De Nederlandse misdaadliteratuur geniet weinig aanzien. Toch wil ik hier de stelling verdedigen dat deze een interessant studieobject is voor de neerlandistiek. Naast culturele studies kan ik daarvoor ook een oudere medestander ten tonele voeren, namelijk de Duits- en Engelstalige literatuurwetenschap, die al sinds zo'n vijfentwintig jaar misdaadliteratuur bestudeert. Willy Corsari bijvoorbeeld, die in 1927 als misdaadauteur debuteerde, staat in Nederland bekend als de ‘‘grand old lady’ van de Nederlandse misdaadliteratuur’ (Ross, 1986: 40) ofwel de ‘Hollandse Agatha Christie’ (Van der Zijl, 1991). Maar waarom precies? Die vraag heeft nog geen neerlandicus onder de loep genomen. Nog frappanter is het geval van de in 1975 gedebuteerde Janwillem van de Wetering, in wie het buitenland meer geïnteresseerd is dan zijn landgenoten. Terwijl zij over ‘de filosofietjes’ (Sitniakowsky, 1982) van Van de Wetering spreken, wijdde Georg Patzer in 1992 een diepgravende dissertatie aan diens werk. Met Willy Corsari en Janwillem van de Wetering belandt men bij het ondergenre van de speurders- en politieromans.1 Een veel groter aantal Nederlandse auteurs dan men vaak aanneemt heeft zulke boeken gepubliceerd. Men kan daarbij denken aan pioniers als Louise A. Stratenus, Ivans en Herman Middendorp, maar ook aan een waaier van nieuwere auteurs, van Pim Hofdorp en Theo Capel tot Ina Bouman en Rood & Rood. Van zowel Corsari als Van de Wetering zal ik drie romans op enkele structurele en inhoudelijke aspecten bekijken. Corsari's boeken stammen uit de jaren dertig ( De onbekende medespeler , 1931; Het mysterie van de Mondscheinsonate , 1934; Voetstappen op de trap , 1937), die van Van de
Wetering uit de jaren zeventig en tachtig ( Het lijk in de Haarlemmerhouttuinen , 1975; De straatvogel , 1982; De ratelrat 1984).
2
De misdaadromans van Willy Corsari3 (1897-1998) zijn grotendeels politieromans. Haar vaste man daarin is inspecteur Rob Lund. Hij wordt echter pas in 1934 in Het mysterie van de Mondscheinsonate geïntroduceerd; in De onbekende medespeler ontsluiert lekenspeurder Jutta de misdaad.4 Er zijn ook verder nogal wat verschillen tussen dit eerste boek en de latere twee. Gezien vanuit de actuele ontwikkelingen lijkt De onbekende medespeler, die bijvoorbeeld geen happy end heeft, het modernst te zijn. Toch is het omgekeerde het geval, want Corsari ging juist met de nieuwste ontwikkelingen van haar tijd mee. Haar politieromans behoren tot de stroming van de zogenaamde ‘klassieke raadsel- of deductieroman’, die zich in het interbellum in de Angelsaksische literatuur ontwikkelde. Auteurs als Dorothy Sayers, Agatha Christie, S.S. van Dine, Ngaio Marsh en Ellery Queen creëerden een type speurders- en politieroman waarin de kalme, rationele analyse van op het eerste gezicht onbegrijpelijke elementen in het middelpunt staat.5
Het belang van Corsari is dat zij met haar inspecteur Lund de raadselroman in een origineel Nederlandse versie introduceerde. De auteur die in die jaren het klimaat bepaalde, Ivans (pseudoniem van mr. Jacob van Schevichaven, 1866-1935)6, schreef vanuit een traditie waarin de
elementen in het middelpunt stonden die door de raadselromanauteurs werden afgewezen. Ab Visser noemt in Wie is de dader Havank (pseudoniem van H.F. van der Kallen, 1904-1964)7 de voornaamste op Ivans volgende auteur, maar hij debuteerde pas in 1935 met Het mysterie van St. Eustache . Wat betreft de betekenis van hun werk hebben niet alleen Ivans, Havank en diens opvolger Pieter Terpstra ‘de ontwikkeling van de traditionele Nederlandse detectiveroman [...] geconsolideerd’ (Visser, 1971: 28); ook Corsari heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. Haar raadselromans zijn serieus en ze hebben een perfecte en spannende puzzelvorm. Roosendaal (1976: 229) rekent ze terecht ‘tot het beste [...] dat ooit in ons land op het gebied van de traditionele detectiveroman is voortgebracht’.
Vanwege dit type roman heet Corsari ‘de Hollandse Agatha Christie’. Maar zij is meer dan dat, want ze bracht meteen verschillende vernieuwingen in de raadselroman aan. De eerste is het al genoemde feit dat Lund een politieman is, en geen privé-detective, al vertoont hij, omdat hij alleen werkt, nog wel overeenkomsten met deze figuur.8 Ook het feit dat Lund geen ‘Watson’ heeft is bijzonder, want in de raadselroman werd een koppel à la Sherlock Holmes en dr. Watson nog veel gebruikt. Tevens is Lund niet, zoals Holmes, een onmenselijke ‘denkmachine’, maar juist uitermate menselijk: een burgerlijke, huiselijke jongeman, die op de fiets door zijn villadorp rijdt. Hij is wel intelligent, maar niet in bijzondere mate. Vernieuwend is verder dat inspecteur Lund getrouwd is, en dat zijn vrouw Puck ook werkelijk een rol speelt. In huiselijke taferelen naast de kachel neemt Rob zijn werkproblemen met haar door. Het afsluitende gesprek waarin alle overblijvende raadsels worden opgelost, wordt dan ook in beide boeken bij het jonge paar thuis gevoerd.9
Willy Corsari kreeg met haar keuze voor de raadselroman minder ruimte voor psychologische en andere aspecten, omdat dit type een zo neutraal mogelijke puzzelstructuur vereist. Offert zij dus aan de thematische complexiteit? Tot op zekere hoogte wel. Er is vaak gezegd dat de raadselroman het doorbreken en herstellen van de orde als thema heeft, of men dit nu archetypisch als een basale menselijke behoefte interpreteert of marxistisch-kritisch als een verdediging van bedreigde burgerlijke waarden. Dit lijkt in eerste instantie ook voor de Lund-romans een plausibele interpretatie te zijn, vooral als men ze contrasteert met De onbekende medespeler. In dat boek koos Corsari een artistiek milieu, waar iedereen vecht om een baantje en het verwezenlijken van zijn verlangens. Niet voor niets plaatst zij de handeling in het Berlijn van 1931, in de inflatieen werkeloosheidscrisis. Deze wereld is al voor de moord problematisch en chaotisch, en er is geen orde waarnaar men terug kan keren; dit stereotiepe denkbeeld wordt juist ondergraven.
De onbekende medespeler produceert complexiteit doordat zekerheden ontkend worden, en er geen nieuwe voor in de plaats komen, waardoor de lezer aan het eind niet gerustgesteld achterover kan leunen.
Toch is dit ook niet echt mogelijk bij de Mondscheinsonate en Voetstappen. Ondanks het herstel van de orde blijft er een zekere onrust over. In de Mondscheinsonate is niet de wettelijke handhaver van de orde het slimst, zoals in een volmaakt geordende maatschappij het geval zou moeten zijn, maar de priester Axel Maerlant. Tevens stelt deze - in tegenstelling tot Lund, die het slachtoffer wil ‘wreken’ (57, 61) - dat ‘de aardse gerechtigheid niet het belangrijkste’ (157) is, maar dat het om de ziel van de dader gaat en men niet mag oordelen over een ander (147).
In Voetstappen wordt de man van de wet opnieuw van zijn voetstuk gestoten, doordat hij als te betrokken wordt geschilderd. Lund weigert tegen iedereen in om Tjako Kiliaan van de moord op diens vriend John Judge te verdenken, wat commissaris Dirkhof sarcastisch doet opmerken: ‘Het verbaast me, dat je mij niet verdenkt. Je bent er best toe in staat, als je daarmee je vriendje kunt vrijpleiten. Laat me je zeggen, dat een politieman geen sympathieën behoort te hebben.’ (159) Bovendien verdedigt Tjako net als Axel andere waarden. Tegen Lund verontschuldigt hij een seriemoordenaar met de opmerking dat deze geen begrip van goed en kwaad heeft: ‘Hij werd geboren als moordenaar. Iets in hem was mismaakt, verkeerd gegroeid, verwrongen.’ (155) We vinden hier nog een
echo van het determinisme in De onbekende medespeler, en Corsari is daarmee een voorloper van de misdaadliteratuur uit de jaren zestig en zeventig, die de erfelijke, psychische en sociale omstandigheden van misdadigers weer zal gaan benadrukken.
Al met al is de politie niet almachtig en onfeilbaar; veelzeggend is in dit verband ook dat Lund als erg jong wordt voorgesteld. Tevens worden zijn ideeën over orde en recht en over goed en kwaad door belangrijke personages tegengesproken, waardoor er ambigue momenten ontstaan die blijven prikken.
Janwillem van de Wetering10 (geboren 1931) heeft net als Corsari hoofdzakelijk politieromans gepubliceerd. In Het lijk in de Haarlemmerhouttuinen (1975), De straatvogel (1982) en De ratelrat (1984) vinden we echter geen los werkende politieman. Deze romans horen bij het later ontstane ondergenre van de ‘police procedural’11, waarin een groepje agenten en de procedures van het politiewerk worden beschreven (al blijft dit bij Van de Wetering schematisch). Van dit groepje staan adjudant Henk Grijpstra en brigadier Rinus de Gier centraal. Een vaste rol op de achtergrond speelt de naamloze commissaris; over hem horen we in de loop van de serie alleen dat zijn voornaam Jan is.
Tussen Van de Weterings en Corsari's romans zijn duidelijke verschillen vast te stellen wat betreft ruimte, personages, handeling en afloop. Bij Van de Wetering vinden we geen naamloos villadorp, maar de politie van bureau Warmoesstraat in Amsterdam. Het milieu is dat van de alternatieve scène, de zonderlingen en de onderwereld, waar problemen en misdaad normaal zijn. Rinus de Gier en Henk Grijpstra zijn geen supermensen, maar gewone werknemers die hun best doen. Al lijken ze hierin op Rob Lund, zij neigen wel veel meer tot reflectie. Dat geldt vooral voor De Gier. Wat betreft de handeling is een groot verschil met Corsari dat Grijpstra en De Gier uitvoerig in hun alledaagse doen en laten worden getekend. De concentratie op deze zaken moet noodzakelijkerwijs ten koste gaan van de aandacht voor het opsporen van de moordenaar, verhoren,
analyses van motieven, enzovoorts. De spanning is daardoor minder dan bij Corsari op de oplossing en het einde gericht. Deze oplossing is dan ook minder het resultaat van grondige controle en analytisch denken dan van intuïtieve ideeën en toeval. Bovendien vinden we aan het einde geen gearresteerde dader, maar in de drie hier besproken boeken is het respectievelijk zo dat hij ontkomt, een persoonlijke straf krijgt zonder wettelijk veroordeeld te worden, of niet gepakt wordt wegens gebrek aan bewijs.
Wat houdt deze structuur in voor de thematische kant van Van de Weterings boeken? Als gevolg van de roep om meer realisme vinden we in de jaren zestig en zeventig veel speurders- en politieromans die de nadruk leggen op de achtergronden van misdaad, maatschappijkritiek, en scepsis omtrent orde, recht, plicht en moraal.12 Onder meer Rinus Ferdinandusse schreef politiek-kritische speurdersromans als Zij droeg die nacht een paars corset (1967) en De brede rug van de Nederlandse maagd (1968).13 Gezien vanuit deze context is het vernieuwende van Van de Wetering dat hij weliswaar veel realistische elementen invoegt, maar bij voorkeur alledaagse en onbelangrijke, en relatief weinig aandacht heeft voor de bekende, wie-, wanneer-, waar- en waaromvragen. Daardoor holt hij de kern van de politieroman uit en bereikt hij een merkwaardig omgekeerd effect, namelijk van ónwerkelijkheid. Dit wordt ondersteund door uitspraken van zijn hoofdpersonen over het leven als onrealistisch of onzinnig.
Verder is Van de Wetering opvallend genoeg niet aanklagend of cynisch over het gebrek aan orde en moraal. Hij accepteert dit probleem en behandelt het op soms sprookjesachtige wijze, bijvoorbeeld in De ratelrat, waarin De Gier de mythe van zijn collega's ontkracht dat de mensen in Friesland nog goed zouden zijn. Bovendien is hij niet zoals zijn tijdgenoten maatschappijkritisch. Het kwaad wordt bij hem niet veroorzaakt door het kapitalisme, sociaal onrecht, oorlog of ‘die daarboven’, maar het zit in het leven zelf.
Toch is er een kosmische orde, ‘een groene draak die zichzelf in de staart’ (De ratelrat, 235) bijt, en alles in evenwicht houdt. Georg Patzer (1992 en 1999) toont nauwkeurig aan hoe deze en andere ideeën bij Van de Wetering verbonden zijn met het Zenboeddhisme.
Maar daarmee is niet alles in orde, want ondanks het uiteindelijke evenwicht duikt het kwaad wel overal op. De politie kan het dan ook niet altijd. bestrijden. Bovendien is het ook binnen de politie aanwezig, in de vorm van corruptie bijvoorbeeld, en zelfs binnen één politieagent.
Ook hier blijft dus een restje onrust steken. Deze subtiele prikjes die men als lezer krijgt, zijn een van de dingen die Corsari en Van de Wetering zo aantrekkelijk maken. Aantrekkelijk zijn zij ook vanwege hun plaats in de ontwikkeling van de speurders- en politieroman. Zoals Corsari de raadselroman in Nederland introduceerde, en wel in vernieuwde vorm, is het Van de Weterings verdienste een nieuwe variant van de maatschappijkritische speurders- en politieroman geschapen te hebben; ‘the magical mystery tour’ (Bulthuis, 1976).
In dit kader kan ik niet dieper ingaan op andere structurele en thematische aspecten bij Corsari en Van de Wetering. Veralgemeniserend wil ik stellen dat de misdaadliteratuur geen schematisch ‘marionettenspel’ presenteert, om de woorden van Dresden en Vestdijk (1957) te gebruiken; er valt veel meer aan te analyseren dan men in de neerlandistiek in de regel aanneemt. Dit geldt zowel voor de inhoud - van de ordethematiek tot mensbeeld en psychoanalytische symboliek14 - als voor de structuur. Bij het laatste kan men enerzijds denken aan de narratologische complexiteit van één tekst, anderzijds aan de structurele complexiteit van het genre misdaadliteratuur. Afsluitend wil ik een verbinding leggen met de buitenlandse neerlandistiek en haar perspectieven voor de eenentwintigste eeuw. Het lijkt mij met name voor buitenlandse neerlandici voor de hand liggen om aandacht aan de misdaadliteratuur te besteden. Zij kunnen daarmee de toch vrij beperkte en niet altijd bruikbare intramurale canon uitbreiden met teksten die interessant zijn voor onderwijs en onderzoek. Voor de misdaadliteratuur kan men zich, zoals ik aan het begin zei, tevens direct laten inspireren door de Engels- en Duitstalige collega's.
Het genre is ook goed inzetbaar voor cultuurkundig onderwijs of onderzoek, omdat het vaak veel plaats inruimt voor geografische, culturele en historische aspecten. Wat betreft de nieuwere auteurs ziet men dat velen van hen specifieke milieus schetsen, van de Amsterdamse voodoo- of homocultuur (Rood & Rood, Buddy , 1995; Voodoo , 1997) tot het zeer Nederlandse platteland (Corine Kisling, Satan in de polder , 1996), om van fascinerende historische varianten als die van Jacques Post, Tomas Ross en Ashe Stil maar te zwijgen. Ook de Belgische misdaadliteratuur is in dit opzicht trouwens uitermate boeiend, omdat deze een traditie van sterke maatschappijkritiek kent, zoals uit het werk van Jef Geeraerts, Patrick Conrad en Pieter Aspe blijkt.15
Meer aandacht voor misdaadliteratuur - en voor andere zogenaamde ‘triviale’ vormen van literatuur - zou voor de buitenlandse neerlandistiek als voordeel hebben dat men aansluit bij twee moderne ontwikkelingen. Ten eerste past dit binnen culturele studies, waarin alle uitingen van cultuur even serieus worden genomen; ten tweede past het eveneens bij de groeiende nadruk op interdisciplinariteit. Op die manier zou men als voortrekker kunnen fungeren voor de binnenlandse neerlandistiek, die zich tot dusverre weinig gelegen laat liggen aan deze nieuwe richtingen. Een beetje meer onrust in de orde van de neerlandistiek kan geen kwaad.
| Corsari, Willy. (1931). De onbekende medespeler. Het mysterie van het filmatelier, Den Haag: Leopold. [Geciteerd naar de vierde druk, 1964.] |
| Corsari, Willy. (1934). Het mysterie van de Mondscheinsonate, Den Haag: Leopold. [Geciteerd naar de derde druk, 1949.] |
| Corsari, Willy. (1937). Voetstappen op de trap. Een nieuw avontuur van Inspecteur Lund, Den Haag: Leopold. [Geciteerd naar de tweede druk, 1949.] |
| Wetering, Janwillem van de. (1975). Het lijk in de Haarlemmerhouttuinen, Utrecht/Antwerpen. [Geciteerd naar de Zwarte Beertjes-reeks nr. 2321.] |
| Wetering, Janwillem van de. (1982). De straatvogel, Utrecht. [Geciteerd naar de Bruna Pockethuis-reeks.] |
| Wetering, Janwillem van de. (1984). De ratelrat, Utrecht/Antwerpen. [Geciteerd naar de Zwarte Beertjes-reeks nr. 2320.] |
| Barker, Chris. (2000). Cultural Studies. Theory and Practice, Londen. |
| Bourdieu, Pierre. (1989). ‘De produktie van geloof. Bijdrage tot een economie van symbolische goederen’, in: Dick Pels (red. en inl.), Pierre Bourdieu. Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip, Amsterdam. p. 246-283. |
| Bourdieu, Pierre. (1994). De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld, Amsterdam. |
| Bulthuis, Peter. (1976). ‘De Koot en Bie van de misdaad’, in: Hollands Diep, 24 april. |
| Bzzlletin. (1986). Themanummer ‘Nederlandse misdaadliteratuur’, 14, 137. |
| Caillois, Roger. (1997). ‘Der Kriminalroman oder: Wie sich der Verstand aus der Welt zurückzieht, um seine Spiele zu spielen, und wie darin dennoch die Probleme der Gesellschaft behandelt werden’, in: Vogt, p. 157-180. |
| Docter, Cor. (1997). Grossiers in Moord & Doodslag. Veelschrijvers in Nederland en Vlaanderen, Amsterdam. |
| Dresden, S. en S. Vestdijk. (1957). Marionettenspel met de dood. Over het wezen van de detective-story, Den Haag. |
| Ebert, Teresa L. (1997). ‘Ermittlung des Phallus. Autorität, Ideologie und die Produktion patriarchaler Agenten im Kriminalroman’, in: Vogt, p. 461-485. |
| Eyk, Henriëtte van (sam. en inl.). (1950). Over Willy Corsari, Amsterdam. |
| Ferdinandusse, Rinus. (1994). ‘‘Volgens de regels van het spel’. Over misdaadliteratuur rond 1954’, in: Erna Staal en Murk Salverda (hoofdred.), 1954. Een literaire doorsnee, Den Haag/Amsterdam, p. 84-95. |
| Gill, Gillian. (1990). Agatha Christie. The Woman and Her Mysteries, Londen. |
| Hepp, Andreas. (1999). Cultural Studies und Medienanalyse, Opladen/Wiesbaden. |
| Kreatief. (1991). Themanummer ‘Vlaanderen moordt... Misdaadliteratuur in Vlaanderen’, 25, 3/4. |
| Lorenzer, Alfred. (1997). ‘Zum Beispiel ‘Der Malteser Falke’. Analyse der psychoanalytischen Untersuchung literarischer Texte’, in: Vogt, p. 398-415. |
| Mandel, Ernest. (1987). Ein schöner Mord. Sozialgeschichte des Kriminalromans, Frankfurt am Main. |
| Nusser, Peter. (1992). Der Kriminalroman, Stuttgart. [Tweede herziene en uitgebreide druk.] |
| Passage, J.P.M. (1986). ‘Havanks romans van avontuur: een eenvoudig kunstje?’, in: Bzzlletin, p. 63-72. |
| Passage, J.P.M. (1997). Havank. Schets van leven en werk, Groningen. |
| Patzer, Georg. (1999). ‘Janwillem van de Wetering’, in: Kritisches Lexikon zur fremdsprachigen Gegenwartsliteratur, München. |
| Patzer, Georg. (1992). Zen und der Kriminalroman. Eine Zen-Ästhetik des Romans am Beispiel der Kriminalromane Janwillem van de Weterings, Egelsbach. |
| Meijer, Maaike. (1996). In tekst gevat. Inleiding tot een kritiek van representatie, Amsterdam. |
| Roosendaal, Jan C. (1976). ‘Misdaad in Holland. Een poging tot inventarisatie’, in: Symons, p. 215-265. |
| Roosendaal, Jan C. e.a. (2000). Moorden met woorden. Honderd jaar Nederlandstalige misdaadliteratuur, Den Haag. |
| Ross, Tomas. (1986). ‘De Nederlandse misdaadliteratuur. De moeizame weg naar volwassenheid’, in: Bzzlletin, p. 33-52. |
| Schmidt, Jochen. (1989). Gangster, Opfer, Detektive. Eine Typengeschichte des Kriminalromans, Frankfurt am Main/Berlin. |
| Sitniakowsky, Ivan. (1980). ‘‘Van roem krijg je een grote bolle kop‘. Janwillem van de Wetering in gesprek met Ivan Sitniakowsky’, in: Janwillem van de Wetering, Op zoek naar het ongerijmde, Utrecht/Antwerpen. p. 85-133. |
| Sitniakowsky, Ivan. (1982). ‘Seksueel syndroom ontsiert knappe politieroman’, in: De Telegraaf, 23 oktober. |
| Slot, Eric. (1993). ‘De ziekte die België heet. Over de politiek in de misdaadromans van Jef Geeraerts’, in: Bzzlletin, 23, 208, p. 47-56. |
| Staal, Erna. (1994). ‘De schrijvers van detectives in beeld’, in: Erna Staal en Murk Salverda (hoofdred.), 1954. Een literaire doorsnee, Den Haag/Amsterdam. p. 96-103. |
| Swart, Peter. (1986). ‘‘Misschien ga ik ooit nog een serieuze thriller schrijven’. Interview met Rinus Ferdinandusse", in: Bzzlletin, p. 7-10. |
| Symons, Julian. (1976). Moord en doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal, Utrecht/Antwerpen. |
| Vermij, Lucie Th. (1993). De verrukkelijke kunst van het verhaal. Leven en werk van Willy Corsari, Amsterdam. |
| Visser, Ab. (1968). Onder de gordel. Erotiek en geweld in de misdaadroman, Utrecht/Antwerpen. |
| Visser, Ab. (1971). Wie is de dader. De misdaadliteratuur van Edgar Allan Poe tot heden, Leiden. |
| Vogel, Marianne. (1999a). ‘Willy Corsari’, in: Kritisch Lexicon van de Nederlandse literatuur na 1945, Groningen. |
| Vogel, Marianne. (1999b). ‘Trivialität in der deutschen und niederländischen Zwischenkriegsliteratur oder Wie brauchbar sind traditionelle Wertungskategorien der Literaturgeschichtsschreibung?’, in: Christiane Caemmerer et al. (red.), Autorinnen in der Literaturgeschichte. Konsequenzen der Frauenforschung für die Literaturgeschichtsschreibung und Literaturdokumentation, Osnabrück. p. 117-131. |
| Vogt, Jochen (red.). (1998). Der Kriminalroman. Poetik, Theorie, Geschichte, München. |
| Zijl, Annejet van der. (1991). ‘Eigenlijk moest ze operadiva worden, maar ze werd bekend als de ‘Hollandse Agatha Christie’. Nu is ze 93 en ‘al heel lang oud’. Het merkwaardige leven van Willy Corsari’, in: HP/De Tijd, 23 augustus. |