Im Süden als thema te fungeren. Dus het is niet steeds het
subject dat in de visie van Daneš als thema dienst doet.
Figuur 4 ten slotte vormt een combinatie van de patronen in figuur 1 en 2.
Het rhema van de eerste zin wordt in de volgende zinnen thematisch
opgesplitst. Dit patroon licht Daneš toe met onder meer een tekst als (6).
In de eerst zin is het gecursiveerde element het rhema, in de volgende
zinnen zijn de thema's gecursiveerd.
Figuur 4. Reeks met een opgesplitst rhema (Daneš 1974b:
120)
| A |
→ |
B (= B1 + B2) |
| B1 |
→ |
C |
| B2 |
→ |
D |
(6) All substances can be divided into two classes:
elementary substances and compounds.
An elementary substance is a substance which consists of
atoms of only one kind...
A compound is a substance which consists of atoms of two
or more different kinds...
Wat kan in het bijzonder waardevol zijn aan de thema-rhema-analyse van Daneš?
Het lijkt de moeite waard om na te gaan of in Nederlands tekstmateriaal
systematisch patronen voorkomen zoals Daneš onderscheidt. In het onderzoek
waarvan ik hier verslag doe, breng ik de volgende beperking aan op de
werkwijze van Daneš. Ik zal het niet hebben over wat hij allemaal als thema
opvat. Ik beperk me tot een vormelijk gegeven, name- | | | | lijk het
element in de hoofdzin dat direct aan de persoonsvorm voorafgaat.3 Zo'n element
kan syntactisch uiteenlopende functies hebben: het kan het onderwerp of
lijdend voorwerp zijn, maar bijvoorbeeld ook een bepaling. Hierbij doet het
er niet toe of het vooropstaand element in de ogen van Daneš als thema te
beschouwen zou zijn. Voor mijn onderzoek zal het criterium dus zijn dat het
element direct voorafgaat aan de persoonsvorm van een hoofdzin.
| |
1.2 Virtanen
Met de inzichten van Daneš valt het onderzoek te verbinden dat Virtanen
(1992a, b) verricht heeft bij twee soorten Engelse teksten, namelijk
verhalen en routebeschrijvingen. Wat zij daarin onderzocht heeft, is de
tekstuele functie van tijds- en plaatsbepalingen in de eerste zinspositie.
Beide typen zinsinitiële bepalingen dragen volgens haar bij aan de
continuïteit en de geleding van de tekst. Bovendien vormen die bepalingen
telkens het uitgangspunt voor de teksteenheid die ze inleiden (Virtanen
1992b: 112).4
Als voorbeeld van een narratieve tekst geeft ze een fragment uit een
sprookje. Het staat afgedrukt onder (7); de zinsinitiële tijdsbepalingen
zijn daarin gecursiveerd.
(7) One evening the woman found that there was a
bit of milk left over after supper. ‘I may as well give it to those
skinny, scraggly, scrawny cats,’ she decided. She poured it into a pan and
put it in the garden. That was on Monday. | | | |
On
Tuesday, she ordered a whole extra quart of milk from the milkman.
By mistake, of course. Do you know what she did with it?
On Wednesday, she bought too much chopped meat at the
butcher's shop - another mistake?
On Thursday, she came upon an extra dozen eggs in her
shopping bag. But they did not go to waste, for eggs are fine for cats.
On Friday, the mackerel in the market looked so firm and
fresh that the woman completely forgot that they were having supper with
friends that evening. She bought some mackerel and brought it home.
Then, of course, she couldn't throw it away - because she
knew how cats feel about fish. ‘Now mind you,’ the woman warned the
cats, ‘just because I give you food, you mustn't think I like having you
here in our garden. I just happened to have bought this extra food by
mistake.’ The cats sat still and stared at her. Then they all closed
their big, round, yellow-green eyes.
On Sunday, it rained.
De cursief gedrukte tijdsbepalingen in tekst (7) markeren een keten van
episodes. Opmerkelijk is de anticiperende rol van de tijdsbepaling on Monday op de vijfde regel (Virtanen 1992a: 168-169). De
strategische plaatsing van de zin met deze bepaling sluit niet alleen de
eerste episode krachtig af, maar roept tegelijkertijd een serie episodes op,
geleed in een patroon waarin de dagen van de week een sterk structurerende
rol spelen. Hebben de alinea's die beginnen met een dagaanduiding, meer
gemeen dan zo'n begin? De prominente positie van de dagaanduiding roept van
keer tot keer de verwachting op dat er iets zal gebeuren dat lijkt op het
gebeuren van de vorige dag. Daarin komen de episodes die na een
dagaanduiding verteld worden, telkens inhoudelijk overeen: steeds is er
voedsel over door een al te ruimhartig aankoopbeleid. On
Sunday moet dan wel leiden tot een anticlimax.
Als we Virtanens benadering vergelijken met die van Daneš, kunnen we twee
punten vaststellen. Het patroon dat kenmerkend is voor de structuur | | | | van het sprookjesfragment, lijkt op het patroon met een
constant thema, maar strikt genomen is het thema wisselend, en wel zo dat
het thema telkens een element is uit een conventioneel geordende verzameling
conceptueel verwante elementen.5 We kunnen het patroon
weergeven met figuur 5.
Figuur 5. Reeks met conceptueel gelijksoortige, conventioneel
opeenvolgende thema's

De dagaanduidingen in de verschillende alinea's maken deel uit van een serie
elementen die gewoonlijk in een vaste volgorde aan de beurt komen. In deze
rij hoort de tijdsbepaling then - na de alinea ingeleid
door On Friday - niet thuis. In feite is de bepaling then niet alleen conceptueel van een andere orde, ze heeft
ook een andere functie in de tekst. De bepaling brengt een episodische
verschuiving aan op dezelfde dag en heeft daarmee een beperktere werking.
Het andere punt is dat de patronen die Daneš onderscheidt, steeds gelden voor
(achtereenvolgende) zinnen in één alinea. In het sprookjesfragment, echter,
gaat het om een patroon dat over een serie alinea's heenreikt.
Laten we ons nu richten op Virtanens analyse van plaatsbepalingen. Zij gaat
hierbij uit van een routebeschrijving. Het is het beginfragment van een
artikel uit een reisgids. De tekst staat onder (8); de zinsinitiële
plaatsbepalingen zijn daarin gecursiveerd.
(8) From Haymarket station Dalry Road strikes
south-west, and leads to the main exit routes to the south-west, to
Kilmarnock and Lanark. On the north side in Distillery
Lane is the caledonian disttillery
| | | | (1855), one of two in the city, producing bulk grain whisky by
the continuous patent-still process for blending. When built it contained
the largest whisky still in Scotland. By the gate is a
traditional farmhouse of 1740 recently restored as an architect's office.
Off Dalry Road in Orwell Place is dalry house, a mid 17th-century mansion restored and somewhat altered in
1969 as an old people's day centre. The house is an oblong 3-storey block
with 2 semi-hexagonal towers capped with ogee roofs; the one at the
south-west corner is a 19th-century addition. Inside is a
notable 17th-century ceiling. The house was built for the Chieslie family of
Dalry.
At the south end of Dalry Road the route divides and
Gorgie road continues south-west as the...
De plaatsbepalingen in tekst (8) markeren de beschreven route. De bepaling
From Haymarket station noemt het uitgangspunt van de
route via de hoofdweg Dalry Road. De bepaling On the north side
in Distillery Lane situeert de eerste bezienswaardigheid, die via
de bepaling By the gate leidt naar een nabijgelegen
monument. Dan is volgens de bepaling Off Dalry Road in Orwell
Place Dalry House te zien, waar de bepaling Inside aangeeft waar een plafond het bekijken waard is. Aan het begin
van de tweede alinea is de routebeschrijving voor het laatst op de hoofdweg
Dalry Road georiënteerd.
In tekst (8) zien we dat de plaatsbepalingen die relevant zijn voor de
routebeschrijving, steeds aan het begin van de zin staan. Ze fungeren als
richtingborden door het tekstverloop.6 Vooral van belang zijn daarbij de
plaatsbepalingen die direct georiënteerd zijn op de hoofdweg Dalry Road. Ze
verlenen de tekst een spatio-temporele continuïteit (Virtanen 1992a: 190).
De procedurele continuïteit wordt versterkt doordat het thematisch patroon
van de routebeschrijving bestaat uit conceptueel gelijksoortige thema's, die
weliswaar niet conventioneel op elkaar volgen maar die vanuit het
perspectief van een reisroute wel gezien kunnen worden als op | | | | natuurlijke wijze geordend.
Gehéél nieuw zijn observaties als die van Virtanen niet, wat het Nederlands
betreft. In de Algemene Nederlandse Spraakkunst (Haeseryn
e.a. 1997: 1276) wordt opgemerkt dat tijds- en plaatsaanduidingen ‘die een
(algemeen) kader scheppen waarbinnen het in de rest van de zin uitgedrukte
gebeurt of gesitueerd moet worden’ vooraan in de rest van de zin kunnen
staan. Dat ze samen met soortgelijke bepalingen een tekstorganisatorische
rol kunnen vervullen, is daar echter niet aan de orde. De teksten (7) en (8)
vormen een interessante aanwijzing dat tijds- en plaatsbepalingen niet
toevallig in de zinsinitiële positie staan. Virtanen (1992b: 100; Enkvist
1973, 1987) is van oordeel dat ze door hun herhaald voorkomen in die positie
een strategische rol vervullen voor de continuïteit van de tekst.
| |
1.3 Aanpak en materiaal
Zijn de ideeën van onderzoekers als Daneš en Virtanen ook van toepassing op
zinsinitiële elementen in Nederlandse teksten? Om dit te onderzoeken wil ik
nagaan of het eerste element van hoofdzinnen een systematische functie kan
vervullen in de presentatie van informatie in Nederlandse teksten. Centraal
in de analyse staat het element dat direct voorafgaat aan de persoonsvorm,
bijvoorbeeld het onderwerp of een bepaling. Hierbij blijven buiten
beschouwing elementen als voegwoorden, interjecties, aanroep en aanloop.
De tekst die ik op de functie van zinsinitiële elementen zal onderzoeken, is
Het meesterstuk, de eerste roman van Anna Enquist.
Haar boek is in 1994 verschenen. Voor de analyse wordt de geheel herziene
editie van 1996 gebruikt. In het bijgevoegde tekstfragment zijn zowel de
alinea's genummerd als de hoofdzinnen voorzover ze beginnen met een element
voor de persoonsvorm en niet zijn ingebed.
| |
| | | |
2. Organisatie van de tekst
Enquists roman opent met de zin De goudvissen hebben hun jongen
opgevreten; daarmee is de centrale thematiek van het boek gegeven.
Het leven van de goudvissenfamilie wordt waargenomen door Lisa. Zoals Lisa
hierbij observeert en toekijkt, zo is ze toeschouwer bij de
wederwaardigheden van een bevriende familie. Deze analogie wordt aan het
eind van het boek transparant gemaakt (p. 294):
Wat voelt het kind dat bestemd is om voedsel voor zijn ouders te
zijn? Als mes en vork op tafel worden gelegd. (...) Dan gaat het kind
gehoorzaam tussen het mes en de vork liggen, gekromd als een forel. Dan
wacht het kind stil af tot het vlees vezel voor vezel van zijn botten wordt
getrokken. Lisa kijkt en luistert naar de levensverhalen van anderen,
met onstilbare nieuwsgierigheid en stille verwondering. Hoe doen mensen het,
leven? En vooral: hoe pareren ze de klap, hoe krabbelen ze op na de nekslag,
hoe vinden ze de ontsnappingsroute uit een gesloten huis?
Het begin van de eerste zin De goudvissen vormt - ook
symbolisch - het vertrekpunt van het romanverhaal. Heeft dit vertrekpunt een
bijzondere functie in de tekst? Een vraag als deze valt alleen in een breder
kader te beantwoorden.
Welke rol speelt het eerste element vooraan in een verhaal, vooraan in een
hoofdstuk, vooraan in een alinea, vooraan in een zin? Is de initiële positie
van De goudvissen compositorisch van belang op een of meer
van zulke tekstniveaus? Kan het initiële zinselement een speciale
tekstorganisatorische functie vervullen, zoals Harold (1995) stelt? In zijn
visie kan een initieel zinselement inhoudelijk samenhang verlenen aan een
tekstdeel. Het kan een indicatie zijn om zo'n tekstdeel van een ander deel
te onderscheiden of om er juist een relatie mee te leggen.
| | | |
Laten we eens kijken naar de alinea's 1 en 4, die beginnen met zin 1 en zin
10.7
| 1. |
1 |
De goudvissen hebben hun jongen opgevreten. |
| 4. |
10 |
De visjes worden niet door het ouderpaar, dat geen paar meer
is, verzorgd maar slurpen zelf onophoudelijk water naar binnen
met onzichtbaar voedsel erin. |
De alinea's ingeleid door de zinnen 1 en 10 beginnen beide met een
conceptueel verwant element: in zin 1 duidt het de goudvissenouders aan, in
zin 10 hun jongen. De twee alinea's staan inhoudelijk nauw met elkaar in
verband. De situatie die in alinea 1 embryonaal van start is gegaan, loopt
door in alinea 3 en eindigt in alinea 4 met de implicatie dat de moeder haar
jongen heeft opgeslokt. Het slot van de alinea luidt:8
| 43 |
12 |
Als ze de pech hebben om in het vaarwater van hun ouders te
geraken stulpen die hun mond tot een pinkgrote trog waarin dode
muggen, berkezaadjes, kleine visjes worden opgeslokt. |
| |
13 |
Nonchalant spuugt de slome het berkezaad uit. |
De alinea's 1 en 4 vertonen niet alleen een opvallende formele en conceptuele
verwantschap tussen de initiële elementen van beide eerste zinnen, maar ze
zijn in hun geheel inhoudelijk sterk aan elkaar gerelateerd. In alinea 1
wordt met de zin De goudvissen hebben hun jongen
opgevreten een episode geëntameerd die binnen die alinea niet wordt
afgesloten. In die alinea zelf wordt over de kannibalistische gang van zaken
geen mededeling meer verstrekt. De details volgen pas in alinea 4.
De vergelijkbaarheid van de initiële elementen in de zinnen 1 en 10 kan
begrepen worden als een signaal om alinea 4 in nauwe samenhang te zien met
alinea 1. Dat de eerste zinnen van deze twee alinea's beide met een | | | | subjéct beginnen, kan op zich nauwelijks of niet gezien worden
als een versterking van de tekststructuur. Pas door de combinatie van
vergelijkbaarheden wordt het informationele verband tussen de betrokken
alinea's geaccentueerd. De subjecten De goudvissen en De visjes staan beide in de zinsinitiële positie en hebben
beide betrekking op nauw verwante entiteiten. Doordat deze kenmerken
samengaan, kan de parallelle structuur tekstueel bezien als een
tekstorganisatorisch signaal fungeren.
Zijn er onafhankelijke aanwijzingen dat de conceptuele verwantschap van
zinsinitiële elementen systematisch een functioneel karakter kan hebben en
niet op louter toeval berust? Laten we nagaan of er in de tekst gevallen
zijn die een vergelijkbare combinatie vormen. Hierbij dient het uiteraard te
gaan om zinsinitiële elementen aan het begin van alinea's.
In het eerste deel van de roman begint een reeks alinea's met de eigennamen
Lisa en Lawrence als subject en
zinsinitieel element. Die twee elementen Lisa en Lawrence vertonen een vergaande conceptuele samenhang,
want het betreft hier niet zó maar twee eigennamen: het zijn de namen van
echtgenoten. De alinea's waar het om gaat, zijn alinea 3, 7, 10, 12, 25, 30
en 33. De beginzinnen ervan zijn gemakshalve onder elkaar gezet.9
| 3. |
7 |
Lisa zit op haar hurken naast de ton en kijkt. |
| 7. |
24 |
Lisa is psychiater. |
| 10. |
43 |
Lisa is vijfenveertig en menstrueert nog een keer of drie per
jaar. |
| 12. |
45 |
Lisa experimenteert met verschillende manieren om de telefoon
op te nemen. |
| 25. |
83 |
Lawrence komt uit York. |
| 30. |
103 |
Lawrence ging naar Londen en studeerde bouwkunde (lijnen,
gewichten, materialen, alles wat uit te rekenen is) aan de
kunstacademie. |
| 33. |
119 |
Lisa heeft geen ouders. |
| | | |
Laten we eerst stap voor stap bezien welke samenhang gemarkeerd zou kunnen
zijn tussen de alinea's die met Lisa van start gaan.
Vervolgens kunnen we nagaan hoe de alinea's die met Lawrence beginnen, zich daartoe en tot elkaar verhouden. Hierna komen
we dan weer bij een alinea waarin Lisa het uitgangspunt
is. Tot slot kan de vraag gesteld worden waarom de roman niet met Lisa opent, maar met De goudvissen.
Los van het gegeven dat de zinnen 7 en 24 op formeel dezelfde wijze beginnen,
lijkt er verder inhoudelijk weinig verband tussen te bestaan. Wat kan dan de
aanleiding zijn voor de lapidaire mededeling Lisa is
psychiater? Gelet op de thematiek van het boek dringt zich de
vergelijking op tussen Lisa in haar rol van toeschouwer bij de
goudvissenwereld in de ton en haar rol als psychiater. Grond voor die
veronderstelling is onder meer te vinden in de zinnen 18 en 19.
| 62 |
18 |
De waarheid is dat deze vrouw, die met moeite heeft leren
accepteren dat het leven is zoals het is, tandenknarsend, tegen
beter verlangen in, geen consideratie met haar goudvissen wenst
te hebben. |
| |
19 |
's Morgens, voor haar werkdag begint, en 's avonds als zij
weer vrij is zit zij altijd even bij de ton om het wrede
universum geboeid te beschouwen. |
In dit fragment zien we Lisa via de wereld van de vissen geconfronteerd met
het leven in het algemeen, eerst waar ze gekarakteriseerd wordt als iemand
‘die met moeite heeft leren accepteren dat het leven is zoals het is’ en dan
wanneer ze bij de ton zit ‘om het wrede universum geboeid te beschouwen’.
Die beschouwing strekt blijkens de woordkeus zonder twijfel verder dan het
leven in de vissenton.
Dan de relatie tussen de zinnen 24 en 43. Zin 43, die op zich een alinea
vormt, lijkt op een aantekening in een anamnese of medisch rapport. Dit
markeert de relatie met zin 24, waarin Lisa gepresenteerd wordt in haar
medische hoedanigheid. De informatie die in zin 43 over Lisa's leeftijd
verstrekt wordt, bereidt de lezer voor op wat daarna wordt geïmpliceerd:
Lisa is gescheiden en opnieuw getrouwd. Zin 45 leidt een alinea in die
indirect informatie biedt over haar gehuwde staat, waarna in zin 66 | | | | Lawrence op natuurlijke wijze als haar man ter sprake kan
komen.
In de alinea die door zin 83 wordt ingeleid, kan het er even op lijken dat
Lawrence centraal komt te staan. De volgende zin begint echter met Zijn ouders. De relatie met zijn ouders blijkt moeizaam.
Hoe moeizaam valt af te leiden uit de alinea's 31 en 32, die volgen op een
beknopte levensschets van Lawrence. In alinea 33, die begint met de zin Lisa heeft geen ouders, lijkt de aandacht weer naar Lisa
uit te zullen gaan. Wat daar dan echter vooral aan de orde komt, zijn haar
overleden ouders, in het bijzonder de relatie met haar moeder.
Wat zijn, kort samengevat, de voornaamste verbanden tussen de genoemde
alinea's van de zinnen 7 tot 119? De zinnen van 7 tot 45 leiden alinea's in
die Lisa karakteriseren en haar rol in het verhaal definiëren. Die alinea's
over Lisa worden gevolgd door alinea's waarin haar man Lawrence het
oriëntatiepunt vormt. Het zijn de alinea's die beginnen met de zinnen 83 en
103. Gebleken is dat daarbij de relatie tussen Lawrence en zijn ouders een
belangrijk aandachtspunt is. Als dan Lisa weer in beeld komt in de alinea
die begint met zin 119, komt haar relatie met haar ouders centraal te staan,
zoals de alinea's over Lawrence zich toespitsen op zijn relatie met zijn
ouders. De impliciete en indirecte vergelijking tussen Lisa en Lawrence
wordt op één punt heel expliciet en direct in zin 127.
| 339 |
127 |
In tegenstelling tot Lawrence is zij in staat om haar motieven
te onderkennen. |
Wat Lisa wél en Lawrence níet vermag te onderkennen, zijn hun drijfveren, en
wel in relatie met de eigen ouders.
Kortom, we hebben te maken met vier verbanden tussen de alinea's die formeel
ingeleid worden door Lisa, Lawrence en opnieuw door Lisa. Er is verband tussen de vier alinea's die in de
beginzinnen van 7 tot 45 van start gaan met de eigennaam Lisa. Er is verband tussen de twee alinea's die beginnen met de
eigennaam Lawrence. Dan is er verband tussen die beide
groepen alinea's. Tot slot is er verband tussen de twee alinea's met Lawrence als vertrekpunt en de alinea ingeleid door zin
119, de alinea waarin Lisa met Lawrence wordt gecontrasteerd.
Hebben de initiële elementen in de zinnen van 7 tot 119 samen, dus als | | | | reeks, een tekstueel organisatorische functie? Ze dwingen zelf
geen verband af, maar lijken wel als bakens te kunnen fungeren in de route
die de lezer heeft te volgen.
Laten we aannemen dat de beginpunten Lisa en Lawrence een tekstcompositorische functie hebben voor de reeks
alinea's die met die vormen van start gaan. Laten we bovendien aannemen dat
er een bevestiging in te zien is van de tekstcompositorische functie die is
toegekend aan de twee beginpunten die gevormd worden door De
goudvissen en De visjes. Dan kunnen we ons
afvragen of ook de ordening van deze twee reeksen beginpunten van alinea's
ten opzichte van elkaar tekstueel een organisatorische functie heeft.
Een positief antwoord lijkt mogelijk. De alinea's over de vissen bepalen op
symbolische wijze de centrale thematiek en daarmee het perspectief van de
romantekst. Lisa kijkt vanuit dit perspectief: ze is toeschouwer, zowel bij
de vissendramatiek als bij het familie- en relatiedrama dat zich gaat
afspelen. Lawrence, die een zeer ondergeschikte rol vervult, lijkt er vooral
toe te dienen de problematische relatie tussen ouders en hun kinderen te
generaliseren.
De alinea's die beginnen met De goudvissen en De visjes, en de alinea's die beginnen met Lisa,
Lawrence en opnieuw Lisa, zijn in de strikte zin
geen van beide reeksen met een constant thema. De thema's wisselen, afgezien
van de keren dat Lisa als thema herhaald wordt. Doordat de
thema's in die twee reeksen onderling geen conventionele of natuurlijke
ordening vertonen, verschillen ze sterk van de reeks met opeenvolgende
thema's, afgebeeld met figuur 5. In de twee alineareeksen zou ik een
variatie willen zien op de door Daneš onderscheiden reeks met een constant
thema, waarbij constant gevarieerd wordt met conceptueel gelijksoortig.
Een patroon met een constant thema wordt als statisch beschouwd (Enkvist
1973).10 Hoe is dat bij de twee alineareeksen? De dramatische
ontwikkeling van het verhaal is er nog niet in op gang gekomen, waardoor ze
fungeren als vast kader van het romangebeuren.
| |
| | | |
3. Organisatie van de alinea
Voor de interne organisatie van een alinea kan het begin van de eerste zin
twee strategische functies vervullen. Het eerste element van een alinea kan
prominent aangeven wat het vertrekpunt is van de informatie die wordt
aangeboden. En daarbij kan het tevens dienen als de basis van een patroon
zoals door Daneš is onderscheiden. Met die patroonfunderende functie wil ik
het onderzoek naar de organisatie van alinea's beginnen.
| |
3.1 Basis van het alineapatroon
In alinea 7 is Lisa het eerste element; het staat in
zinsinitiële positie.11
Laten we eens bekijken, hoe Lisa een funderende
functie vervult in de tekstuele organisatie van die alinea.
| 7. |
24 |
Lisa is psychiater. |
| |
25 |
Zij woont een kilometer of tien buiten de stad in een door
forenzen overgenomen dorp. |
| |
26 |
's Ochtends heeft ze praktijk aan huis, |
| |
27 |
's middags werkt ze in de psychiatrische
universiteitskliniek. |
| |
28 |
Zij geeft college aan assistenten, |
| |
29 |
zij geeft les aan verpleegkundigen, |
| |
30 |
zij heeft een bescheiden aandeel in de
patiëntenzorg. |
| |
31 |
Het huis is een oude patriciërswoning, vierkant,
symmetrisch gebouwd aan weerszijden van de grijsblauwe
voordeur. |
| |
32 |
Achter het huis strekt een boomgaard (appelen, pruimen)
zich uit tot aan de rivier. |
| |
33 |
De ton met de vissen staat bij de keukendeur. |
| | | |
In alinea 7 kunnen we vier thematische patroontypen onderscheiden. Het
type dat sterk overheerst, is dat van de reeks met een constant thema.
Lisa, het eerste element van de zin, staat aan de
basis van dit patroon. Het patroon wordt onderbroken door twee
asyndetisch verbonden hoofdzinnen 26 en 27. Die vormen met de
tijdsbepalingen 's Ochtends en 's
avonds zelf een reeks met conceptueel gelijksoortige, conventioneel
opeenvolgende entiteiten.12
Zin 31 zie ik vooral als een aansluiting op het rhematische element huis in zin 26. Met Het huis in zin
31 komt dan vervolgens een hoofdthemasubthemarelatie tot stand, waarin
Het huis het hoofdthema is en Achter
het huis13 in zin 32 het subthema. Eventueel zouden we zin 31
kunnen zien als de tweede zin van een reeks met een hoofdthema en
subthema's, waarbij Lisa als hoofdthema fungeert.14 Maar dan zou ik aan
dit schema toch slechts een bijrol willen toekennen, want bij een reeks
met Lisa als hoofdthema en het huis als subthema zou veeleer de
possessieve aanduiding Haar huis te verwachten zijn.
Iets soortgelijks geldt voor zin 33, die begint met De
ton. Ook hier zouden we tussen Lisa en de ton een
hoofdthema-subthemarelatie kunnen zien, maar ik neig ertoe aan te nemen
dat er met De ton in 33 vooral teruggekoppeld wordt
naar optredens van de ton buiten de alinea, om te beginnen aan het eind
van zin 6, daarna in zin 7 en voor het laatst in zin 19.
Natuurlijk kunnen we niet anders dan het huis en de ton met Lisa
associëren; deze associaties, die hoe dan ook verwantschap vertonen met
de hoofdthema-subthemarelatie, zijn vast van invloed op de inpassing van
zin 33 in het verband van de alinea.
Het geheel overziend kunnen we vaststellen dat Lisa aan het begin van de
| | | | alinea het uitgangspunt vormt voor een reeks met een
constant thema en dat ze verder minstens een associatiebasis vormt voor
de verankering van de andere zinnen in de alinea.
Op de positie van de laatste zin in alinea 7 wil ik nog ingaan. Doordat
deze zin, beginnend met De ton, het minst direct past
in de lopende patroonreeksen van de alinea, is hij bijzonder, zeker
gelet op het gegeven dat zin 34, met het begin Aan de
voorzijde, een regelrechte voortzetting is van de reeks met het
hoofdthema-subthemapatroon dat we in de zinnen 31 en 32 onderscheiden
tussen Het huis en Achter het huis.
| 8. |
34 |
Aan de voorzijde is links de praktijkruimte: Lisa's
werkkamer met grote ramen in twee muren. |
Doordat zin 33 De ton met de vissen staat bij de
keukendeur de alinea afsluit en het patroon onderbreekt, krijgt
deze slotzin een signaalfunctie: let op, die ton hoort niet slechts bij
de rekwisieten. Op zijn relevantie zal de lezer nog herhaalde malen
geattendeerd worden.
| |
3.2 Vertrekpunt van de informatie
Ook als het eerste element van een alinea niet altijd het uitgangspunt
van een tekstueel patroon is, kan dat eerste element toch een
belangrijke rol vervullen. Het kan prominent aangeven wat het
vertrekpunt is van de informatie die volgt.15 Laten we kort enkele alinea's bezien. Allereerst
alinea 1, waarvan zin 1 begint met De goudvissen.
| 1. |
1 |
De goudvissen hebben hun jongen opgevreten. |
| |
2 |
In de warme windstille zomer waren ze dagenlang bezig met
kuitschieten. |
| | | |
| 3 |
De kleine met de zwarte vlekken in z'n gezicht zat de
grote slome onvermoeibaar achterna en duwde haar tot dol
wordens toe tegen het gezwollen achterlijf, tot ze haar
eieren liet gaan tussen de waterplanten. |
| 4 |
Hij is er spuitend overheen gestoven, een gedistantieerde
paring waarin veel elementen van de daad wel aanwezig zijn
maar van elkaar zijn losgemaakt tot doelloze rituelen, tot
werk dat verricht moet worden in het kader van de
voortplanting zodra de watertemperatuur stijgt en de wind
gaat liggen. |
Na de eerste zin, die begint met De goudvissen, gaat
elke zin van de alinea door op de goudvissen.
Alinea 2 sla ik over, omdat hier de eerste zin niet opent met een element
voor de persoonsvorm.
In alinea 3 speelt het zinsinitiële element Lisa zelf
geen rol in de zinnen 8 en 9, maar zij is wel degene die over de vissen
reflecteert en de jongen blijkens de laatste zin ook feitelijk
waarneemt.
| 3. |
7 |
Lisa zit op haar hurken naast de ton en kijkt. |
| |
8 |
Binnen de bolletjes vindt de celdeling in een razend tempo
plaats, tot de visjes sterk genoeg zijn om zich uit het
taaie vlies los te maken. |
| |
9 |
Met tientallen tegelijk zweven ze door het warme
water. |
Na zin 9 gaat alinea 4 op natuurlijke wijze concreet door op de visjes.
Ze zijn vervolgens in elke zin van de alinea aan de orde, zij het in de
laatste zin slechts impliciet: ze lijken door de moeder opgevreten te
zijn.
| 4. |
10 |
De visjes worden niet door het ouderpaar, dat geen paar
meer is, verzorgd maar slurpen zelf onophoudelijk water naar
binnen met onzichtbaar voedsel erin. |
| |
11 |
Zij eten het element waarin zij verkeren, zoals ze in het
ei al deden. |
| |
12 |
Als ze de pech hebben om in het vaarwater van hun ouders
te |
| | | |
| |
geraken stulpen die hun mond tot een pinkgrote trog waarin
dode muggen, berkezaadjes, kleine visjes worden
opgeslokt. |
| 13 |
Nonchalant spuugt de slome het berkezaad uit. |
Met het zinsinitiële element Ik had ze moeten
beschermen in alinea 5 spitst Lisa's reflectie zich toe op haar
potentiële rol bij het vissendrama.
| 5. |
14 |
Ik had ze moeten beschermen, denkt Lisa. |
| |
15 |
Vorige week krioelde het nog van de visjes, doorzichtige
diertjes van een centimeter, met een voor- en een
achterkant, een rijrichting en een donkere kern in hun
lijf. |
| |
16 |
En nu is het stil. Verdomme, had ik ze toch in de slabak
gedaan, bijgevoed, veilig grootgebracht! |
Wat Lisa denkt, staat in contrast met wat de ware achtergrond van haar
gedrag genoemd wordt. Daar worden we nadrukkelijk mee geconfronteerd
door De waarheid als eerste element van alinea 6 en
dan onmiddellijk herhaald in de tweede zin.
| 6. |
17 |
De waarheid is dat zij daar geen zin in heeft. |
| |
18 |
De waarheid is dat deze vrouw, die met moeite heeft leren
accepteren dat het leven is zoals het is, tandenknarsend,
tegen beter verlangen in, geen consideratie met haar
goudvissen wenst te hebben. |
| |
19 |
's Morgens, voor haar werkdag begint, en 's avonds als zij
weer vrij is zit zij altijd even bij de ton om het wrede
universum geboeid te beschouwen. |
| |
20 |
Soms wil ze de vissen nog wel een sportieve kans geven
(maar wie help je, en waarom?) door bijvoorbeeld bij strenge
vorst met een bijl een spleet in het ijs te hakken, |
| |
21 |
maar evenzovele malen heeft zij het ijs zijn gang laten
gaan en dreven in de lente de verkleurde kadavertjes
bewegingloos aan de wateroppervlakte. |
| |
22 |
Ooit was een fel oranje vis geheel in ijs gevat als een
toeristische presse-papier van glas, en kwam in het voorjaar
los, |
| | | |
| |
bewoog traag en onwennig zijn staart, schudde zijn
kieuwen. |
| 23 |
Zie je wel, denkt Lisa dan, het kán, overleven in het
ijs. |
Lisa's overpeinzing die in zin 14 begint met het element Ik
had ze moeten beschermen, eindigt in zin 23 met als
zinsinitieel element Zie je wel. De afsluiting van de
alinea bevestigt Lisa in haar rol van toeschouwer.
| |
4. Organisatie van opeenvolgende zinnen
Naast aandacht voor de beginpositie in een alinea verdient de beginpositie
van elementen in een reeks zinnen meer in het algemeen de aandacht. Hierbij
valt onderscheid te maken tussen opeenvolgende zinnen die een vergelijkbare
syntactische en semantische structuur vertonen, en zinnen die sterk van
elkaar verschillen door de aard of functie van hun initiële element. Op deze
twee typen zinscombinaties wil ik hier afzonderlijk ingaan.
| |
4.1 Opeenvolgende zinnen met vergelijkbare structuur
Laten we om te beginnen kijken naar twee vergelijkbaar gebouwde reeksen
zinnen in alinea 2; het is de alinea die preludeert op het Don
Juan-motief in de roman. De twee paren zinnen waar het om gaat, zijn
gecursiveerd.
| 2. |
|
Denkt de zwarte ooit: o lekkere vadsige slome met je bolle
flanken je bent de liefde van mijn leven, ik
wil je, ik wil je? |
| |
5 |
Hij wil eieren, |
| |
6 |
hij wil zaaien zodat de bevruchte
eicellen als witte miniatuurkralen tegen de waterplanten
kunnen kleven in het kleine domein van eikehouten duigen dat
hun wereld is. |
De asyndetisch nevengeschikte zinnen ik wil je, ik wil
je vormen een reeks identiek geformuleerde wensen. Hiermee
contrasteert de natuurlijk opeen- | | | | volgende reeks wensen: Hij wil eieren, hij wil zaaien.
Bij deze zinnen is moeilijk na te gaan of het initiële zinselement
bepalend is voor hun vergelijkbaarheid. Wel kunnen we vaststellen dat
toepassing van een vergelijkbare structuur kennelijk relevant geacht
wordt, want afwisseling zou mogelijk geweest zijn. Maar formaties als
ik wil je, jou wil ik en hij wil
eieren, zaaien wil hij missen de pathetiek en aandrift die in
het origineel tot uiting komen. Bovendien, bij zo'n wisselende structuur
zou het contrast tussen de twee paren zinnen veel minder direct zijn.
Alinea 6 valt op door de nadrukkelijke herhaling van De
waarheid als eerste element in opeenvolgende zinnen met een
vrijwel identieke structuur; ik heb hier al even op gewezen. Anders dan
in de vorige zinnen wordt het initiële element in de zinnen 17 en 18
vrij zwaar beklemtoond, ter contrastering met het voorgaande. Door die
accentuering wordt de verdere informatie sterk op dit begin
georiënteerd.
| 6. |
17 |
De waarheid is dat zij daar geen zin in
heeft. |
| |
18 |
De waarheid is dat deze vrouw
(...) |
Laten we vervolgens opeenvolgende zinnen bezien met een vergelijkbaar
zinsinitieel element maar zonder dat ze verder een parallelle structuur
vertonen. Bijvoorbeeld de zinnen 15 en 16 in alinea 5. We zien hier de
zinsinitiële tijdsbepalingen Vorige week en nu.
| 52 |
15 |
Vorige week krioelde het nog van de
visjes, doorzichtige diertjes van een centimeter, met een
voor- en een achterkant, een rijrichting en een donkere kern
in hun lijf. |
| |
16 |
En nu is het stil. |
Het tekstuele belang van de twee tijdsbepalingen is kennelijk dat er niet
alleen een opeenvolgend verband maar ook een contrastrelatie mee wordt
aangeduid.
Verder bevat bijvoorbeeld alinea 6 een reeks zinsinitiële tijdsbepalingen
die geen natuurlijke opeenvolging veronderstellen. In zin 19 vormt het
gecursiveerde zinsinitiële element in combinatie met altijd een samengestelde temporele bepaling. Die gecombineerde
tijdsbepaling en de | | | | zinsinitiële tijdsbepalingen Soms, evenzovele malen en Ooit
vormen conceptueel een verwante groep elementen maar daarmee worden de
gebeurtenissen niet in enige volgorde gerangschikt.
| 63 |
19 |
's Morgens, voor haar werkdag begint, en
's avonds als zij weer vrij is zit zij
altijd even bij de ton om het wrede universum geboeid te
beschouwen. |
| |
20 |
Soms wil ze de vissen nog wel een
sportieve kans geven (maar wie help je, en waarom?) door
bijvoorbeeld bij strenge vorst met een bijl een spleet in
het ijs te hakken, |
| |
21 |
maar evenzovele malen heeft zij het ijs
zijn gang laten gaan en dreven in de lente de verkleurde
kadavertjes bewegingloos aan de wateroppervlakte. |
| |
22 |
Ooit was een fel oranje vis geheel in
ijs gevat als een toeristische presse-papier van glas, en
kwam in het voorjaar los, bewoog traag en onwennig zijn
staart, schudde zijn kieuwen. |
Samen specificeren de bepalingen, relatief bezien althans, hoe vaak Lisa
zich het lot van de vissen aantrekt of juist niet, en de ene bijzondere
keer dat ze heeft nagelaten in te grijpen, overigens ook toen zonder
fatale afloop. Door de vooropplaatsing van de tijdsbepalingen wordt hun
verwante functie gemarkeerd (zie ook Haeseryn 1997: 1276-1277), waardoor
het betrokken fragment een historiserende samenhang verleend wordt.
| |
4.2 Opeenvolgende zinnen zonder vergelijkbare structuur
De twee eerste zinnen van de roman vormen geen reeks met een
vergelijkbare syntactische structuur. Laten we ons hier richten op de
mogelijke functie van het initiële element van zin 2, de tijdsbepaling
In de warme windstille zomer.
| 1. |
1 |
De goudvissen hebben hun jongen opgevreten. |
| |
2 |
In de warme windstille zomer waren ze
dagenlang bezig met |
| | | |
| |
kuitschieten. |
| 3 |
De kleine met de zwarte vlekken in z'n gezicht zat de
grote slome onvermoeibaar achterna en duwde haar tot dol
wordens toe tegen het gezwollen achterlijf, tot ze haar
eieren liet gaan tussen de waterplanten. |
| 4 |
Hij is er spuitend overheen gestoven, een gedistantieerde
paring waarin veel elementen van de daad wel aanwezig zijn
maar van elkaar zijn losgemaakt tot doelloze rituelen, tot
werk dat verricht moet worden in het kader van de
voortplanting zodra de watertemperatuur stijgt en de wind
gaat liggen. |
Nadat we in zin 1 geconfronteerd zijn met de afloop van een gebeurtenis,
worden we in zin 2 geïnformeerd over de aanloop daartoe. Natuurlijk moet
het verhaal dan bij het begin beginnen: de aanvang is te vinden in de
warme stille zomer. Dit begin blijkt echter tegen het eind van alinea 1
niet toevallig. In zin 4 wordt het aandeel dat het mannetje in de
voortplanting heeft, op een algemeen niveau gebracht: zo gaat dat bij
goudvissen zodra de watertemperatuur stijgt en de wind gaat
liggen. Dit besluit van de alinea brengt ons inhoudelijk en
formeel terug bij de episode die begon met In de warme
windstille zomer. Die tijdsbepaling speelt daarmee een
tekstueel strategische omlijstende functie. Alles wijst erop dat we de
zinsinitiële positie kunnen beschouwen als bij uitstek geschikt voor
zo'n signaalfunctie.
Alinea 3 bestaat uit drie zinnen die geheel verschillend beginnen. Zin 8
geeft kennelijk weer wat Lisa zich realiseert, zin 9 beschrijft wat ze
concreet waarneemt.
| 3. |
7 |
Lisa zit op haar hurken naast de ton en kijkt. |
| |
8 |
Binnen de bolletjes vindt de celdeling in een razend tempo
plaats, tot de visjes sterk genoeg zijn om zich uit het
taaie vlies los te maken. |
| |
9 |
Met tientallen tegelijk zweven ze door het warme
water. |
In zin 8 speelt de plaatsbepaling Binnen de bolletjes
in op het beeld dat in | | | | de vorige alinea is opgeroepen met
de bevruchte eicellen (...) in het kleine domein van
eikehouten duigen dat hun wereld is. Dit is één kant van de
zaak, het andere aspect is dat de plaatsbepaling de setting aangeeft
waarbinnen de celdeling begrepen moet worden.
Dan krijgen we vooraan in de volgende zin de bepaling Met
tientallen tegelijk. Na de reflectie van zin 8 staat ineens de
direct waarneembare werkelijkheid centraal. In de bepaling komt
verrassing tot uitdrukking over wat er plotseling te zien is. Waardoor
heeft de initiële bepaling van zin 9 zo'n verrassende werking? Laten we
eens onderzoeken wat het effect is als de bepaling niet aan het begin
van de zin staat.
| 8 |
Binnen de bolletjes vindt de celdeling in een razend tempo
plaats, tot de visjes sterk genoeg zijn om zich uit het
taaie vlies los te maken. |
| proef 9 |
Ze zweven met tientallen tegelijk door het warme
water. |
In de proefversie botsen de zinnen 8 en 9 op elkaar. Zin 8 beschrijft een
proces in zijn algemeenheid; in zin 9 gaat het om de direct waargenomen
werkelijkheid. Hiertussen ontbreekt een overgang of schakel. Hoe kan het
dat de bepaling Met tientallen tegelijk de verbinding
wel perfect kan leggen? Dankzij die bepaling kunnen in zin 9 twee punten
van informatie ineengevlochten worden. Eerst wordt met de bepaling in de
initiële positie het beeld opgeroepen dat er tientallen visjes te zien
zijn en vervolgens komt aan de orde dat je ze door het water kunt zien
zweven. In Enquists versie komen die beide aspecten ook in de
accentuatie tot uitdrukking. In de proefvariant is een zwaar accent op
zweven zeer gekunsteld.
Het laatste voorbeeld waar ik iets over wil zeggen, heeft belangrijke
kenmerken met zin 9 gemeen.16 for Het gaat om zin 13
met Nonchalant als bepaling van hoedanigheid in de
eerste zinspositie.
| | | |
| 4. |
10 |
De visjes worden niet door het ouderpaar, dat geen paar
meer is, verzorgd maar slurpen zelf onophoudelijk water naar
binnen met onzichtbaar voedsel erin. |
| |
11 |
Zij eten het element waarin zij verkeren, zoals ze in het
ei al deden. |
| |
12 |
Als ze de pech hebben om in het vaarwater van hun ouders
te geraken stulpen die hun mond tot een pinkgrote trog
waarin dode muggen, berkezaadjes, kleine visjes worden
opgeslokt. |
| |
13 |
Nonchalant spuugt de slome het berkezaad uit. |
Ook zin 12 en 13 zouden op elkaar stoten als de bepaling Nonchalant zou verhuizen, zoals blijkt uit de proef met zin
13.
| |
12 |
Als ze de pech hebben om in het vaarwater van hun ouders
te geraken stulpen die hun mond tot een pinkgrote trog
waarin dode muggen, berkezaadjes, kleine visjes worden
opgeslokt. |
| proef |
13 |
De slome spuugt nonchalant het berkezaad uit. |
De proefvariant laat geen denkruimte om van de beschrijving van een
algemenere waarneming over te schakelen op de beschrijving van de
concreet waargenomen werkelijkheid. De oorspronkelijke versie zowel van
zin 9 als van zin 13 bereidt de lezer op zo'n omschakeling voor. Net als
in zin 9 zijn er in zin 13 twee punten van informatie bijeengevoegd.
Eerst signaleert de zin dat er nonchalant gedrag te zien is en dan om
welk gedrag het gaat: de natuur gaat onverstoorbaar haar gang en eist
daarbij haar tol. De strekking van het boek had nauwelijks pregnanter
verwoord kunnen worden.
| |
| | | |
5. Slot
Wat is er tot slot over het zinsinitiële element te zeggen? Bij alle
detail-beschouwingen blijkt één punt telkens naar voren te komen: de functie
van het zinsinitiële element valt alleen te begrijpen en te bepalen in het
ruimere verband van de tekst.17 De besproken gevallen met een zinsinitieel element
overziend zou ik de functie van zo'n element kortweg willen kenschetsen als
oriënterend.18 Waar het gaat om toepassing in tekststrategische patronen,
zijn ze - in beginsel zowel retro- als prospectief - een baken in het
patroonverloop. Waar het gaat om gevallen als In de warme
windstille zomer, Met tientallen tegelijk of Nonchalant in de zinnen 2, 9 en 13 is die functie - zoals we
gezien hebben - sterk héroriënterend. De karakterisering
oriënterend/heroriënterend sluit nauw aan bij het bestaande idee dat het
zinsinitiële element fungeert als uitgangspunt. Wat echter in de notie
oriënterend/heroriënterend scherper tot uiting komt, is dat het initiële
element niet alleen in de betrokken zin een rol vervult, maar eerst en
vooral in het ruimere verband van de tekst.
Heel wat soorten zinsinitiële elementen zijn onbesproken gebleven, maar de
besproken gevallen bieden mogelijk wel een goed oriëntatiepunt voor
vruchtbaar verder onderzoek van andere teksten, ook van geheel andere
tekstsoorten.
| |
| | | |
Bibliografie
| Beneš, E. (1959). ‘Zacatek nemecké vety z hlediska aktuaálního clenení
vetného (Der Satzbeginn im Deutschen, von der Mitteilungsperspektive her
betrachtet)’, in: CMF, 41, p. 205-217. |
|
| Chafe, W. (1984). ‘How people use adverbial clauses’, in: C. Brugman,
M. Macaulay (eds.), Proceedings of the Tenth Annual Meeting
of the Berkeley Linguistics Society, February 17-20, Berkeley:
Berkeley Linguistics Society, p. 437-449. |
|
| Daneš, F. (ed.) (1974a). Papers on functional sentence
perspective. Prague: Academia, Den Haag: Mouton. |
|
| Daneš, F. (1974b). ‘Functional sentence perspective and the
organization of the text’, in: Daneš (1974a), p. 106-128. |
|
| Daneš, F. (1974c). ‘Zur Terminologie der FSP’, in: Daneš (1974a), p.
217-222. |
|
| Duits, H., en De Graaf (1996). Lijst van bronnen genoemd
in Anonymi Batavi: Idea linguae belgicae grammatica, poetica et
rhetorica, curante Everhardo van Driel. (Leiden, 1783). [Bijlage bij
Knol (1996)], Amsterdam: St. Neerlandistiek VU, Münster: Nodus
Publikationen. |
|
| Enkvist, N.E. (1973). ‘‘Theme dynamics’ and style: An experiment’, in:
Studia Anglica Posnaniensia, 5, p. 127-135. |
|
| Enkvist, N.E. (1987). ‘A note towards the notion of text strategy’,
in: Zeitschrift für Phonetik, Sprachwissenschaft und
Kommunikationsforschung 40-1, p. 19-27. |
|
| Enquist, A. (1996). Het Meesterstuk. [herz. editie;
orig. editie 1994]. Amsterdam etc.: De Arbeiderspers. |
|
| Fries, P.H. (1997). ‘Themes, methods of development, and texts’, in:
R. Hasan, P.H. Fries (eds.), On subject and theme. A
discourse functional perspective, Amsterdam etc.: Benjamins, p.
317-359. |
|
| Haeseryn, W., K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij en M.C. van den Toorn
|
| | | |
| (1997). Algemene Nederlandse
Spraakkunst. Groningen: Martinus Nijhoff Uitgevers, Deurne: Wolters
Plantyn. |
|
| Halliday, M.A.K. (1994). An introduction to Functional
Grammar. Londen etc.: Arnold. |
|
| Harold, B.B. (1995). ‘Subject-verb word order and the function of
early position’, in: P. Downing, M. Noonan (eds.), Word
order in discourse, Amsterdam etc.: Benjamins, p. 137-161. |
|
| Hinds, J. (1979). ‘Organizational patterns in discourse’, in: T. Givón
(ed.), Syntax and semantics, vol. 12, Discourse and syntax, New York etc.: Academic Press, p.
135-157. |
|
| Knol, J. (1996). Adriaen Verwer, Schets van de
Nederlandse taal. Grammatica, poëtica en retorica. Editie van Driel
(1783). Uit het Latijn vertaald door J. Knol. Met een
fotomechanische herdruk van de editie 1783. Bezorgd door Th. A.J.M.
Janssen en J. Noordegraaf, Amsterdam: St. Neerlandistiek VU, Munster:
Nodus Publikationen. |
|
| Kuppevelt, J.C.J. van (1991). Topic en comment,
Expliciete en impliciete vraagstelling in discourse. diss. KUN. |
|
| Lambrecht, K. (1994). Information structure and sentence
form. Topic, focus, and the mental representations of discourse
referents. Cambridge: Cambridge University Press. |
|
| Lavid, J. (1994). Theme, discourse topic and information
structuring [Dandelion research project]. Madrid: Universidad
Complutense de Madrid. |
|
| Onrust, M. (1987). ‘Tekststrukturering, alinea-opbouw en de
topic-zin’, in: C. van Bree e.a. (red.), Voortgang,
Jaarboek voor de Neerlandistiek 8, Amsterdam: St.
Neerlandistiek VU, p. 191-211. |
|
| Onrust, M., A. Verhagen en R. Doeve (1993). Formuleren, Houten etc.: Bohn Stafleu Van Loghum. |
|
| Rademakers ss. cc., C.S.M. (1992). ‘Gerardus Johannes Vossius
(1577-1649) and the study of Latin grammar’, in: J. Noordegraaf, K.
Versteegh, |
| | | |
| E.F.K. Koerner (eds.), The history
of linguistics in the Low Countries, Amsterdam etc.: Benjamins,
p. 109-128. |
|
| Ramsey, V. (1987). ‘Preposed and postposed ‘if’ and ‘when’ clauses’,
in: R.S. Tomlin (ed.), Coherence and grounding in
discourse, Amsterdam etc.: Benjamins, p. 383-408. |
|
| Renkema, J. (1996). ‘Cohesion analysis and information flow: the case
of ‘Because’ versus ‘because’’, in: C. Cremers, M. den Dikken (eds.),
Linguistics in the Netherlands, Amsterdam etc.:
Benjamins, p. 233-244. |
|
| Verhagen, A. (1986). Linguistic theory and the function
of word order in Dutch. A study on interpretive aspects of the order
of adverbials and noun phrases. Dordrecht: Foris. |
|
| Virtanen, T. (1992a). Discourse functions of adverbial
placement in English. Clause-initial adverbials of time and place in
narrative and procedural place descriptions. Åbo: Åbo Akademic
Förlag. |
|
| Virtanen, T. (1992b). ‘Given and new information in adverbials:
Clause-initial adverbials of time and place’, in: Journal
of Pragmatics 17, p. 99-115. |
| |
| | | |
Anna Enquist, Het meesterstuk, herziene druk
1996 (1994).
| 1. |
1 |
De goudvissen hebben hun jongen opgevreten. |
| |
2 |
In de warme windstille zomer waren ze dagenlang bezig met
kuitschieten. |
| |
3 |
De kleine met de zwarte vlekken in z'n gezicht zat de grote
slome onvermoeibaar achterna en duwde haar tot dol wordens toe
tegen het gezwollen achterlijf, tot ze haar eieren liet gaan
tussen de waterplanten. |
| |
4 |
Hij is er spuitend overheen gestoven, een gedistantieerde
paring waarin veel elementen van de daad wel aanwezig zijn maar
van elkaar zijn losgemaakt tot doelloze rituelen, tot werk dat
verricht moet worden in het kader van de voortplanting zodra de
watertemperatuur stijgt en de wind gaat liggen. |
| |
|
|
| 2. |
|
Denkt de zwarte ooit: o lekkere vadsige slome met je bolle
flanken je bent de liefde van mijn leven, ik wil je, ik wil
je? |
| |
5 |
Hij wil eieren, |
| |
6 |
hij wil zaaien zodat de bevruchte eicellen als witte
miniatuurkralen tegen de waterplanten kunnen kleven in het
kleine domein van eikehouten duigen dat hun wereld is. |
| |
|
|
| 3. |
7 |
Lisa zit op haar hurken naast de ton en kijkt. |
| |
8 |
Binnen de bolletjes vindt de celdeling in een razend tempo
plaats, tot de visjes sterk genoeg zijn om zich uit het taaie
vlies los te maken. |
| |
9 |
Met tientallen tegelijk zweven ze door het warme water. |
| |
|
|
| 4. |
10 |
De visjes worden niet door het ouderpaar, dat geen paar meer
is, verzorgd maar slurpen zelf onophoudelijk water naar binnen
met onzichtbaar voedsel erin. |
| |
11 |
Zij eten het element waarin zij verkeren, zoals ze in het ei
al deden. |
| |
12 |
Als ze de pech hebben om in het vaarwater van hun ouders te
geraken stulpen die hun mond tot een pinkgrote trog waarin dode
muggen, berkezaadjes, kleine visjes worden opgeslokt. |
| |
13 |
Nonchalant spuugt de slome het berkezaad uit. |
| |
|
|
| 5. |
14 |
Ik had ze moeten beschermen, denkt Lisa. |
| |
15 |
Vorige week krioelde het nog van de visjes, doorzichtige
diertjes van een centimeter, met een voor- en een achterkant,
een rijrichting en een donkere kern in hun lijf. |
| |
16 |
En nu is het stil. Verdomme, had ik ze toch in de slabak
gedaan, bijgevoed, veilig grootgebracht! |
| | | |
| 6. |
17 |
De waarheid is dat zij daar geen zin in heeft. |
| |
18 |
De waarheid is dat deze vrouw, die met moeite heeft leren
accepteren dat het leven is zoals het is, tandenknarsend, tegen
beter verlangen in, geen consideratie met haar goudvissen wenst
te hebben. |
| |
19 |
's Morgens, voor haar werkdag begint, en 's avonds als zij
weer vrij is zit zij altijd even bij de ton om het wrede
universum geboeid te beschouwen. |
| |
20 |
Soms wil ze de vissen nog wel een sportieve kans geven (maar
wie help je, en waarom?) door bijvoorbeeld bij strenge vorst met
een bijl een spleet in het ijs te hakken, |
| |
21 |
maar evenzovele malen heeft zij het ijs zijn gang laten gaan
en dreven in de lente de verkleurde kadavertjes bewegingloos aan
de wateroppervlakte. |
| |
22 |
Ooit was een fel oranje vis geheel in ijs gevat als een
toeristische pressepapier van glas, en kwam in het voorjaar los,
bewoog traag en onwennig zijn staart, schudde zijn
kieuwen. |
| |
23 |
Zie je wel, denkt Lisa dan, het kán, overleven in het
ijs. |
| |
|
|
| 7. |
24 |
Lisa is psychiater. |
| |
25 |
Zij woont een kilometer of tien buiten de stad in een door
forenzen overgenomen dorp. |
| |
26 |
's Ochtends heeft ze praktijk aan huis, |
| |
27 |
's middags werkt ze in de psychiatrische
universiteitskliniek. |
| |
28 |
Zij geeft college aan assistenten, |
| |
29 |
zij geeft les aan verpleegkundigen, |
| |
30 |
zij heeft een bescheiden aandeel in de patiëntenzorg. |
| |
31 |
Het huis is een oude patriciërswoning, vierkant, symmetrisch
gebouwd aan weerszijden van de grijsblauwe voordeur. |
| |
32 |
Achter het huis strekt een boomgaard (appelen, pruimen) zich
uit tot aan de rivier. |
| |
33 |
De ton met de vissen staat bij de keukendeur. |
| |
|
|
| 8. |
34 |
Aan de voorzijde is links de praktijkruimte: Lisa's werkkamer
met grote ramen in twee muren. |
| |
35 |
Een bescheiden wachtruimte is ingericht onder de trap, achter
een kamerscherm. |
| |
36 |
Daar zit zelden iemand |
| |
37 |
want Lisa neemt een kwartier tussen haar afspraken |
| |
38 |
en de patiënten uit de stad blijven meestal in hun langs de
weg geparkeerde auto's wachten tot het hun tijd is. |
| | | |
| 9. |
|
Een uur vrij wegens een zieke patiënt-fietsen! Geen wind,
zacht nazomerweer, geen parkeerellende bij de kliniek. Langs de
rivier waar vissers onder hun groene paraplu's verscholen
zitten, door het stadspark en door de grote winkelstraat naar de
kliniek. |
| |
39 |
Lisa draagt een dure spijkerbroek en een nog duurdere
roomwitte trui. |
| |
40 |
Op het laatste moment heeft zij haar gymschoenen gewisseld
voor blauwe laarsjes. |
| |
41 |
Zij is een mooie vrouw en blijft dat met het verstrijken van
haar jaren. |
| |
42 |
Zij kleedt zich goed maar onopvallend. |
| |
|
|
| 10. |
43 |
Lisa is vijfenveertig en menstrueert nog een keer of drie per
jaar. |
| |
|
|
| 11. |
44 |
De telefoon gaat als zij haar werktas inpakt.
‘Hannaston?’ |
| |
|
|
| 12. |
45 |
Lisa experimenteert met verschillende manieren om de telefoon
op te nemen. |
| |
46 |
Altijd heeft ze zonder nadenken haar voornaam genoemd, in
combinatie met verschillende achternamen (Blech, Bleeker, wéér
Blech, Hannaston). |
| |
47 |
Sinds haar veertigste verjaardag vindt zij dat het anders
moet, maar hoe? |
| |
48 |
Een man kan zichzelf en zelfs zijn vrienden bij de achternaam
noemen zonder een onbehouwen indruk te maken. Een vrouw
niet. |
| |
49 |
Zichzelf als ‘mevrouw Hannaston’ aankondigen vindt ze
truttig, |
| |
50 |
‘dokter Hannaston’ duidt op kapsones, |
| |
51 |
alleen ‘hallo’ is onbeleefd. |
| |
52 |
Ze noemt haar achternaam op vragende, haast verontschuldigende
toon. |
| |
|
|
| 13. |
|
‘Lisa, met Johan. Fijn dat ik je tref, moet je geen gekken
gaan genezen?’ |
| |
53 |
‘Ik sta op het punt om weg te gaan.’ |
| |
|
|
| 14. |
54 |
Op het prikbord boven de telefoon hangt een uitnodiging voor
de opening van Johans tentoonstelling: Johan Steenkamer,
schilderijen, etsen en aquarellen, receptie zondag van vier tot
zes in het Gemeentemuseum. |
| |
55 |
Uw aanwezigheid wordt op prijs gesteld. Donker pak. Donker
pak? Ja, donker pak. Sponsors: het Staatsfonds voor de Beeldende
Kunst, de Nationale Posterijen, Houthandel Nicolaas Bijl. |
| |
|
|
| 15. |
|
Een foto van Johan in halfprofiel: scherpe neus, onnatuurlijk
dichtgehouden mond, ogen van iemand die intensief aan zichzelf
denkt op het moment van opname. Schouderpartij in donker pak,
wat hem goed staat. |
| | | |
| 16. |
56 |
‘Moet je horen, na afloop gaan we eten met de familie. |
| |
57 |
Alma wil dat. |
| |
58 |
Het is wel modern |
| |
59 |
maar het moet kunnen.’ |
| |
|
|
| 17. |
60 |
De familie, dat is in ieder geval Johans moeder Alma zelf, de
aanstichtster; broer Oscar; zonen Paul en Peter. Is Johans
vriendin Zina het moderne element? |
| |
|
|
| 18. |
|
‘Komt Ellen ook?’ |
| |
61 |
‘Alma heeft haar gebeld. |
| |
62 |
Ze zei ja.’ |
| |
|
|
| 19. |
63 |
Dat moet dus kunnen, de moeder van zijn zoons aan tafel met de
nieuwe vrouw. |
| |
|
|
| 20. |
64 |
‘Ik kom graag, Johan,’ zegt Lisa nu. |
| |
65 |
Zij wil haar vriendin in deze situatie niet alleen laten en is
ook wel gefascineerd door de ingewikkelde
familieverhoudingen. |
| |
|
|
| 21. |
66 |
‘En Lawrence, die wil ik er ook bij hebben, is hij al
terug?’ |
| |
67 |
‘Hij is net weg, |
| |
68 |
hij komt eind volgende week pas. Als de kinderen weer naar
school moeten.’ |
| |
69 |
‘Dat vind ik nou écht niet kunnen. |
| |
70 |
Ik heb graag iedereen erbij. |
| |
71 |
Wat doet hij in Engeland, heeft hij een opdracht of
zo?’ |
| |
72 |
‘Nee, nog niet. Hij zou misschien een uitbouw van het hotel
tekenen voor z'n vader. Maar gewoon, familiebezoek. De
kleinkinderen bij opa en oma. |
| |
73 |
Ik moet gaan, Johan, bedankt voor de uitnodiging.’ |
| |
|
|
| 22. |
74 |
Ze nemen afscheid. |
| |
75 |
Johan klinkt nog steeds wat gebelgd. |
| |
|
|
| 23. |
76 |
Als je fietst kan je goed denken. |
| |
77 |
Bij het lopen wordt dat al gauw dromen en fantaseren, |
| |
78 |
maar het minimum aan alertheid dat het fietsen vereist zorgt
voor een gepaste toewending tot de realiteit. Actie. |
| |
79 |
Lisa heeft Lawrence' fiets genomen, met het risico van een
houten kut na een uur rijden, maar het voordeel van
versnellingen. |
| | | |
| |
80 |
Ze zet vaart, zoeft over het grijze asfalt tussen de dikke
bomen en schakelt naar de zwaarste versnelling. |
| |
81 |
De weg buigt zich naar de rivier: uitgebloeide bereklauw,
uitgespeelde futen op het water. |
| |
|
|
| 24. |
|
Dat ze vrienden zijn, Johan en Lawrence. |
| |
82 |
Waar hebben ze het over? Schilderijen? De toekomst van de
plattelandsarchitectuur? In elk geval niet over ouders, niet
over familiebezoek. |
| |
|
|
| 25. |
83 |
Lawrence komt uit York. |
| |
84 |
Zijn ouders bezitten een groot hotel aan de Engelse
oostkust. |
| |
85 |
Gigantische raampartijen geven uitzicht op zee; |
| |
86 |
de vertrekken die Engelsen altijd voor verschillende functies
in hun recreatiegebouwen moeten hebben (Lounge, Dining Room, Tea
Room, Morning Room) zijn zo groot als voetbalvelden. |
| |
87 |
De neergang van de economie decimeerde het aantal
gasten. |
| |
88 |
Wie bleef komen was rijk en bejaard en deed dat uit
gewoonte. |
| |
89 |
Op een deur in een van de lange hospitaalachtige gangen staat
‘Emergency Room’. |
| |
90 |
Erachter wordt in een smalle diepe kast een brancard verborgen
gehouden. |
| |
91 |
Lisa heeft tijdens een verblijf bij haar schoonouders mogen
meemaken dat een bejaarde gast na het diner bezweek (paars,
schuim op de bek, Yorkshire pudding) en door de kok en de
receptioniste in vliegende vaart naar de achteruitgang werd
gereden waar de door Lawrence' moeder inderhaast bestelde
ambulance discreet stond te wachten. |
| |
92 |
In de Dining Room duurde het even voor de stemming er weer in
zat. |
| |
|
|
| 26. |
93 |
Adverteren in Amerika leverde alleen maar meer oude mensen op,
die bovendien gin wilden drinken in de Morning Room. |
| |
94 |
Sluiting dreigde. |
| |
95 |
De moeder van Lawrence overwoog even om er een echt
bejaardentehuis van te maken maar zag op tegen herhalingen van
de brancardscène. |
| |
|
|
| 27. |
96 |
Opa Engeland, zoals Lisa's kinderen Kay en Ashley zeggen,
hakte de knoop door en sloot tal van overeenkomsten met
bedrijven die hun personeel een vakantie of een rustgevend
weekend willen aanbieden. |
| |
97 |
Tegen sterk gereduceerde prijzen komen er nu grote groepen
mensen de zalen vullen. |
| |
98 |
Zij spelen midgetgolf (aangelegd op het hotelterrein) en maken
wandelingen langs het kustpad. |
| | | |
| 28. |
99 |
Soms zijn er conferenties en werkweekenden en fungeert de
Morning Room als vergaderzaal. |
| |
100 |
De aanleg van een overdekt zwembad, met sauna en
gymnastiekzaal, wordt overwogen. |
| |
101 |
Lawrence zal zijn ouders daaromtrent adviseren. |
| |
102 |
De brancard is er nog. |
| |
|
|
| 29. |
|
Een hotelkind. Slapen in een leegstaande kamer aan het eind
van een gang. Moeder achter de bar, vader in het kantoortje met
de boekhouding of achter de balie met de sleutels aan grote
houten knollen met ‘Sea Residence’ erop. Meemaken hoe de Gast,
die het leefritme in het hotel bepaalt en de maat is van alle
dingen, door je ouders voor zeurkont of krenterige teef wordt
uitgemaakt tijdens het snelle en vroege diner in de
keuken. |
| |
|
|
| 30. |
103 |
Lawrence ging naar Londen en studeerde bouwkunde (lijnen,
gewichten, materialen, alles wat uit te rekenen is) aan de
kunstacademie. |
| |
104 |
Daar ontmoette hij Johan, die er een jaar schilderde met een
schriele studiebeurs. |
| |
105 |
Na dat jaar ging de verstandige en voorzichtige Lawrence met
zijn nieuwe vriend mee naar Nederland en is daar
gebleven. |
| |
|
|
| 31. |
106 |
‘Ben je ze ontvlucht,’ vroeg Lisa, ‘kon je niet tegen hun
eisen en verwachtingen, was je zo razend dat er een hele zee
tussen moest?’ |
| |
107 |
‘Welnee. Het waaide. Altijd storm.’ ‘Maar hier
dan?’ |
| |
108 |
De helft van het jaar waaien de oren van je kop, |
| |
109 |
de bomen groeien krom |
| |
110 |
en de wind gaat zelfs 's avonds niet liggen! En de
watersnood? |
| |
111 |
‘Zelfs de wind is hier knus. |
| |
112 |
Het is plat, |
| |
113 |
je hebt overzicht. |
| |
114 |
Dáár sta je op de klippen, overgeleverd aan de storm. |
| |
115 |
onophoudelijk beukt het water tegen het land en vreet het op,
tot het hele hotel in zee dondert. |
| |
116 |
Ik was daar doodsbang voor als kind. |
| |
117 |
Het gaat zeker gebeuren.’ |
| |
|
|
| 32. |
118 |
Absoluut waar. Maar absolute onzin, vindt ze: hij haat zijn
ouders niet maar ontvlucht de wind! |
| |
|
|
| 33. |
119 |
Lisa heeft geen ouders. |
| | | |
| |
120 |
Haar vader kwam om in de oorlog. Geen held maar een bange
jongen die na spertijd in de zwarte stad de gracht in liep en
verdronk omdat hij niet durfde schreeuwen. |
| |
121 |
Haar moeder, die flinkheid en realiteitszin verdoezelde door
permanent gekwetst en verongelijkt te zijn, stierf onder helse
pijn aan een te laat ontdekte kanker. Vier jaar geleden. |
| |
122 |
Lisa, enig kind, ging erheen met mate. |
| |
123 |
In de mate van het mogelijke heb ik mijn moeder bijgestaan,
denkt ze. |
| |
124 |
Veel was er niet mogelijk, |
| |
125 |
en wat er mogelijk was, ging met grote moeite. |
| |
126 |
Lisa maakt zichzelf niet wijs dat haar overvolle werkweek en
de noden van haar kinderen een grotere betrokkenheid bij haar
stervende moeder in de weg hebben gestaan. |
| |
127 |
In tegenstelling tot Lawrence is zij in staat om haar motieven
te onderkennen. |
| |
128 |
Zij kan bij zichzelf naar binnen kijken en ziet daar een
doelbewust kind dat vecht voor haar eigen belang, een egoïst met
een slecht karakter. |
| |
129 |
Het spiegelbeeld richt zich naar de spiegel, |
| |
130 |
het kind valt samen met de verwachtingen van de moeder. |
| |
|
|
| 34. |
131 |
In die troebele soep van de kindertijd zal Lisa niet meer
verdrinken. |
|
1Verwer geeft aan geïnspireerd te zijn door
werk van Gerardus Johannes Vossius (vanaf 1622 hoogleraar in Leiden, vanaf
1632 in Amsterdam aan het Athenaeum; zie: Rademakers 1992). Verwer zal
gedoeld hebben op De arte grammatica libri septem, in 1635
door Vossius gepubliceerd (zie: Duits e.a. 1996).
2Andere termen voor verwante noties zijn: given en new, topic en comment, of topic en focus. De
noties vallen niet samen: in zin (2) is je
bijvoorbeeld given, maar geen (discourse)topic, althans in een bepaalde
betekenis van die term. Voor de diversiteit aan verschillen tussen de
termen en begrippen zij - om te beginnen - verwezen naar Daneš (1974c)
en zie verder bijvoorbeeld Van Kuppevelt (1991), Lambrecht
(1994).
3De categorie waartoe ik me beperk, valt - samen met andere
elementen - onder de zinsinitiële categorie die Halliday (1994) ‘theme’
noemt, maar bij hem is deze categorie uitgebreider dan alleen de
constituent die direct voor de persoonsvorm staat.
4Onrust e.a. (1993: 53) vermelden een
tekstfragment waarin vier opeenvolgende alinea's beginnen met
taalmateriaal dat zowel in de inleiding als in de afsluiting van die
alinea's verwerkt is.
5In dit verband
spreekt bijvoorbeeld Fries (1995: 322) van een ‘similarity chain’ en
Harold (1995: 144-145) van ‘listing’.
6Zie voor de
functie van plaatsbepalingen in routebeschrijvingen ook Lavid (1994) en
Fries (1995: 326).
7Aan het eind van deze tekst (p. 296-302) is
het begin van Anna Enquists roman afgedrukt. De alinea's en de relevante
zinnen (zie par. 1.3) zijn er afzonderlijk genummerd.
8De nummering 43 geeft
aan dat het hier gaat om de derde zin van alinea vier.
9Een alinea als 13, waarin Lisa voorop
staat, doet niet mee omdat Lisa geen element is dat
voor een persoonsvorm staat, zoals in paragraaf 1.3 is
aangegeven.
10Zie voor onderzoek naar samenhang tussen
typen thematische reeksen en tekstsoorten Lavid (1994) en Fries
(1995).
11Zie Onrust (1987) en
Onrust e.a. (1993) over de rol van de topiczin in een alinea.
12Doordat de bepalingen
hier samen betrekking hebben op een cyclisch patroon, staat de
opeenvolging van ochtend en avond sterk op de achtergrond.
13Bij Daneš zou Achter het huis geen subthema zijn: het
huis zou thema zijn. Ik ga er echter van uit dat Achter het huis betrekking heeft op de ruimte achter het
huis. Die ruimte is als een subthema aan het huis
gerelateerd.
14Zie Daneš (1974b: 110) voor de diversiteit van relaties
die hij tussen entiteiten onderscheidt.
15Daarmee kan dit alinea-inleidende element een belangrijke bijdrage
leveren aan wat Hinds (1979: 136) het kenmerk van een alinea noemt:
‘a unit of speech or writing that maintains a uniform
orientation’.
16Met spijt laat ik
hier de bespreking van zin 12 achterwege. Een goed overzicht van
opvattingen over de functie van zinsinitiële tegenover de functie
van zinsfinale bijzinnen is te vinden in Ramsey (1987). Naar haar
oordeel zijn vooropgeplaatste if- en when- zinnen ‘thematically associated to the preceding
discourse as well as to the main clause, thus have a broader scope’
(Ramsey 1987: 385). Zij vat zulke zinnen op als ‘‘frames’ the text
that follows’ (Ramsey 1987: 406). Chafe (1984: 444) ziet
zinsinitiële bijzinnen ‘as a kind of a ‘guidepost’ to information
flow, signaling a path or orientation in terms of which the
following information has to be understood’. Deze visie vindt steun
in het onderzoek van Renkema (1996)
17Omdat ik hier alleen
materiaal uit een geschreven verhaal behandeld heb, is het niet mogelijk
aan tekst toe te voegen: of
situatie.
18De karakterisering ‘oriënterend’
sluit nauw aan bij de karakterisering die Beneš (1959: 216, geciteerd
bij Daneš 1974b: 112) geeft van wat hij het východisko
‘basis, uitgangspunt’ noemt: het východisko ‘links up
the utterance with the context and situation, selecting from several
possible connexions one that becomes the starting point, from which the
entire further utterance unfolds and in regard to which it is
oriented’.
|
|