Voor een systematisch en vooral veelzijdig gebruik van internet in het vreemdetalenonderwijs valt veel te zeggen. Leren via internet is niet aan plaats en tijd gebonden: docent en student kunnen hun werk veel vrijer indelen en hoeven niet tegelijk beschikbaar te zijn. Internet biedt de mogelijkheid om, ondanks grotere groepen en beperkte middelen, individueler en gevarieerder onderwijs te bieden. Bovendien is het medium vrij gemakkelijk onder de knie te krijgen en het vraagt geen extra investering als de computers toch al in ruime mate beschikbaar zijn, zoals dat nu het geval is in met name de West-Europese landen. Een laatste argument waar we niet omheen kunnen is: internet is in. Internet is in, maar in Franstalig België is Nederlands dat veel minder. Studenten kiezen voor Nederlands in hun pakket vanwege de marktwaarde van die taal in de Belgische context. De motivatie is dus in eerste instantie instrumenteel, en cursussen Nederlands hebben ook dikwijls een bijzonder stoffig imago, niet helemaal ten onrechte trouwens. Internet is dan ook een geschikt middel om de integratieve motivatie te bevorderen, en om de attitude ten opzichte van de taal bij te stellen.
In deze bijdrage ga ik eerst in op wat algemene na- en voordelen van internet, en stip ik een aantal voor de hand liggende toepassingen aan. Vervolgens kijk ik kort naar de reeds bestaande mogelijkheden om de vier vaardigheden te oefenen, alvorens in Mons ontwikkeld oefenmateriaal kort uit de doeken te doen. Daarna bespreek ik de technische en creatieve vaardigheden van de docent. Ten slotte stip ik een drietal problemen aan die mijns inziens dringend om een oplossing vragen.
Voor het leerproces zelf is internet geen wondermiddel, in de onderwijscontext moeten we onderstrepen dat het gebrek aan structuur en aan
kwaliteitscontrole de anderstalige leerder vaak parten speelt. Er is adequate begeleiding nodig, die misschien zelfs op afstand georganiseerd moet worden. Dat vormt een extra uitdaging voor de docent, die eventuele problemen moet voorzien en geen directe feedback krijgt. In de collegezaal zie je de verveling toeslaan, of de uitleg tekortschieten. Als onderdelen van webmateriaal niet werken, of als on-linedocumenten onaantrekkelijk zijn, merk je daar nauwelijks iets van als je de evaluatie niet goed organiseert.
Maar internet is ook een fantastisch hulpmiddel om het leerproces dynamischer te maken. Enerzijds biedt het de mogelijkheid rekening te houden met individuele leerstijlen en persoonlijkheidskenmerken, of in te spelen op niveauverschillen. Anderzijds kan het ook duidelijk in het verlengde geplaatst worden van constructivistische theorieën1, waarbij de nadruk minder ligt op kennisoverdracht en de docent het hele leerproces eerder stuurt dan bepaalt. Algemeen bekende gebruiksmogelijkheden van internet passen uitstekend in het kader van het vreemdetalenonderwijs.
Het meest voor de hand liggende gebruik van internet is het verzamelen van documentatie. Tegenwoordig is internet in dit opzicht een must, zeker binnen een vertaalopleiding. Daarbij is systematiek en bronnenanalyse vaak ver te zoeken. Een andere toepassing van internet waar veel studenten gretig gebruik van maken, is IRC2, het zogenaamde chatten. Sommigen doen dit bewust met Nederlandstaligen, maar over het rendement van dit soort taalvaardigheidsoefeningen, afgezet tegen de tijd die ermee gemoeid is, wil ik me bij gebrek aan harde gegevens liever niet uitspreken.
Collegedictaten op internet zijn natuurlijk potentieel interessant, al kom je nog heel vaak documenten tegen die net zo goed op papier kunnen.
Een dictaat op internet is alleen dan zinvol als de hyperlinks dat zijn. Die zouden overigens ook moeten verwijzen naar publicaties van andere auteurs, en ze moeten regelmatig geactualiseerd worden.
Voor de anderstalige is het vinden van ‘comprehensible input’3 om allerlei redenen minder evident dan het lijkt. Webschrijvers houden hun teksten doorgaans kort en direct, er wordt niet onnodig moeilijk gedaan, dus voor wie over een redelijke basiskennis van het Nederlands beschikt, is het taalniveau meestal geen barrière. Het ongestructureerde karakter van het world wide web echter leidt ertoe dat registers, jargon en andere turbotalen vrolijk door elkaar lopen. Bij gebrek aan voldoende kennis van de culturele achtergrond wordt alleen begrijpend lezen vaak al een uitdaging.
Bovendien blijft de actieve inbreng van de student-surfer vaak beperkt tot muisklikken en ander non-verbaal gedrag. Spreekvaardigheid kan tegenwoordig nog niet actief geoefend worden. Weliswaar is spraakherkenning langzamerhand uit de kinderschoenen gegroeid, maar de meest recente technologische snufjes vallen buiten het financiële bereik van de non-profitsector.
Schrijfvaardigheid daarentegen kan nu al uitstekend getraind worden met gebruik van internet. Naast IRC zijn er ook meer gestuurde vormen van communicatie mogelijk, zoals e-mailuitwisselingen waarbij studenten uit verschillende taalgebieden elkaar schrijven en samen werken aan bepaalde projecten. Bijzonder bekend is het netwerk dat opgezet is door H. Brammerts, van de universiteit Dortmund.4 Op de vertaalopleiding van de universiteit Mons hebben we zo'n uitwisseling opgezet met onze
Erasmuspartners in Nijmegen en Utrecht. Het enthousiasme daarvoor bij onze studenten was bijzonder groot.
Rest de luistervaardigheid, het stiefkind van het web. On line naar de radio luisteren kan al enkele jaren en toch is er nauwelijks gestructureerd materiaal voor onderwijsdoeleinden. Dat geldt zelfs voor talen als het Engels, dat al veel meer concrete onderwijstoepassingen kent. De enige plausibele verklaring daarvoor is mijns inziens het gebrek aan technische kennis bij de ontwikkelaars: geluid is immers minder interessant voor commerciele websites (of het zou een achtergronddeuntje moeten zijn). Daardoor is er weinig aandacht voor in handleidingen, waarin het wel wemelt van de veel moeilijkere instructies voor blitse, flitsende beeldjes en tekstjes waar docenten weinig aan hebben. Het mp3-formaat - waarvoor de platenindustrie ongewild reclame maakte5 - is niet alleen interessant voor muziek. Ook voor gesproken taal opent het nieuwe perspectieven: wav-bestanden hebben afgedaan.
6Basiskennis veronderstellen we op de Ecole d'Interprètes Internationaux in Mons van meet af aan, omdat onze studenten binnen het voortgezet onderwijs allemaal Nederlands hebben gehad. Met de doorsnee eerstejaars werken we voor taalbeheersing in groepen van dertig à veertig mensen. Deze groepen zijn tamelijk heterogeen wat vooropleiding, niveau en culturele achtergrond betreft, en het mag dus een uitdaging heten om de colleges zo gestalte te geven dat iedereen er iets aan heeft. Vanaf het tweede jaar zijn er minder niveauverschillen, maar komt
taalbeheersing steeds meer in de schaduw te staan van de meer beroepsgerichte vakken als vertalen of tolken. Aan taalbeheersing in de eigenlijke zin wordt dan nog maar zo'n 10% van de dertig à veertig wekelijkse college-uren besteed. Dit geldt voor hoofdvakstudenten, maar er is ook nog een college Nederlands als keuzevak, intensiever weliswaar maar met nog minder contacturen.
Deze context schreeuwt om differentiatie, maar de mogelijkheden daartoe binnen de college-uren zijn beperkt. De studielast is bovendien zo zwaar dat er weinig tijd is voor extraatjes. Om die tijd te claimen, moet je iets interessants te bieden hebben, iets dat als zinvol ervaren wordt en waarschijnlijk ook niet te schools overkomt.
De tolkenschool heeft wel genoeg op internet aangesloten computers, die overdag en in de vroege avond voor alle studenten toegankelijk zijn. Om redenen van administratieve en budgettaire aard is het echter moeilijk om geld los te krijgen voor de aanschaf van cd-rom's of kant-en-klaar lesmateriaal. Internet biedt dan ook een welkom alternatief. Zonder dat er aan de bestaande organisatie van de colleges getornd wordt, kan er in het onderwijs Nederlands als vreemde taal ineens veel meer flexibiliteit ingebouwd worden.
De kleine groep keuzevakstudenten kan haar huiswerk bijvoorbeeld per e-mail opsturen en de correcties per omgaande ontvangen, zodat er veel sneller adequaat gebruik gemaakt kan worden van het zojuist geleerde. De contacturen kunnen op die manier veel efficiënter ingevuld worden. Andere studenten hebben meegedaan met de al genoemde e-mailuitwisselingen, nog andere hebben gewerkt aan een lijst met websites die zij nuttig vinden voor hun studie Nederlands. Deze lijst staat nu op mijn homepage7 en schijnt voor velen het vertrekpunt te zijn in hun zoektochten.
Dat alles gebeurt op vrijwillige basis. Dat heeft een principiële reden: leren is voor mij elke dag weer een feest. Met internet kun je niet alleen je kennis, maar ook je kijk op de wereld bijstellen. Je hebt er geen
universiteit of kantoor voor nodig, alleen maar een computer, en dan kun je na je werkdag of's morgens als iedereen nog slaapt, in je ochtendjas of met de poes op schoot je leven lang leren van anderen die opeens veel dichterbij komen. Die ervaring zou ik met mijn studenten willen delen, en dat kan niet als het verplicht wordt gesteld.
Toch merk ik dat deze aanpak niet iedereen ligt. Introverte studenten die de voorkeur geven aan gestuurde opdrachten en graag precies weten waar ze aan toe zijn, zijn moeilijker over de brug te krijgen, zeker als de computer voor hen een betrekkelijk nieuw instrument is. Daarom ben ik begonnen taaloefeningen te schrijven voor internet. Die staan ook op mijn homepage, zodat wie met deze opgaven begint, later misschien eens naar de lijst met webadressen kijkt, en zo geleidelijk meer en ruimere webervaring opdoet.
Het stimuleren van een zo ruim mogelijk opgevatte taalvaardigheid is de belangrijkste reden achter mijn keuze voor oefeningen direct voor het web. Ik beschouw ze ook als opstapje voor iets anders: je gebruikt een taal immers om naar een andere cultuur te kijken en met andere mensen te communiceren.
De flexibiliteit van het web is een ander argument geweest. De student hoeft niet eerst te besluiten een cd aan te schaffen om een hele serie oefeningen te maken, maar probeert het gewoon eens, en gaat door als het bevalt. De docent kan beginnen met één oefening, er bijmaken, aanpassen, weghalen. Je kunt heel klein beginnen en evolueren naar een ingewikkelder opzet.
Ten slotte is de kostenfactor niet te verwaarlozen. Bestaand materiaal op cd is naar verhouding duur, zeker als je er eclectisch gebruik van maakt, en de beste cursus gaat maar een paar jaar mee. Materiaal maken met ‘authoring tools’8 veronderstelt datje bij voorbaat kiest voor één programma. Gezien de investering is de druk of de dwang om er dan ook inderdaad intensief mee te werken ook groter. Bij weboefeningen hoef je je niet vast te leggen.
Naarmate je meer kijk krijgt op de codering, is er steeds meer variatie mogelijk. Als het gaat om gestructureerd materiaal dat veel sturing vooropstelt, zijn oefeningen op papier ronduit saai vergeleken bij webopgaven. De illusie van geïndividualiseerd commentaar bijvoorbeeld is niet zo moeilijk te scheppen, en de computer legt bij de tweehonderdste student nog even geduldig uit wat er met een antwoord mis is.
De meeste documenten op het web zijn in HTML geschreven of omgezet. Dat omzetten is een veelvuldig gebruikt middel voor wie wel een tekstverwerker gebruikt, maar geen kennis van HTML heeft. De codes worden dan automatisch toegevoegd, met een zo op het oog fraai resultaat. Hetzelfde kun je doen met oefeningen, maar de verschillen tussen de papieren en de webversie zijn dan gering - en dat is jammer. Met HTML-editors kunnen heel mooie webpagina's gemaakt worden, maar op onderwijsdoeleinden zijn ze zelden toegesneden. Wie weboefeningen wil maken, moet dus HTML onder de knie krijgen. Dat lijkt moeilijker dan het is. Net als bij de tekstverwerker is de basis zo aan te leren, het probleem is het optimaal benutten van alle mogelijkheden.
Met HTML alleen bewegen we ons al op een heel ander terrein dan met papieren documenten. Met kleuren werken wordt vanzelfsprekend, illustraties en geluidsfragmenten zijn moeiteloos in te lassen. We kunnen frames gebruiken om vanuit een lijst links op het scherm door te klikken naar tekst die dan rechts te lezen is. HTML-pagina's blijven evenwel vrij statisch.9
Voor een echt interactieve pagina zijn scripts nodig. De enige mogelijkheid tot interactie binnen een zuivere HTML-pagina is het opsturen van een mailtje of van een ingevuld formulier. Als veel studenten dat doen, is het voor de docent een behoorlijke opgave om ze te beantwoorden.
Interactiviteit die geen menselijke tussenkomst meer vergt, ontstaat door een script. Wie zoekt naar een scripttaal die veel mogelijkheden biedt maar ook voor minder wiskundig ingestelden te temmen valt, komt al snel bij JavaScript terecht. Dat heeft een niet te onderschatten voordeel: er bestaan al scripts voor veel toepassingen, en ze zijn meestal niet auteursrechtelijk beschermd.
Met JavaScript kan een nieuw scherm gecreëerd worden en na een tijdje weer gesloten. De HTML-buttons worden gebruikt om een script te activeren, en bijvoorbeeld de goede antwoorden in de vakken van een formulier te laten verschijnen. JavaScript checkt de antwoorden van een student en vergelijkt ze met een sleutel. Een foute reactie kan bijgesteld worden door aangepast commentaar, multiple-choicetoetsen kunnen automatisch gecorrigeerd worden, waarna de score gegeven wordt. De technische kant van de zaak is in eerste instantie een hinderpaal, maar daar valt nog wel uit te komen.10 Ook voor luisteroefeningen is de combinatie HTML en JavaScript bijzonder interessant. Toch komt het relatief weinig voor. Geluidsbestanden kunnen heel veel geheugen vergen. Elke keer dat iemand ze wil beluisteren, moet hij wachten voordat hij ze kan horen. Als het downloaden van een paar gesproken zinnen meer tijd vergt dan wat je er daarna mee doet, heeft de hele procedure weinig zin. De introductie van mp3 maakt het een stuk makkelijker, maar helemaal rozengeur en maneschijn is het nog niet, omdat de verschillende browsers niet op dezelfde manier met geluid omgaan. Het geluid moet er meteen zijn zodra er op een button of link geklikt wordt; het wordt dus tegelijk met de pagina geladen en niet pas na de muisklik. Dat gebeurt bij Netscape heel anders dan bij Internet Explorer.11
Naast deze technische vaardigheid wordt er een appèl gedaan op de creativiteit van de ontwerper. Het vergt enig aanpassingsvermogen van een docent om zijn boodschap zo te formuleren dat ze op één schermpje, in één balk past en toch nog duidelijk is. Een simpel formulier is bovendien nogal saai, dus moet daar een beetje leven in gebracht worden door middel van kleur, beeld en geluid. Die hoeven er echter niet alleen maar voor de show te zijn: als ik vocabulairetraining systematisch een groenige achtergrondkleur geef, en grammatica geel, weet de student meteen waar hij aan toe is. Om een Franstalige duidelijk te maken dat het Nederlandse ‘galgje’ het hem wel bekende ‘le pendu’ is, is een duidelijk plaatje voldoende. Door middel van een hyperlink kan zojuist geïntroduceerde woordenschat in zo'n galgje spelenderwijs aan bod komen. Het vocabulaire wordt intentioneel geleerd, terwijl de student de indruk krijgt er incidenteel mee bezig te zijn.12
Browsercompatibiliteit is iets waar webdesigners een behoorlijke kluif aan hebben. Toch wordt eraan gewerkt en naar alle waarschijnlijkheid duurt het niet zo heel lang meer voordat de trucjes waarmee we ons nu nog moeten behelpen, overbodig worden.13
De knelpunten zijn niet alleen technisch. Ook de copyrightregelingen zijn erg frustrerend voor de vreemdetalendocent. Intellectueel werk moet gewaardeerd en betaald worden, maar dat heeft wel grote gevolgen.
Gezien de juridische verwikkelingen14 wil haast geen krant of tijdschrift toestemming verlenen om artikelen te gebruiken voor taaloefeningen op het web15. Het idee dat een verwijzing naar een publicatie de studenten ertoe zou kunnen aanzetten dat blad ook af en toe te kopen, schijnt niet door te dringen.
Een ander probleem is de hoeveelheid waardevol en waardeloos materiaal dat via internet beschikbaar komt. Halve waarheden, hele leugens, slordigheden en de grootste onzin gaan zo de hele wereld rond. De flexibiliteit, de ongekende mogelijkheden die in het verschiet liggen, de veelzijdigheid van het web wegen daar volgens mij tegenop. Oeverloze discussies over voor- en nadelen van het medium lijken trouwens steeds meer op mosterd na de maaltijd, maar voor de docent van een vreemde taal is het anarchistische karakter van het web bijzonder hinderlijk. Daarom is een snelle uitbreiding van het ‘Taalunieversum’ toe te juichen. Al is het gevaar van een te verregaande institutionalisering16 reëel, het wordt hoogtijd dat de krachten gebundeld worden, niet om ze van bovenaf te sturen, maar om virtuele ontmoetingspunten te creëren waar met name studenten en docenten Nederlands in alle vrijheid contacten kunnen leggen en ervaring uitwisselen.