Het zal zeker niet aan de aandacht van de docent Nederlands extra muros ontsnapt zijn dat het beginnersonderwijs overwegend bestaat uit taalverwerving. Deze bijdrage handelt over de didactiek van dit onderwijs en is een antwoord op de vraag in hoever de lexicale selectie van het Elementair Woordenboek Nederlands van Beheydt en Wieers uit 1991 aan de behoeftes van de NVT-leerder tegemoetkomt, meer bepaald op het vlak van de productieve vaardigheden (hierna PV). Eerst wordt kort op die leerdersbehoeftes ingegaan en een schets gegeven van de doelstellingen van het onderwijs PV.
De verwerving van het Nederlands wordt hier bekeken als een extra-murale leerinhoud. De beginsituatie van zulk onderwijs komt neer op het verwerven van het Nederlands in een omgeving waar het in de sociale omgang van de leerder (vrijwel) totaal afwezig is. Deze beginsituatie noem ik de NVT-beginsituatie.
Kenmerkend voor de NVT-beginsituatie is dat de leerder geen behoefte heeft aan een Nederlands dat hem moet helpen bij dagelijkse redzaamheid. Een peiling naar NVT-leerdersbehoeftes in Frankrijk (Pekelder, 1995) wees namelijk uit dat de grootste groep van de ondervraagde studenten voor Nederlands had gekozen op grond van een socio-culturele belangstelling, die men als ‘academisch’ kan aanduiden. Een vrije keus voor de studie van een taal door een academisch geïnteresseerde werkt als motivering duidelijk anders door op de inhoud van het onderwijs dan het leren van een taal onder de druk van levensomstandigheden. Als conclusie formuleert Pekelder een aanbeveling voor de keuze van tekst-inhouden die in aanmerking komen voor NVT-onderwijsdoeleinden. Slechts teksten met socio-culturele inhoud die tegemoetkomen aan de leerdersbehoefte ‘een andere socio-culturele realiteit’ te leren ontdekken
(Pekelder, 1995:163) komen in aanmerking voor het NVT-onderwijs, ook dat van beginners.
In aansluiting op de NVT-beginsituatie en -leerdersmotivering moeten er doelstellingen schrijf- en spreekvaardigheid komen die aan de leerders-behoeftes beantwoorden. Die zouden er als volgt uit kunnen zien.
Schema 1: De doelstelling schrijfvaardigheid
= ‘studie-schrijven’ (Hulstijn et al. [z.j.]:152);
= uitgebreide kennis Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (Beersmans et al., 1983:13).
De cursist moet schriftelijk kunnen communiceren
| Inhoud | over talige en socio-culturele inhouden met betrekking tot het Nederlandse taalgebied | ||||||||||||||||
| Formele correctheid | zonder storende fouten | ||||||||||||||||
| Schrijfvormen | in zakelijke documenten:
|
Schema 2: De doelstelling spreekvaardigheid
= ‘educatieve en professionele redzaamheid’ (Hulstijn et al. [z.j.]:121-122);
= uitgebreide kennis Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (Beersmans et al., 1983:12).
De cursist moet mondeling kunnen communiceren
| Inhoud | over talige en socio-culturele inhouden met betrekking tot het Nederlandse taalgebied | ||||||||
| Formele correctheid | zonder storende fouten | ||||||||
| Mate van beheersing | met voldoende nuanceringen | ||||||||
| Schrijfvormen | in zakelijke situaties:
|
Vervolgens wordt vastgelegd welk gedeelte van deze communicatieve doelstelling in het eerste jaar moet worden bereikt. Ten behoeve van de NVT-didactiek is door het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (hierna CNVT) in termen van noties en functies een ‘Algemene taxonomie van verbale communicatie’ opgesteld (cf. schema 3, hierna).
Schema 3
‘Algemene taxonomie van verbale communicatie’
Schrijf- en spreekvaardigheid - Elementaire Kennis Certificaat Nederlands als Vreemde Taal
(Beersmans et al., 1983:12-13)
| Inhoud | 1. Oriëntering in de ruimte | Men kan inlichtingen vragen of geven over de weg naar het hotel, station, enz. |
| 2. Oriëntering in de tijd | Men kan inlichtingen vragen of geven over data, uren, enz. | |
| 3. Sociale oriëntering | Men kan vaste omgangsformules hanteren (zich voorstellen, zich excuseren, bedanken, groeten, eenvoudige inlichtingen over gezin, woonplaats, beroep, enz.). | |
| 4. Maataanduidingen | Men kan inlichtingen vragen of geven over getallen, afstanden, prijzen, geld, enz. | |
| 5. Men kan om dienstverlening vragen | (Logies, ontbijt, telefoon, taxi, enz.) | |
| Formele correctheid en Mate van beheersing |
Begrijpelijkheidscriterium | ‘Om te kunnen slagen is alleen het produceren van begrijpelijke taaluitingen noodzakelijk. Syntactische, morfologische en lexicale correctheid zijn echter mede bepalend voor de waardering voldoende, ruim voldoende, goed of zeer goed’ (p. 15, passim). |
| Schrijf- en spreekvormen | Informeel |
Ik ga ervan uit dat deze ‘taxonomie’ een geldige communicatieve doelstelling voor de elementaire kennis (EK) is1. Het doel van deze bijdrage is
na te gaan of de lexicale selectie van het Elementair Woordenboek aansluit bij de communicatieve doelstelling. Als dat eenmaal is aangetoond, zal de lexicale selectie van het Elementair Woordenboek in een aangepaste vorm worden overgenomen als doelstelling woordenschat voor het onderwijs PV.
De ‘taxonomie’ sluit in een groter didactisch geheel aan bij Beersmans et al. (1983), het Elementair Woordenboek Nederlands en de vijf reeksen Toetsen en teksten . Daarbij komt nog, voor het niveau ‘basiskennis’, het Basiswoordenboek Nederlands (De Kleijn en Nieuwborg, 1996).
Ik bekijk eerst de lexicale selectie van het Elementair Woordenboek (§ 3.1.). Daarna bespreek ik of en in hoever de lexicale selectie is afgestemd op de didactiek PV (§ 3.2.) en, vervolgens, op de communicatieve doelstelling PV (§ 3.3.).
Het Elementair Woordenboek, de lijst van de 997 nuttigste woorden van het Nederlands, is samengesteld volgens het dubbele selectiecriterium van woordfrequentie en ervaring. Volgens dit laatste criterium vullen de samenstellers de frequentieselectie aan met woorden die noodzakelijk zijn ‘voor de vervulling van [...] functionele behoeften’ (Beheydt en Wieers, 1991:6), dus om de taalfuncties EK te kunnen verwoorden.
Selectie en selectiecriteria van het Elementair Woordenboek hogen momenteel op een grote consensus2. Ook bestaat er momenteel weinig of geen discussie meer over het nut van de duizend frequentste woorden in het
vreemdetalenonderwijs3. Ik zal nu onderzoeken hoe deze selectie moet worden opgevat in het schrijf- en spreekonderwijs en de vraag beantwoorden waaruit de woordenschat van de beginnende NVT-leerder moet bestaan.
Het problematische aan de selectie van het Elementair Woordenboek vanuit het standpunt van het onderwijs PV is van tweeërlei aard. In de eerste plaats roept de selectie van 997 ‘woorden’4 een te grote hoeveelheid woordvormen en betekenissen op, die niet allemaal nuttig zijn. Hier ontstaat dus een probleem van lexicale overtolligheid op het vlak van de didactiek van de lexicale selectie voor PV (cf. § 3.2.). In de tweede plaats is de selectie van 997 ‘woorden’ ontoereikend om de noties en functies van de ‘taxonomie’ op een grondige wijze te dekken. Zo ontstaat een probleem van lexicale schaarste op het vlak van de communicatieve doelstelling PV (cf. § 3.3.).
Zijn ‘Woord vooraf’ laat er geen onduidelijkheid over bestaan dat het Elementair Woordenboek een lexicon is, bestemd als instrument voor de constructie van de toetsen EK van het CNVT (p. 3). De uitwerking van de bedoelde toetsen staan in de vijf reeksen Toetsen en teksten en beslaan zowel de receptieve als de productieve vaardigheden. Hieruit volgt dat de selectie van het Elementair Woordenboek de woorden bevat die zowel de receptieve als de productieve woordenschat van de beginnende NVT- leerder uitmaken.
Het is bekend dat de didactiek receptieve vaardigheden (hierna RV) wezenlijk verschilt van de didactiek PV. Immers, de hoeveelheid receptief beheersbare leerstof is altijd in grote mate omvangrijker dan de productief beheersbare leerstof.5 Daarom vergt de didactiek RV ‘een vrij
massaal aanbod in het begin van het leerprogramma’, want ‘hoe meer woorden aangeboden worden, hoe meer woorden onthouden worden’ (Beheydt, 1995:16).
Het spreekt vanzelf dat het Elementair Woordenboek aan het onderwijs receptieve vaardigheden alle woorden voor dit massaal begrijpelijk taalaanbod moet leveren. Hoe massaal dit taalaanbod is, wordt duidelijk door een telling van de aantallen lemma's, betekenissen en woordvormen (cf. schema 4, hieronder) die de 997 ‘woorden’ verbergen.
Schema 4
Elementair Woordenboek Nederlands: aantallen lemma's, betekenissen en woordvormen
| Woordenlijst | Aanhangsel | Totaal | |
|---|---|---|---|
| lemma's | 903 | 98 | 1.001 |
| woordvormen | 1.752 | 158 | 1.910 |
| betekenissen | 997 | ||
| voorzetselverbindingen | 205 | ||
| vaste verbindingen | 181 | ||
| totaal betekenissen | 1.383 | 134 | 1.517 |
De telling maakt duidelijk dat de samenstellers als ze het hebben over ‘997 woorden’ (Wieers, 1990:1, 165, 167), woordbetekenissen bedoelen. In de 997 woordbetekenissen zijn de aantallen voorzetselverbindingen (in voorzetselvoorwerpen en bijwoordelijke bepalingen) en vaste verbindingen (de zogenaamde ‘idiomen’), die in veel lemma's staan opgesomd, niet meegerekend, wat bij optelling nog een hoger aantal betekenissen, nl. 1.383, oplevert.
De 903 vetgedrukte lemma's roepen verder een nog veel groter aantal woordvormen op - verbuigingen, trappen van vergelijking, meervouden, verkleinwoorden, afleidingen en doorzichtige samenstellingen niet ingerekend - nl. 1.910.
In het onderwijs PV, dat de ‘taxonomie’ als communicatieve doelstelling overneemt, zijn vanuit didactisch standpunt de hier bedoelde vormen en betekenissen niet noodzakelijk voor het bereiken van de doelstelling. Zo zijn niet alle verkleinwoords- en werkwoordsvormen even frequent6 en evenmin alle woordbetekenissen. Bovendien bestaat er een verschil in frequentie tussen schrijf- en spreektaal bij hetzelfde woord.7 Overtollige woordbetekenissen en woordvormen horen bijgevolg niet tot de productieve woordenschat van de leerder. Conclusie: de didactiek PV streeft op het vlak van de lexicale selectie naar een vermindering van het lexicale aanbod van het Elementair Woordenboek.
Mijn tweede stelling met betrekking tot de lexicale selectie van het Elementair Woordenboek - die van de veronderstelde lexicale schaarste - luidde dat de lexicale selectie de leerder niet voldoende in staat stelt de noties en functies van de ‘taxonomie’ onder woorden te brengen. Om deze stelling te bewijzen moet eerst een overzicht worden gegeven van de taalgebruikssituaties die de ‘taxonomie’ oproept in zijn concrete uitwerking. Zij staan summier weergegeven in Beersmans et al. (1983:12-13) maar zijn in aantal en inhoud breder uitgewerkt in de reeksen Toetsen en teksten. Bij een blik op de in Toetsen en teksten verwerkte noties en functies (cf. schema 5) wordt duidelijk dat er naast de algemene noties en functies (nrs. 11-14) twee reeksen gethematiseerde taalgebruikssituaties staan opgesomd (reeksen 21 en 22). Reeks 21 verschilt op het vlak van de uit te voeren taalfunctie van reeks 22 doordat ze eenvoudige uitingen omvat waarbij om dienstverlening wordt gevraagd. Reeks 22 bevat daarentegen een groter aantal gethematiseerde taalgebruikssituaties dan reeks 21, die ze presenteert onder een andere taalfunctie: de productie van eenvoudige uitingen over persoonlijke aangelegenheden. Reeks 22 sluit reeks 21 dus in.
Schema 5
‘Algemene taxonomie van verbale communicatie’
Schrijf- en spreekvaardigheid - Elementaire Kennis Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (Verwerkt in Toetsen en teksten, reeksen 1-5)
Algemene en themagebonden noties en functies
Algemene no & fun
11 ruimte ([eenvoudige] inlichtingen geven en vragen)
|
12 tijd ([eenvoudige] inlichtingen geven en vragen)
|
13 maat (aanduiden, ([eenvoudige] inlichtingen geven en vragen
|
14 sociale no & fun (vaste omgahgsformules gebruiken)
|
Themagebonden no & fun
21 eerste reeks ([eenvoudige] dienstverlening vragen)
|
Themagebonden no & fun
22 tweede reeks ([eenvoudige] inlichtingen geven en vragen over
persoonlijke zaken)
|
Wat opvalt, is dat het aantal en de inhoudelijke spreiding van de noties en functies de ‘taxonomie’ veelbelovend maken. Maar de gebruiker van de ‘taxonomie’ mag zich hierop niet blindstaren. Hij moet vooral rekening houden met de manier waarop - de grondigheid waarmee - deze noties en functies worden uitgewerkt in taalgebruikssituaties ten behoeve van de redzaamheid van de leerder. Eén enkel voorbeeld mag aantonen in hoever de opgesomde taalgebruikssituaties vervuld worden. De leerder EK moet bijvoorbeeld in staat zijn een treinkaartje te kopen (cf. onder nr. 21046 in schema 5). Hij kan dat met de beschikbare middelen - dat wil zeggen de duizend nuttigste woorden, namelijk die van het Elementair Woordenboek. Maar wat hij niet kan, is complete inlichtingen over treinen vragen, want het samengesteld werkwoord ‘overstappen’ staat niet in het Elementair Woordenboek, ook niet in het Basiswoordenboek. Het verschijnt pas in les 11 van Alexander (De Kleijn, 1986), een basisleergang die kan worden gebruikt voor het behalen van het niveau ‘uitgebreide kennis’. Dit wil zeggen dat de beginnende leerder zich in de praktijk moet houden aan rechtstreekse treinverbindingen.
De vraag die de didactiek PV op het niveau EK zich hier moet stellen, luidt: dient de lexicale schaarste van het Elementair Woordenboek niet te worden bestreden ter wille van een grondige dekking van de noties en functies om zodoende de dagelijkse redzaamheid van de leerder te kunnen garanderen? Het antwoord hierop is ontkennend om de volgende redenen.
Ten eerste is het doel van het onderwijs PV niet de NVT-leerder vaardigheden voor NT2-taalgebruiksituaties bij te brengen. Ten tweede ligt in het eerste jaar van de opleiding NVT de prioriteit bij het bijbrengen van de 1000 nuttigste woorden van het Nederlands. Dat zijn immers de woorden waar zowel de NT2- als de NVT-leerder het meeste aan hebben en die ongeacht hun situatie een hoge frequentie hebben. Ten derde bestaat in de praktijk bij veelvuldige en geïmproviseerde uitbreidingen van de elementaire woordenschat het gevaar dat het selectieprincipe als fundament van de vreemdetalendidactiek op losse schroeven komt te staan. Ten slotte zijn de samenstellers van de ‘taxonomie’ er zich van bewust geweest dat de lexicale selectie EK ontoereikend is om de noties en functies van de ‘taxonomie’ diep uit te werken. Dat blijkt
doordat volgens Beersmans et al. (1983:11-12)8 de inlichtingen of mededelingen die over de noties en functies EK worden gepresenteerd in het onderwijs receptieve vaardigheden of worden ge(re)produceerd in het onderwijs productieve vaardigheden, ‘eenvoudig’ moeten zijn.
Ik concludeer dat de beperking die de lexicale selectie EK aan de vervulling van de functies uit de ‘taxonomie’ oplegt omwille van didactische redenen, verankerd is in het beginnersonderwijs en dus voorrang heeft op het verwezenlijken van NT2-zelfredzaamheid. Trouwens, een waterdichte zelfredzaamheid in de taalgebruikssituaties waarin de leerder soms ingewikkelde praktische problemen moet oplossen (de zogenoemde ‘algemene maatschappelijke redzaamheid’, cf. Hulstijn [z.j.]:20), is geen doelstelling in het NVT-onderwijs (cf. schema's 1 en 2). Met andere woorden: de didactiek PV streeft op grond van de communicatieve doelstelling niet naar een uitbreiding van het taalaanbod van het Elementair Woordenboek in het eerste jaar van de opleiding.
Nu zijn twee dingen gebleken. Ten eerste dient het aantal woordvormen en betekenissen van het Elementair Woordenboek te worden beperkt ten behoeve van het schrijf- en spreekonderwijs. Ten tweede is een dergelijke beperking niet strijdig met de communicatieve doelstelling EK. Thans luidt de vraag hoe de lexicale selectie voor het schrijf- en spreekonderwijs er uit moet zien. Zij mag uiteraard de beperking van de 997 woorden van het Elementair Woordenboek niet te buiten gaan.
Er dient voor zowel schrijf- als spreekvaardigheid een afzonderlijke selectie te komen.9 Schrijf- en spreektaal moeten vanaf het beginnersonderwijs duidelijk onderscheiden worden op het vlak van woordkeus en vaste verbindingen. De omvang van de twee aparte selecties wordt bepaald door na te gaan wat de minimale woordenschat is, vereist voor het laten uitvoeren van de opdrachten van de reeksen Toetsen en teksten .
| Appel, R. en A. Vermeer. (1994). Tweede-taalverwerving en tweedetaalonderwijs, Bussum: Coutinho. |
| Beersmans, F. et al. (1983). Het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, Brussel/'s-Gravenhage: Commissariaat-Generaal voor de Internationale Culturele Samenwerking van de Vlaamse Gemeenschap/Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. |
| Beheydt, L. (1986). ‘Optimalisering van de woordenschatverwerving. Met een praktische toepassing voor huiscomputer’, in: Levende Talen, 416 (december), p. 630-637. |
| Beheydt, L. (1995). ‘Leermiddelen voor woordenschatverwerving Nederlands als tweede en als vreemde taal’, in: G. Janssens et al., Leermiddelen voor het Nederlands als vreemde taal. Handelingen van het internationale colloquium aan de Université de Liège op 22 en 23 maart 1995, Liège: English Department UL. p. 5-26, |
| Beheydt, L. en P. de Kleijn. (1986). Toetsen en teksten. Nederlands voor anderstaligen. Deel 1, Groningen / Leuven: Wolters-Noordhoff. |
| Beheydt, L. en J. Pekelder. (1991). Toetsen en teksten. Nederlands voor anderstaligen. Tweede reeks, Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Beheydt, L. en T. Wieers. (1991). Elementair woordenboek Nederlands. Certificaat Nederlands als Vreemde Taal, Nederlandse Taalunie, Lier: Van In. |
| Bogaards, P. (1986). ‘'Hoe nuttig zijn frequente woorden?’, in: Levende Talen, 416 (december), p. 626-629. |
| Boogaart, P.C. uit den (red.). (1975). Woordfrequenties in geschreven en gesproken Nederlands, Utrecht: Oosthoek, Scheltema & Holkema. |
| Bosmans, H. et al. (1998). Toetsen en teksten. Nederlands voor anderstaligen. Vijfde reeks, Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Daams-Moussault, A. (1987). ‘Kanttekeningen bij het onderwerp ‘basis-woordenschat’’, in: Forum der Letteren, 1 (maart), (28). p. 35-42. |
| Guns, M. et al. (1996). Toetsen en teksten. Nederlands voor anderstaligen. Vierde reeks, Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Hartveldt, D. (1990). Kleine didactiek van het Nederlands als tweede taal, Bussum: Coutinho. |
| Hazenberg, S. (1993). ‘Tekstdekking: goochelen met cijfers?’, in: Levende Talen, 476 (januari). p. 10-15. |
| Hazenberg, S. en J. H. Hulstijn. (1992). ‘Woorden op zicht. Woordselectie te behoeve van het NT2-onderwijs’, in: Levende Talen, 467 (februari), p. 2-7. |
| Hulstijn, J. et al. ([z.j.]). Nederlands als tweede taal in de volwasseneneducatie. Handboek voor leerkrachten in de volwasseneneducatie, Amsterdam: Meulenhoff Educatief. |
| Kleijn, P. de (1986). Alexander. Leerboek uitbreiding Nederlandse woordenschat anderstaligen, Den Haag: Uitgave in eigen beheer. |
| Kleijn, P. de en E. Nieuwborg. (1996). Basiswoordenboek Nederlands, Leuven: Wolters. |
| Mondria, J.-A. en S. Mondria-de Vries. (1997). Het leren van woorden in het vreemdetalenonderwijs. Toepassingen voor het studiehuis, Tilburg: MesoConsult. |
| Pekelder, J. en M. Guns. (1993). Toetsen en teksten. Nederlands voor anderstaligen. Derde reeks, Groningen: Wolters-Noordhoff. |
| Pekelder, J. (1995). ‘Tekstgebruik in het beginnersonderwijs aan volwassen leerders van het Nederlands als vreemde taal’, in: G. Janssens et al., Leermiddelen voor het Nederlands als vreemde taal. Handelingen van het internationale colloquium aan de Université de Liège op 22 en 23 maart 1995, Liège: English Department UL. p. 159-172. |
| Sciarone, A.G. (1979). Woordjes leren in het vreemdetalenonderwijs, Muiderberg: Coutinho. |
| Wieers, T. (1990). Selectieprocedure voor een aanvulling van de ‘Woordenlijst Elementaire Kennis’, Louvain-la-Neuve: Université Catholique de Louvain, licentiaatsverhandeling. |