|
|
|
| |
| | | |
Plagiaat en de historische roman: de gevallen Boudier-Bakker en Du
Perron Jane Fenoulhet (Londen)
Iedereen die zich in de academische wereld met literatuur bezighoudt heeft
waarschijnlijk te maken gehad met verschillende vormen van plagiaat. Zoals we
allemaal weten, wordt plagiaat binnen de academische wereld beschouwd als totaal
onaanvaardbaar en het heeft dan ook ernstige gevolgen voor de schuldigen. Er
wordt van uitgegaan dat iemand die plagiaat pleegt een vorm van diefstal begaat
- diefstal van andermans woorden en misschien ook ideeën. Mijn ervaring is dat
de definitie van plagiaat steeds genuanceerder, steeds gedetailleerder wordt en
dat de houding van de autoriteiten ten opzichte van dit verschijnsel duidelijker
wordt. Er bestaat de neiging om plagiaat als verschijnsel zonder meer te
aanvaarden, maar is het slechts een kwestie van het begaan van een duidelijk
omschreven misdaad die na onderzoek wel of niet gestraft wordt? Het bestaan van
publieke sancties geeft al aan dat men hier met een sociaal verschijnsel
geconfronteerd wordt.
Hoewel het vaak lijkt alsof de definitie van plagiaat voor de hand ligt, zou ik
willen suggereren dat deze niet vaststaat omdat er een sociaal gebruik mee wordt
aangeduid dat binnen een sociaal veld (om met de Franse socioloog Pierre
Bourdieu te spreken) door de heersende groep bepaald wordt. Dus kunnen de
gebruiken rondom plagiaat gezien worden als uiting van sociale macht. In zo'n
geval zou men kunnen verwachten dat het begrip plagiaat grotendeels onomstreden
zou blijven tenzij er veranderingen in het veld plaatsvinden die de
machtsverhoudingen dreigen te verstoren. Over zo'n situatie schrijft Shelley
Angélil-Carter in Stolen Language? Plagiarism in Writing. Zij
betoogt dat veel zwarte studenten vanwege hun culturele achtergrond door de
heersende opvatting van plagiaat benadeeld worden en ze laat zien dat het begrip
plagiaat op z'n minst kritisch moet worden bekeken.
| | | |
Zoals mijn titel aangeeft, gaat mijn eigenlijke aandacht uit naar literaire
kringen - het literaire veld - in Nederland in de jaren dertig en naar de
openbare beschuldiging van plagiaat die Menno ter
Braak tegen Ina Boudier-Bakker uitsprak. Voor
deze bijdrage heb ik gebruik gemaakt van het
Verzameld Werk
van Ter Braak en de biografie van Ina Boudier-Bakker door Hans Edinga. Ik ben (nog) niet in de gelegenheid
geweest
Het Vaderland
van 20 oktober 1935 te raadplegen, waarin de eerste recensie van
Vrouw Jacob
stond, de historische roman die Ina Boudier-Bakker over Jacoba van
Beieren schreef; en evenmin dezelfde krant van een week later waarin
Boudier-Bakker zichzelf verdedigde en Ter Braak haar van repliek diende.
In Ter Braaks recensie van Vrouw Jacob luidde de aanklacht
‘bijna plagiaat’, maar nadat zij zich in dezelfde krant verdedigd had, werd hij
feller: ‘Ik wil uitdrukkelijk verklaren dat [...] zij zich schuldig heeft
gemaakt aan het plegen van plagiaat.’ Hij staaft zijn argument beide keren met
voorbeelden van overgeschreven passages uit het werk van de Duitse historicus
Löher, of liever gezegd, de Nederlandse vertaling ervan. Het interessante is dat
Boudier-Bakker niet ontkent dat ze hele stukken heeft overgenomen, maar
tegelijkertijd vindt ze niet dat ze plagiaat gepleegd heeft en verontschuldigt
ze zich niet, iets wat Ter Braak razend maakt. In zijn biografie van
Boudier-Bakker geeft Hans Edinga een uitvoerige beschrijving van de affaire en
van de nasleep in brieven en artikels die zeker tot 1938 duurde. Het hele geval
heeft iets van een machtsstrijd. Ik wil eerst de aard van die strijd bekijken en
het dan even hebben over mogelijke gevolgen ervan.
Zo te zien behoren Ter Braak en Boudier-Bakker tot hetzelfde veld - het
literaire. Deze uitspraak behoeft enig uitleg want Ter Braak zou het er niet mee
eens zijn geweest dat hij tot dezelfde groepering wordt gerekend als
Boudier-Bakker. In zijn recensies van door vrouwen geschreven romans heeft hij
wel eens beweerd dat men hier met dameslectuur te maken heeft en niet met
literatuur, een opvatting die nog leeft. Aan de andere kant is het wel zo dat
Ter Braak toch aandacht schonk aan het werk van vrouwen, en alleen op basis
hiervan vind ik dat Ter Braak en Boudier-Bakker beiden een rol spelen in
hetzelfde veld, hoewel ze daarbinnen sterk uiteenlopende posities innemen. Als
recensent heeft Ter | | | | Braak een duidelijke vorm van macht, want hij
mag oordelen uitspreken over het werk van beoefenaars van literatuur. Maar die
smaakvormende macht functioneert maar in een beperkte kring, die van een
intellectuele elite die zich, zoals uit het werk van Ter Braak en bijvoorbeeld
Huizinga te zien valt, in zijn positie nogal onzeker begint te voelen in een
tijd van doorwerkende democratie - van de opkomende massa's. Schrijvende vrouwen
zoals Boudier-Bakker vormen een bedreiging van de positie van iemand als Ter
Braak omdat hun boeken erg populair zijn. Ze hebben een aanhang weten te
verwerven buiten de gevestigde kring om.
Door Boudier-Bakker te beschuldigen van plagiaat op Löher verkoos Ter Braak een
consensus omtrent de historische roman te ontkennen, waarbij het niet nodig werd
geacht om bronnen te citeren. Die consensus bestond allang en bestaat nog steeds
om naar de praktijk te oordelen - en niet alleen in de Nederlandse literatuur.
Samengevat luidt de kern van Ter Braaks argument als volgt: het is de plicht van
de schrijver van een historische roman om zich als een historicus te gedragen en
een studie te maken van de levensvormen van een bepaalde periode ‘tot in alle
consequenties’. Zijn lectuur van Vrouw Jacob heeft hem ervan
overtuigd dat Boudier-Bakker de kwaliteiten niet heeft die nodig zijn om een zo
gecompliceerde periode te herscheppen. Om dit te benadrukken zegt hij dat ‘haar
de wetenschap en het inzicht van een Huizinga
ontbraken.’ Zonder deze argumentatie zou de beschuldiging van plagiaat niet
mogelijk zijn geweest, want hiermee heeft Ter Braak de taak van de historische
romanschrijver opnieuw gedefinieerd als gelijk aan die van een historicus en op
deze manier weet hij te ontkomen aan de consensus omtrent bronvermelding in
historische fictie. De gelijkstelling van historische fictie en
geschiedschrijving komt natuurlijk niet overeen met de gebruikelijke kijk op de
historische roman zoals die bijvoorbeeld door Vestdijk in een lezing over de historische roman wordt verwoord: ‘De
historie zoekt kontakt met de historische werkelijkheid. [...] in de historische
roman vindt dit kriterium van het ‘echt-gebeurd-zijn’ van het verleden in het
geheel geen plaats.’ (
Gallische facetten
, p. 185)
Boudier-Bakker en Vestdijk behoren tot de groep romanschrijvers die in het genre
van de historische roman de geschiedenis ondergeschikt achten aan fictie, en die
niet expliciet naar hun bronnen verwijzen in hun | | | | romans. Ter Braak
vindt dat de geschiedenis de bovenhand moet krijgen en hiervan uitgaand haalt
hij zijn normen ergens anders vandaan. Het argument dat hij in de recensie
gebruikt suggereert dat hij met normen uit het academische veld werkt. Of hij
zijn superieure toon ook daarvandaan heeft laat ik buiten beschouwing, maar in
ieder geval neemt hij een dominante positie in. Zoals hij op 20 oktober 1935 aan
Du Perron meldde: ‘Ik schreef deze week over het boek van Huizinga (na vandaag
[...] Boudier-Bakker van plagiaat beticht te hebben).’ Ik zou hem ervan willen
betichten dat hij zijn genres door elkaar haalt en eisen aan de historische
roman stelt die gewoonlijk van toepassing zijn op de wetenschappelijke
geschiedschrijving. Recent onderzoek heeft laten zien dat genre een belangrijke
rol speelt bij het al of niet vaststellen van plagiaat. Volgens Angélil-Carter
bestaan er zelfs verschillende concepties van plagiaat tussen de academische
disciplines onderling en a fortiori tussen verschillende
tekstsoorten als roman, rapport en nieuwsbericht. Zij citeert D. Jameson1 die zegt ‘that although historical information
may be used in a novel which obviously comes from somewhere, it does not need to
be documented, whereas in academic history, it would need to be’ (dat de
duidelijk historische achtergrond van een roman niet gedocumenteerd hoeft te
worden, hoewel dat in academische geschiedschrijving wel moet).
Een voorlopige conclusie zou dus kunnen luiden: Ter Braak kraakt Vrouw Jacob af op een onterechte manier; door Boudier-Bakker met de in
diskrediet gebrachte prof. Colenbrander te vergelijken (wat hij in zijn repliek
op haar zelfverdediging doet) moet hij erop uit zijn haar reputatie te schaden.
Hoewel iets van dien aard ongetwijfeld meespeelt, zou men toch een andere
betekenis kunnen geven aan het geval Ter Braak/Boudier-Bakker, nl. dat Ter Braak
principieel bezwaar heeft tegen wat hij als oneerlijk beschouwt. Wat de
historische roman betreft verafschuwt hij ‘iedere illusie van historische
‘net-echtheid’’ - ik citeer uit zijn recensie van Du Perrons
Schandaal in Holland
. Vandaar dat ik verder wil gaan dan die voorlopige conclusie met de
gedachte dat dit onbehagen van Ter Braak | | | | zijn neerslag vindt in
latere, naoorlogse experimenten met de historische roman zoals die van Louis Paul Boon en Hella
Haasse. Maar het eerste experiment vond al plaats in de jaren dertig na
de affaire Boudier-Bakker. Ik denk nl. aan Schandaal in
Holland van Du Perron dat in 1939 verscheen. Dit werk lijkt te bevestigen
dat er iets aan de hand is met genreafbakening: hoewel het zeker geen
academische geschiedschrijving is, leest het heel anders dan een traditionele
historische roman. Er wordt uitvoerig in geciteerd uit de bronnen, die vaak
directe bronnen zijn zoals dagboeken of documenten die soms wel, soms niet
genoemd worden. Er wordt geparafraseerd en samengevat, maar ook gefantaseerd.
Het lijkt echt alsof Du Perron rekening houdt met Ter Braaks bezwaren, zeker als
men zijn nawoord erbij neemt. Volgens dit nawoord bestaat het verhaal ‘uit
Dichtung und Wahrheit, welke laatste noodzakelijk van elders moest worden
betrokken; en ik heb zoveel zinnen, uitdrukkingen en gesproken woorden
overgenomen uit de door mij geraadpleegde schrifturen, dat ik bij voorbaat alle
beschuldigingen van plagiaat aanvaard en geen enkel beroep denk te doen op de
daarbij gebruikelijke ereraden.’ Verder noemt Du Perron de schrijvers van zijn
bronnen maar niet de titels, ‘om zoekers op weg te helpen’.
Concluderend vind ik dat de gevallen Boudier-Bakker en
Du Perron laten zien dat plagiaat wel degelijk een relatief en veranderlijk
begrip is, wat het duidelijkst aan het licht komt wanneer er een conflict
ontstaat binnen een sociaal/cultureel veld. De vraag is dan hoe het conflict
opgelost wordt. Verder laten deze gevallen zien dat het conflict zich rond het
genrebegrip toespitst. Ter Braak heeft iets tegen Ina
Boudier-Bakker, maar ook tegen het genre historische roman. Het conflict tussen
deze twee individuen hoeft niet te worden opgelost omdat het eigenlijk een
symptoom is van veranderende machtsverhoudingen die verbonden zijn met culturele
verschuivingen en botsingen - elitair tegenover populair, academisch tegenover
oppervlakkig, integer tegenover net-echt. Maar zulke spanningen hebben vaak
gevolgen, in dit geval voor de stabiliteit van de genres van geschiedschrijving
en historische roman. Een tussengenre wordt door Du Perron gerealiseerd in Schandaal in Holland - Ter Braak noemt het ‘een historisch
verhaal’, Vestdijk een ‘kroniek’. Door zich bij voorbaat schuldig te verklaren
aan plagiaat, geeft Du Perron Ter Braak gelijk, maar niet zonder ironie.
| | | |
Men kan hier nog een notitie aan toevoegen: in het nagelaten werk van Ter Braak
bevindt zich een fragment van een roman, waarschijnlijk geschreven in 1939, die
‘Het Plagiaat’ heet. De hoofdpersoon en ikverteller is journalist. Een collega
maakt hem attent op een geval van plagiaat op zijn eigen werk. Hij reageert met
bewondering voor de plagiator en met minachting voor deze collega: ‘klakkeloos
overschrijven zonder bronvermelding ligt hem verre; hij is daarvoor niet
origineel genoeg’ (
Verzameld Werk
4, p. 833) en aan ‘de ontmaskering in de krant’ denkt hij helemaal
niet.
| |
Bibliografie
| Angélil-Carter, Shelley. (2000). Stolen Language?
Plagiarism in Writing, Harlow: Person Education. |
| Boudier-Bakker, Ina. (1935). Vrouw Jacob, Amsterdam. |
| Braak, Menno ter. (1949). ‘Het Plagiaat’, in: Verzameld
Werk .4, Amsterdam. |
| Braak, Menno ter. (1949). ‘Jacoba van Beieren’, in: Verzameld Werk 5, Amsterdam, p. 609ff. |
| Braak, Menno ter en E. du Perron. (1965). Briefwisseling
1930-1940, deel III, Amsterdam. |
| Edinga, Hans. (1970). De vrouw achter De Klop op de
Deur, Apeldoorn. |
| Perron, Edgar du. (1962). Schandaal in Holland,
Amsterdam. |
| Vestdijk, Simon. (1968). ‘Over de historische roman’, in: Gallische facetten, Den Haag. |
|
1D. Jameson. (1993). ‘The ethics of plagiarism: How genre
affects writers' use of source materials’, in: The
Bulletin, June.
|
|