|
|
|
| |
| | | |
Contrastief en taakgericht: een contrast? Folkert Kuiken
(Amsterdam)
| |
1. Modes en trends in het tweede- en vreemdetaalonderwijs
Het tweede- en vreemdetaalonderwijs laat een voortdurende golfbeweging zien.
Zo bestond er in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw dankzij het
werk van de Engelse taalkundige Palmer veel interesse voor
woordenschatonderwijs (Howatt, 1984); een opleving zagen we in de jaren
tachtig (o.a. Aitchinson, 1987, Meara, 1980, Schouten-van Parreren, 1985).
Een ander voorbeeld van een wisselende belangstelling betreft het accent op
grammatica in met name de grammatica-vertaalmethode. Na jarenlang in zwang
te zijn geweest moest deze uiteindelijk in de jaren zestig en zeventig het
veld ruimen voor een communicatieve aanpak. Maar in het laatste decennium
van de twintigste eeuw bleek een hernieuwde belangstelling voor taalvorm,
zij het in een wat andere gedaante getiteld Focus on Form
(FonF), waarbij het er vooral om gaat de leerder bewust te maken van
bepaalde vormkwesties (o.a. Doughty en Williams, 1998; Kuiken en Vedder, 2000).
En dan de aandacht voor de moedertaal (T1): deze nam in de jaren zestig bij
de Contrastieve Analyse Hypothese een centrale plaats in (Lado, 1957). De belangstelling verflauwde toen
bleek dat lang niet alle problemen van tweedetaalleerders voorspeld konden
worden vanuit de verschillen tussen moedertaal en doeltaal. Rond de
eeuwwisseling blijkt de aandacht voor de moedertaal weer razend actueel,
getuige onder meer het symposium
Tweede taal en moedertaal bij laagopgeleiden
dat op 19 mei 2000 door de ANéLA werd georganiseerd (Van de Craats
en Kerkhoff, 2000) en het deelthema van het IVN-colloquium Contrastief taalonderwijs: nuttig, nodig of
overbodig? waarvan deze bijdrage deel uitmaakt.
Gaat het bij deze revival van de rol van de moedertaal bij het tweede- en
vreemdetaalverwervingsproces nu om nieuwe wijn in oude zakken of bestaan er
recente inzichten die deze hernieuwde aandacht voor contrastief
taalonderwijs rechtvaardigen? Ik richt mij vooral op de relatie tussen | | | | een contrastieve aanpak en taakgericht onderwijs en stel de
vraag of daarbij al dan niet sprake is van een contrast. Alvorens deze vraag
te beantwoorden ga ik op de volgende drie punten in: onderzoek, methodiek en
de aard van taakgericht onderwijs.
| |
2. Onderzoek
De centrale vraag waar het bij een contrastieve aanpak in het onderwijs
Nederlands als vreemde taal (NVT) om draait is: leren (volwassen) leerders
van NVT beter en sneller Nederlands wanneer zij op verschillen en
overeenkomsten tussen moedertaal en het Nederlands worden gewezen dan
wanneer dit niet gebeurt? Hoewel het intuïtief voor de hand lijkt te liggen
om bij leerders met dezelfde moedertaal in de les aandacht te besteden aan
verschillen en overeenkomsten tussen T1 en NVT, bestaat er bij mijn weten
geen onderzoek (noch voor de verwerving van enige andere vreemde taal)
waaruit onomstotelijk is komen vast te staan dat dat inderdaad meer effect
sorteert. Voorlopig is onze kennis daaromtrent op niet veel meer dan
dergelijke intuïties gebaseerd. Het is ook niet zo gemakkelijk om dat soort
onderzoek uit te voeren, omdat met veel verschillende variabelen rekening
moet worden gehouden, zoals:
| - | de moedertaal: het leren van NVT is voor Duitstaligen van een andere
orde dan voor Chineestaligen; |
| - | taalvaardigheid: is deze gemeten in termen van woordenschat,
grammaticale vaardigheid, productieve of receptieve kennis, enzovoort; |
| - | instructie: welke informatie hebben de leerders precies
gekregen? |
Het zal dus nog wel even duren voor we over de resultaten van dergelijk
onderzoek kunnen beschikken.
Intussen bestaan er wel detailstudies naar specifieke problemen van bepaalde
taalgroepen met NVT, zoals die van Wenzel over problemen van Duitstaligen
met het woordje ‘nou’, van Hiligsmann over het
gebruik van ‘niet [...] meer’ door Franstaligen (zie hun bijdrage hierover
in deze bundel) of van Van de Craats over het gebruik van
possessiefconstructies door Marokkaanse en Turkse leerders (Van de Craats,
2000). Het blijft echter de vraag of en wanneer leerders met dergelijke
informatie gebaat zijn. Zo richt Van de Craats
zich vooral op laagopgeleiden van wie het | | | | Nederlands kenmerken
van fossilisatie vertoont, terwijl Wenzel en Hiligsmann hun adviezen vooral
voor vergevorderde leerders van NVT lijken te bestemmen.
Een andere ontwikkeling waar in het vreemdetaalonderwijs rekening mee
gehouden moet worden, is de inzet van de computer. In een software- programma NVT kan desgewenst informatie over verschillen
en overeenkomsten tussen T1 en NVT worden opgenomen, waarbij aan docent en
leerders de keuze wordt gelaten om van deze informatie gebruik te maken. Met
de inzet van multimedia kom ik op het volgende punt van mijn betoog: de
methodiek.
| |
3. Methodiek
De modes en trends binnen het talenonderwijs die aan het begin van dit
artikel werden genoemd, zien we vooral weerspiegeld in de taalleer-methodes
die in de loop der tijd de revue zijn gepasseerd: grammatica-vertaalmethode,
audiolinguale methode, communicatief taalonderwijs, ‘natural approach’,
taakgericht onderwijs, een inhoudgerichte aanpak, enzovoort. Maar wat moeten
we nu precies onder een methode verstaan? Ik verwijs daarbij naar Richards
en Rodgers (1986), die drie belangrijke onderdelen binnen een methode
onderscheiden: de taal(leer)theorie die aan een methode ten grondslag ligt,
de manier waarop de methode is opgezet (het design) en de werkwijze of
procedure (zie kader 1). Binnen deze drie onderdelen is een verder
onderscheid aangebracht, zoals in kader 1 is weergegeven.
Is er bij contrastief taalonderwijs nu sprake van een methode? Ik durf dat te
betwijfelen. Zo is het niet duidelijk op welke taal- en taalleertheoretische
uitgangspunten contrastief taalonderwijs gebaseerd is, op grond van welke
criteria selectie van de leerstof moet plaatsvinden en wat voor soort
activiteiten leerders het beste kunnen uitvoeren.
Overigens bestaat er bij de ontwikkeling van op contrastieve leest geschoeid
materiaal ook een probleem van praktische aard. Zo zal het, gelet op de over
het algemeen geringe omvang van de doelgroep, niet eenvoudig zijn om een
uitgever te vinden die bereid zal zijn dergelijk materiaal | | | | uit
te geven. Voor de ‘grotere’ talen is dat misschien wel het geval, maar voor
de meeste talen zullen die mogelijkheden zeer beperkt zijn.
Kader 1: Componenten van een methode volgens Richards en Rodgers (1986)
| |
Methode |
|
| Theorie |
Design |
Procedure |
| 1 Taaltheorie |
1 Doelstellingen |
1 Gebruik van tijd, ruimte, materialen |
| 2 Taalleertheorie |
2 Selectie |
2 Interactie in de klas, groepssamenstelling |
| |
3 Soort activiteiten |
3 Feedback van de docent |
| |
4 Rol van de leerlingen |
|
| |
5 Rol van de docent |
|
| |
6 Rol van materialen |
|
In plaats van een volledig uitgewerkte methodiek gebaseerd op contrastief
taalonderwijs lijkt het mij om bovengenoemde redenen zinvoller en reëler om,
aansluitend bij een beproefde methodiek, bij bepaalde onderdelen
(woordenschat, grammatica, cultuur) aandacht voor verschillen en
overeenkomsten tussen T1 en NVT onder te brengen. Bij die methodiek denk ik
vooral aan de taakgerichte aanpak. Het betreft hier een recente benadering
volgens welke een nieuwe generatie leergangen Nederlands is ontwikkeld (in
Vlaanderen
De toren van Babbel, Klaar af
en
Taalkit 1 & 2
, en in Nederland
Zebra
en
Schoolslag
). De principes van deze benadering zullen in de volgende paragraaf
nader uiteen worden gezet (zie hiervoor ook Van den
Branden en Kuiken, 1997; VON-
Werkgroep NT2, 1996).
| | | |
| |
4. Taakgericht onderwijs
Uitgangspunt bij taakgericht onderwijs is dat taalleerders een taal leren om
bepaalde taken uit te voeren. Deze taken moeten aansluiten bij de
activiteiten van alledag. Voorbeelden van taaltaken zijn: het informeren
naar de openingstijden van een instelling, het invullen van een
inschrijf-formulier, het voeren van een gesprek over de voordelen van een
republiek of monarchie, het schrijven van een bedankbriefje, het lezen van
een gebruiksaanwijzing, enzovoort. Een - enigszins technische - definitie
van een taaltaak luidt als volgt: een taaltaak kan worden opgevat als een
reeks van communicatieve handelingen waarbij een of meerdere taalgebruikers
betrokken zijn en die gericht is op het bereiken van een bepaald doel. In
plaats van een alledaagse activiteit kan ook een zogeheten pedagogische taak
aan de leerders worden voorgelegd. Het gaat dan niet zozeer om een taak die
leerders in het dagelijkse leven regelmatig tegenkomen, maar om een
probleemoplossende activiteit die de leerders uitdaagt en motiveert om deze
in interactie met elkaar tot een goed einde te brengen. In kader 2 en 3 zijn
voorbeelden van dergelijke taken opgenomen. In beide gevallen gaat het om
het oplossen van logische problemen. In kader 2 ‘Time Zone’ moeten de
leerders nagaan wie, rekening houdend met tijdsverschillen, op een bepaald
moment kan worden opgebeld. De taak is afkomstig uit een Engelstalige
publicatie, maar kan gemakkelijk naar de Nederlandse (NVT) situatie worden
omgezet. Het uitdrukken van tijd en comparatiefconstructies als ‘eerder’,
‘vroeger’, ‘later’ komen bij deze taak aan de orde. Desgewenst kan op die
punten waarop T1 en NVT van elkaar verschillen aandacht aan de betreffende
vormen worden besteed.
In kader 3 ‘Need for speed’ gaat het om de vraag hoeveel begeleiders de
dichter Jules Deelder op tournee mee moet nemen om aan zijn benodigde portie
speed te komen. Bij deze taak zijn de leerders onder
meer genoodzaakt om kwantiteit uit te drukken (zoals: ‘elke begeleider heeft
er twee nodig’) en om veronderstellingen te uiten (‘als’ [...] ‘dan’ [...]).
Net als bij ‘Time Zone’ kan bij deze taak waar nodig worden ingegaan op
verschillen tussen T1 en NVT.
| | | |
Kader 2: Time Zone
Nick, who lives in Boston, decided to phone seven of his friends for a
conference call. It was 7:00 a.m. there when he began making the calls.
Using the clues below, try to determine where the seven friends are located.
| (1) | Lori was awakend by the phone ringing at 5:00 a.m. |
| (2) | Duke was having a noon meal. |
| (3) | Cary was 5 hours later than Deb. |
| (4) | Gene just finished lunch and was sitting down for a 1 o'clock meeting
when the phone rang. |
| (5) | Jan was watching a late-night TV news show, which started at midnight. |
| (6) | Alex was 10 hours earlier than where Duke was. |
| |
Boston, USA |
London, England |
Wellington, New Zea-land |
Honolulu, Hawaii |
Nairobi, Kenya |
Perth, Australia |
Mazatlán, Mexico |
Cape Town, S.Africa |
| Nick |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| Lori |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Deb |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Jan |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Duke |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Cary |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Alex |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Gene |
|
|
|
|
|
|
|
|
Bron: Smith, K. (1999). Math Logic Puzzles, New Delhi:
Orient Paperbacks. p. 64.
| | | |
Kader 3: Need for speed
Jules Deelder staat aan de grens van een vreemd land, waar hij zes dagen zal
verblijven voor een solovoorleestournee. Anders dan in het land dat hij net
verlaat, is er echter absoluut geen speed te krijgen. De autoriteiten hebben
zich bereid verklaard hem en z'n begeleiders ongemoeid rond te laten reizen,
mits zij niet meer dan vier dagdoses de man bij zich hebben. Alle
begeleiders zijn verslaafd aan speed. Hoeveel begeleiders heeft Jules nodig
om zijn tournee zonder ontwenningsverschijnselen af te ronden?
Bron: M, Magazine
NRC Handelsblad
, april 2000, p. 72.
De kenmerken van taakgericht onderwijs kunnen als volgt worden samengevat:
| (1) | De eenheid van waaruit het taalonderwijs wordt opgezet is de
(pedagogische) taak. |
| (2) | Taakgericht onderwijs is niet synthetisch, waarbij uit kleine delen
een groter geheel moet worden samengesteld, maar analytisch: door
leerders met een groter geheel (de taak) te confronteren, ontdekken ze
welke elementen nodig zijn om deze op te lossen. |
| (3) | Taakgericht onderwijs is procesgericht: leerders moeten voortdurend op
hun eigen leerproces reflecteren en zich afvragen of de taak naar
tevredenheid is opgelost of dat er misschien alternatieven voorhanden
zijn. |
| (4) | Bij de uitvoering van een taak worden de deelvaardigheden niet
geïsoleerd aangeboden, maar met elkaar geïntegreerd: de leerders moeten
de taak lezen, naar elkaar luisteren en met elkaar praten om tot een
goede oplossing te komen. |
Naast taaltaken bevat taakgericht materiaal vaak opdrachten ter voorbereiding
op de taak of ter consolidering van elementen benodigd voor de uitvoering
van de taak. Het gaat dan om zaken als grammaticale constructies, woorden,
taalfuncties en klanken. Bij deze opdrachten kan met het oog op eventuele
contrasten tussen T1 en NVT gedacht worden aan hulpmiddelen in de vorm van
een woordenboek of vertaalde woordenlijsten, een contrastieve grammatica,
aanwijzingen voor het verstaan en produ- | | | | ceren van klanken,
informatie wanneer een bepaalde uitdrukking al dan niet gebruikt kan worden,
enzovoort. Dergelijke hulpmiddelen kunnen met name bij gebruik van software worden ingezet: de genoemde hulpmiddelen kunnen
dan als een soort modules aan de kernleerstof worden gehangen, waar de
leerders naar believen een beroep op kunnen doen.
| |
5. Taakgericht en contrastief taalonderwijs: een contrast?
Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn geworden dat mijn antwoord op de
vraag of er bij taakgericht en contrastief taalonderwijs sprake is van een
contrast ontkennend luidt. Ik heb proberen aan te tonen dat binnen een
taakgerichte aanpak zeker plaats is voor aandacht voor de moedertaal waar
dat nuttig of mogelijk is. Er is daarentegen naar mijn mening onvoldoende
reden om het onderwijs NVT volledig op contrastieve leest te schoeien, nog
afgezien van het praktische gegeven dat een uitgever graag een leergang voor
een zo groot mogelijke doelgroep op de markt brengt. In plaats daarvan
geloof ik meer in het verzinnen van taken, opdrachten, activiteiten die de
leerders dermate prikkelen dat zij staan te springen om deze uit te voeren,
waarbij ze allerlei relevante woorden en constructies van de doeltaal
oppikken. Uitgaand van de gedachte dat leerders in de eerste plaats
uitdagende en motiverende taken voorgeschoteld moeten krijgen die hun de
mogelijkheid bieden hun kennis van de doeltaal uit te proberen, bij te
stellen en uit te breiden, lijkt het bedenken van dergelijke taken een
groter probleem dan de aard van de relatie tussen contrastief en taakgericht
onderwijs.
| |
Bibliografie
| Aitchinson, J. (1987). Words in the mind, Oxford:
Basil Blackwell. |
| Alons, L. e.a. (1999/2000). Zebra. Nederlands als tweede
taal voor anderstaligen in het voortgezet onderwijs, vier
delen, Amsterdam: Meulenhoff Educatief. |
| | | |
| Asscheman, M. e.a. (1998/2000). Schoolslag, 1-4 vm,
1-3 (m)hv, Amsterdam: Meulenhoff Educatief. |
| Craats, I. van de. (2000). Conservation in the
acquisition of possessive constructions. A study of second language
acquisition by Turkish and Moroccan learnes of Dutch,
Dissertatie KUB, Tilburg. |
| Craats, I. van de en A. Kerkhoff. (2000). ‘Tweede taal en moedertaal
bij laagopgeleiden’, Toegepaste Taalwetenschap in
Artikelen, 64, p. 129-136. |
| Doughty, C. en J. Williams (eds.). (1998). Focus on form
in classroom second language acquisition, Cambridge: Cambridge
University Press. |
| Howatt, A.P.R. (1984). A history of English language
teaching, Oxford: Oxford University Press. |
| Jaspaert, K. (red.). (1995). De toren van Babbel.
Nederlands voor de lagere school, Deurne: Plantyn. |
| Kuiken, F. en I. Vedder. (2000). ‘Het effect van ‘focus on form’ op de
verwerving van grammaticale structuren: enkele theoretische en
didactische vragen’, Gramma/TTT. |
| Lado, R. (1957). Linguistics across cultures: Applied
linguistics for language teachers, Michigan: Ann Arbor. |
| Meara, P. (1980). ‘Vocabulary acquisition: a neglected aspect of
language learning’, Language Teaching &
Linguistics: Abstracts, Cambridge: Cambridge University Press. |
| Richards, J.C. en T.S. Rodgers. (1986). Approaches and
methods in language teaching. A description and analysis,
Cambridge: Cambridge University Press. |
| Schouten-van Parreren, M.C. (1985). Woorden leren in het
vreemdetalenonderwijs, Apeldoorn: Van Walraven. |
| | | |
| Van den Branden, K. en F. Kuiken. (1997). ‘Taakgericht onderwijs: een
nieuw geluid?’, Moer, 29, 6, p. 281-290. |
| VON-Werkgroep NT2. (1996). Taakgericht onderwijs: een
onmogelijke taak?, Antwerpen/Deurne: Plantyn. |
| Werkgroep Anderstalige Nieuwkomers. (1998). Klaar? Af!
Eerste start voor de onthaalklas secundair onderwijs, Leuven:
Steunpunt NT2. |
| Werkgroep Anderstalige Nieuwkomers. (1999/2000). Verdere
opvang in de onthaalklas secundair onderwijs, Leuven: Steunpunt
NT2. |
|
|
|