|
|
|
| |
| | | |
De boekenplank van Anne Frank Ton J. Broos
In het tweede deel van haar autobiografie, schrijft Shelley Winters over haar rol als mevrouw
Van Daan in de film Het dagboek van Anne Frank, waarvoor ze een Oscar kreeg.
Ze heeft het over de Nederlanders die dijken bouwen en velden droogleggen, die pas door hun
kleinkinderen kunnen worden gebruikt. Daaruit putte ze inspiratie en ‘een gevoel van kalme
vastberadenheid over de Nederlanders’.1 Voor de film had ze eigenlijk alleen Anne's dagboek en het filmscript
gelezen. De schrijvers van het originele script, hadden bijna twee jaar gewerkt aan de
originele toneelversie, en het minstens tien keer herschreven. Het filmscript was geschreven
door dezelfde mensen, maar de film vereiste andere invalshoeken en details. Zo komt er al aan
het begin een typisch filmisch gegeven voor dat noch in het dagboek, noch in de toneelversie
voorkomt. De scène is in het achterhuis. Als de familie op de eerste dag na aankomst stil moet
gaan zitten, omdat er beneden werkers zijn, neemt Anne een boek ter hand en leest ze A tale of two cities van Charles Dickens. De camera zoomt in en je leest een
Nederlandse titel: Verhaal van twee steden. Met de voor die film kenmerkende
voice over-techniek hoor je haar zeggen dat ze dat de eerste dag helemaal
gelezen heeft: ‘Wat ik doe is ontzettend veel beter dan wat ik ooit gedaan heb. Ik ga naar een
veel betere rustplaats dan ik ooit gekend heb. Einde. Het was het droevigste boek dat ik ooit
gelezen heb’.2
Een paar dingen kloppen er niet aan dat plaatje. Allereerst is er het feit dat de titel niet
juist is, omdat deze roman van Dickens tot 1942 steeds vertaald was in het Nederlands als In London en Parijs. Hoewel dat niet wordt getoond is het vervolgens
hoogstonwaarschijnlijk dat Anne dat boek in het origineel kon lezen, omdat haar Engels beslist
nog niet op niveau was. Het is volgens mij ook niet erg aannemelijk dat Anne dat boek op dat
moment aan het lezen was, omdat haar interesses elders lagen. Waarom de | | | | scenarioschrijvers dan toch voor Dickens kozen, komt waarschijnlijk doordat ze in het dagboek
gelezen hadden dat vader Otto Frank een verwoed Dickens-fan was en zelfs op een gegeven moment
het hele gezelschap onderhield met een voorlezing uit The Pickwick Papers.
Het echtpaar Goodrich en Hackett, bekende screenwriters onder andere van de beroemde Jimmy
Stewart-film It's a wonderful life, moeten juist voor dit boek hebben
gekozen, omdat dat speelt tijdens de Franse revolutie en de voorafschaduwing van zware tijden
vergelijkbaar was met dat moment in de film over Anne Frank. Het citaat over de rustplaats en
het droevige boek is toepasselijk en zet de toon. Helaas is het historisch niet juist.
Wat las Anne Frank dan wel? Had dit ook invloed op haar eigen werk? Hoe weten we dat? De
informatie hierover is helaas niet altijd betrouwbaar en nogal eens terloops of indirect. Het
ligt echter voor de hand dat een boek dat indruk heeft gemaakt, wel in haar dagboek terecht zal
zijn gekomen, in een opmerking of oordeel. De eerste gegevens zijn afkomstig uit de periode
voordat ze ging onderduiken in juli 1942. Op haar dertiende verjaardag, op vrijdag 12 juni
1942, krijgt ze een dagboek cadeau en boeken om te lezen. Daaronder de Camera
obscura, de bekende Nederlandse klassieker van Nicolaas Beets en een boek getiteld Daisy's bergvacantie, een werk van de Zwitser Niklaus Bolt. Ze begint er meteen
in te lezen en ze schrijft op zondag: ‘Het boek [...] is werkelijk heel mooi; het heeft mij
diep ontroerd van het meisje dat zoveel weelde had en toch zo goed was en op het einde stierf,
maar dit slot moest er aan komen en het is juist zo mooi.’ Op die zondag waren ook klasgenoten
en vriendinnen gekomen en kreeg ze nog twee minder bekende jeugdwerken getiteld Goede morgen melkboer en Lydia's moeilijkheden. Van haar speciale
clubje getiteld ‘De kleine Beer minus twee’, krijgt ze een prachtboek zoals ze zelf zegt. Dat
was Nederlandse sagen en legenden door Joseph Cohen. Helaas hadden ze haar
per ongeluk deel twee gegeven, zodat ze besloot de Camera obscura, die Margot
al had, te ruilen tegen deel 1. Of ze de Camera ook heeft gelezen, blijkt
niet uit het dagboek. Wel blijkt dat ze erg geïnteresseerd is in historische verhalen, want van
gekregen geld en boekenbonnen koopt ze nog Mythen van Griekenland en Rome. De
lijst van werken die uit haar dagboeken is op te maken, is niet compleet, omdat ze niet alles
opschreef en omdat ze vaker alleen maar een titel geeft, zonder verdere informatie. Soms
refereert ze aan boeken van haar mede-onderduikers, die zij waarschijnlijk zelf niet heeft
gelezen of niet mocht lezen. Uit haar dagindeling | | | | van 20 maart 1944 kunnen we
opmaken dat ze voornamelijk las van half 9 tot 9, van half 3 tot kwart voor 4 en van half 8 tot
half 9. Wanneer ze op 16 mei 1944 een overzicht geeft van de interesses van de hele groep
krijgen we ook een indicatie van haar eigen opvattingen en haar wat wijsneuzerige kritieken:
Waar de Achterhuis-familie belang in stelt. (systematisch overzicht van leer-
leesvakken). Mijnh. v.P.: leert niets. Zoekt veel op in Knaur [Duitse encyclopedie].
Leest graag, detective-romans, medicijnboeken, spannende en onbelangrijke liefdesverhalen
Mevr. v.P.: leert Engels in schriftelijke cursussen, leest graag, roman-biografieën &
enkele romans. Mijnh. Fr.: leert Engels (Dickens!) verder iets Latijn, leest nooit
romans, wel graag serieuze en droge beschrijvingen van personen en landen. Mevr. Fr.:
leert Engels in schriftelijke cursussen, leest alles, behalve detective geschiedenissen.
Mijnh. Pf.: Leert Engels, Spaans en Nederlands, zonder merkbaar resultaat. Leest alles,
oordeelt met de meerderheid. [Dit was de tandarts, ook bekend onder de naam Dussel.]
Peter v.P.: Leert Engels, Frans (schriftelijk), Nederlandse steno, Engelse steno, Duitse
steno, Engelse handelscorrespondentie, houtbewerking, staatshuishoudkunde en soms rekenen,
Leest weinig. Soms aard. (rijkskunde?) Margot Fr.: Leert Engels, Frans, Latijn volgens
schriftelijke cursussen, Engelse steno, Duitse steno, Nederlandse steno, Mechanica,
Goniometrie, Steriometrie, Natuurkunde, Scheikunde, Algebra, Meetkunde, Engelse literatuur,
Franse literatuur, Duitse literatuur, Nederlandse literatuur, Boekhouden, Aardrijkskunde,
Moderne geschiedenis, Biologie, Economie, leest alles, liefst over godsdienst en medicijnen.
Anne Fr.: leert Frans, Engels, Duits Nederlandse steno, Meetkunde, Algebra, Geschiedenis
(onderstreept) Aardrijkskunde, Kunstgeschiedenis, Mythologie, biologie, Bijbelse geschiedenis,
Nederlandse literatuur, leest erg graag | | | | biografieën, droog of spannend,
geschiedenisboeken, (romans & ontspanningslecture soms).
In haar allerlaatste ontboezeming, drie dagen voor de arrestatie, op 1 augustus 1944,
schrijft ze: ‘Zoals ik al zei, ik voel alles anders aan dan ik het uitspreek en daardoor heb ik
de naam van jongensnaloopster, flirtster, wijsneus en romannetjesleester gekregen.’ Wat waren
die romannetjes dan? En wat bedoelt ze met ‘ontspanningslecture’? We zullen terug moeten gaan
naar het begin van haar verblijf in het achterhuis, omdat ze daar uitgebreider schrijft over
haar leesgewoonten en haar boeken. In dat gedeelte vind je ook een weerspiegeling van de boeken
die ze zelf las en haar schrijfgewoonten die zich aan het ontwikkelen waren. Ik wijs dan met
name op de boeken van Cissy van Marxveldt waar ze in het begin van haar onderduik de meeste
inspiratie uit put.
Mijnheer Kleiman brengt om de week een paar meisjesboeken voor me mee / ik ben
enthousiast over de Joop ter Heul serie. De hele Cissy van Marxveldt bevalt me in het algemeen
bijzonder goed ‘een Zomerzotheid’ heb ik dan ook al vier keer gelezen en nog moet ik om de
potsierlijke situaties lachen.
Dit schrijft ze enthousiast op 21 september 1942. Wie nu datzelfde boek leest, moet ook
lachen, maar ook tandenknarsen als de vrouwonvriendelijke en rolbevestigende dooddoeners over
de pagina's vliegen. ‘Dat zwartje is aardig, hè’ zegt bijvoorbeeld het personage G.J. over een
meisje met een donkere huid, die elders vergeleken wordt met een Somaliland-negerin. De zotheid
van de titel ligt in het feit dat een groepje studenten op zomervakantie ergens op de Veluwe
een groepje meisjes van 16 en 17, die in een huis in de buurt logeren, een poets wil bakken.
Een van de studenten is van adel, en hij gaat voor chauffeur spelen, terwijl een andere student
van boerenkomaf zogenaamd de jonker voorstelt. Een klassiek, vrij flauw rollenspel, met een
Nederlands klassensysteem, waarbij de tuinman Janus in dialect mompelt, de studenten
boordeknoopjes zoeken en de jonkheer Robbert Padt van Heyendaal heet. De dames doen weinig meer
dan praten over de jongens en mogelijke verlovingen. Het lijkt ongeveer de boekenvariatie van
Friends uit de jaren dertig te zijn. Anne Frank vond het echter ‘knal’ zoals ze zelf schrijft
en inderdaad komt een paar keer in een dialoog het ‘knaleffect’ voor, typische meisjestaal voor
die tijd. Ze begon zich voor | | | | meer Van Marxveldt-boeken te interesseren en een week
later, op zaterdag 26 september 1942, schrijft ze: ‘Mijinheer Kleiman heeft vandaag Joop-van
Dil-ter-Heul, en Joop en haar Jongen meegebracht, aardig is hij toch, hij brengt alles precies
op tijd.’ Op 30 september 1942 heeft ze een ander boek gelezen: ‘De Kingfordschool heb ik uit
maar ik vind ze lang niet zo als de andere boeken van Cissy van Marxveldt er zit niet pakkends
in.’ Een week later (4 oktober 1942) heeft ze nog meer kritiek:
Ik heb met Margot samen op de divan gelegen en in de ‘De Stormers’ gelezen het is
wel leuk, maar het haalt lang niet bij ‘Joop ter Heul’ er komen trouwens ook meestal dezelfde
woorden in voor dat is natuurlijk wiedes bij dezelfde schrijfster. Overigens schrijft Cissij
van Marxveld knal. Ik zal ze beslist mijn kinderen ook laten lezen.’
Wie nu de Van Marxveldt-boeken leest, kan een geeuw niet onderdrukken, al zijn ze blijkbaar
niet zo tijdsgebonden als men denkt, gezien de vele herdrukken tot nog niet zo lang geleden.
Wel interessant voor de invloed op Anne's schrijfstijl is een van de werken getiteld De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul. De identificatie van Anne met de diverse
personages moet immens zijn geweest en met name de schoolactiviteiten worden breed uitgemeten.
Op 21 september 1942 schrijft ze bijvoorbeeld in aanhef ‘Lieve Jettje (zal ik maar zeggen)’ en
ondertekent ze met ‘Groeten allemaal en zoenen van Anne Frank’ en op de volgende pagina
gedateerd ‘Dezelfde dag’ heet het ‘Ik heb vanavond nog tijd beste Emmy, daarom zal ik jou nog
maar gauw een paar regeltjes schrijven [...]’ Een duidelijke indicatie dat ze haar latere
formule, geadresseerd aan Kitty, nog niet te pakken had. De personen aan wie ze schrijft zijn
divers en hebben allerlei namen uit de boeken. Neem bijvoorbeeld dit dagboekcitaat van 14
oktober 1942: ‘Lieve Phien Lang niets meer laten horen hé, maar ik wil jullie wittebroodsweken
ook niet met mijn idiote geklets, zo vaak verstoren, of hindert dat niet? Heeft Bob zijn werk
weer opgevat? En vertonen zich bij jou niet al de sporen van bevruchting [...]’ Die laatste
vraag is nogal direct, om niet te zeggen brutaal. Dat heeft ze bij herlezen blijkbaar zelf ook
gevonden want Anne heeft dit niet opgenomen in de door haarzelf verbeterde versie B. Ze is een
goede editor als ze herschrijft en haar dagboek aan het omwerken is tot een roman, een
autobiografisch memoir, wat misschien zelfs een ‘bildungsroman’ zou zijn geworden. Het was
inderdaad profetisch toen ze schreef over het door haar | | | | genoemde Achterhuis ‘in
mijn hoofd is het al zover af als het kan, maar in werkelijkheid zal het wel heel wat minder
gauw gaan, als het wel ooit afkomt.’
Naast haar dagboek schreef ze ook korte verhalen en Anne heeft diverse schoolactiviteiten
autobiografisch en met gevoel voor humor beschreven in haar verhaaltjesboek. Ze hebben een hoog
Van Marxveldtgehalte. Dat ze daarnaast ook journalistieke neigingen had blijkt uit haar verhaal
getiteld Mijn eerste interview, maar ook uit de opmerking van haarzelf: ‘Ik
moet werken om niet dom te blijven, om vooruit te komen, om journaliste te worden, want dat wil
ik. Ik weet dat ik kan schrijven, een paar verhaaltjes zijn goed, m'n Achterhuis-beschrijvingen
humoristisch, veel uit mijn dagboek spreekt, maar [...] of ik werkelijk talent heb dat is nog
te bezien. Eva's droom was m'n beste sprookje en het gekke daarbij is, dat ik heus niet weet
waar het vandaan komt.’ Deze opmerkingen staan gedateerd op 5 april 1944, waarbij ze blijkbaar
vergeten is dat ze anderhalf jaar daarvóór een boek had gelezen met een hoofdpersoon met
dezelfde naam.
Daarover had ze uitgebreid geschreven op 3 oktober 1942 in haar karakteristieke enthousiaste
en ietwat uitdagende stijl:
Ik heb nu zo'n leuk boek ‘Eva's jeugd’ heet het. Daar dacht Eva dat kinderen zoals
appels aan een boom groeien, en dat de ooievaar ze er af plukt als ze rijp zijn en ze aan de
moeders brengt. Maar de poes van haar vriendinnetje heeft jongen gekregen en die komen uit de
poes, nu dacht ze dat de poes, net als een kip eieren legt, en daarop gaat zitten broeden, en
de moeders die een kindje krijgen gaan ook een paar dagen van te voren naar boven en een ei
leggen om er dan op te broeden, als het kindje er dan is zijn de moeders nog wat zwak van het
lange hurken. Eva wilde nu ook een kindje hebben en toen nam ze een wollen sjaal, en legde die
op de grond, daar zou het ei dan in vallen en toen ging ze op haar hurken zitten drukken. Ze
begon erbij te tokken maar er kwam geen ei. Eindelijk na heel lang zitten, kwam er iets uit
maar geen ei, een worstje. O, Eva schaamde zich zo. En de meid dacht dat ze ziek was. Grappig
hè.
Het boek dat ze bedoelt is Nico van Suchtelens Eva's jeugd, dat voor het
eerst verschenen was in 1923, maar verschillende edities kende, tot | | | | minstens een
vijftiende in 1942, die Anne gelezen kan hebben. Het verhaal gaat over een meisje, dat nog een
baby is als haar alleenstaande moeder overlijdt. Haar grootvader is een aardige oude notaris
die haar opvoedt tezamen met een vriendelijke oude dienstbode. We zien haar opgroeien en naar
school gaan en we volgen haar jeugd, waarin ze net als Anne een uitgesproken mening heeft over
van alles en nog wat, en een gezonde nieuwsgierigheid combineert met eerlijke, soms stoute
teenagerkuren. De schrijver Van Suchtelen, die leefde van 1878 tot 1948, was een humanist in de
geest van Erasmus, Spinoza en Freud. Hij nam deel aan het communaal samenwonen in Frederik van
Eedens Walden. Als humanist met religieuze inslag was hij tevens overtuigd pacifist. Uitgave en
verkoop van zijn werk was in de oorlog verboden. In de roman is een van Eva's meest geliefde
vrienden een gewetensbezwaarde die daarvoor zelfs op het einde van de roman in de gevangenis
terechtkomt. ‘Haar laatste gedachten dwaalden af naar haar “Ru” die nu gevangen zat omdat hij
een held was, die deed wat hij doen moest.’ Het verhaal eindigt met Eva's goede voornemen om
voor zichzelf te zorgen, zonder hulp van haar grootvaders erfenis, die er trouwens zo goed als
geheel doorheen is gejaagd door haar oom Herbert. Dat zij en de dienstmeid bij deze oom gaan
wonen getuigt nog eens van haar vergevingsgezindheid en grootmoedigheid. Ze gaat typen en
stenografie leren op een of ander instituut. Het is ongetwijfeld toevallig dat ook Anne op dat
moment steno aan het leren was. Minder toevallig zijn de citaten die Anne aanspreken. Ze
schrijft: ‘In “Eva's jeugd” staan ook dingen over het verkopen van lichamen van onbekende
vrouwen in straatjes, en er een schep geld voor vragen. Ik zou me doodschamen voor zo'n man.
Verder staat er ook in dat Eva ongesteld is geworden, hè daar verlang ik zo naar, dan ben ik
tenminste volwassen.’ Als ze een paar weken later refereert aan haar eigen mogelijk
ongesteldheid zegt ze: ‘Ik kan het haast niet afwachten, het lijkt me zo gewichtig [...]’ lijkt
het erop dat ze Eva bijna letterlijk citeert: ‘Maar nu het bij haarzelf zoover was, leek het zo
vreemd-gewichtig, zoo [...] verantwoordelijk, zoo [...] plechtig.’ Enkele andere ideeën over
zelfwerkzaamheid, niet trouwen uit oppervlakkige zinnelijke verliefdheid moeten Anne hebben
aangesproken. Ik denk dan ook aan een zin als: ‘Noodig voor het nieuwe leven zijn moed om
zichzelf te zijn en liefde om zichzelf te geven, onvoorwaardelijk, gansch en al.’ Het lijkt
voor de hand te liggen dat ze dezelfde Eva voor ogen had, dan wel haar naam koos voor het korte
verhaal Eva's droom.
| | | |
Het gevaar bestaat dat men een paar citaten uit zijn verband haalt en daar verregaande
conclusies uit trekt. Las Anne voornamelijk gewaagde boeken? Nee, maar ze was duidelijk te
groot voor het servet en te klein voor het tafellaken, met andere woorden: op de rand van de
volwassenheid die zich in haar opgesloten toestand misschien sneller aandiende dan men besefte.
Ze mocht trouwens niet alles lezen. Haar ouders vonden haar te jong voor een boek van Van
Ammers-Küller: ‘Gisteren hadden we het erover dat ik haast niets lezen mocht, moeder heeft op
het ogenblik “Heren, vrouwen, knechten” [...] en dat mag ik ook al niet lezen, omdat ik eerst
meer ontwikkeld moet zijn, zoals mijn begaafde zuster.’ Op 17 maart 1944 schrijft ze: ‘[...]
elk boek dat ik lees moet gekeurd worden. Eerlijk gezegd is die keuring helemaal niet streng en
mag ik haast alles lezen..’ In de Bversie van haar dagboek, het gedeelte dat ze zelf had
herschreven, is dit weggelaten, maar lezen we op 29 oktober 1942 (wat chronologisch dus niet
helemaal klopt): ‘De laatste tijd mag ik wat meer volwassenen-boeken lezen. Ik ben nu bezig met
Eva's jeugd van Nico van Suchtelen, het verschil tussen meisjesromans en dit vind ik niet zo
erg groot. Vader heeft Goethe en Schillers' drama uit de grote boekenkast gehaald, hij wil me
elke avond wat gaan voorlezen. Met Don Carlos zijn we we al begonnen.’ Ik denk dat Vader Otto
Frank een klassieke Duitse cultuuropvoeding voor ogen stond, terwijl de interesse van zijn
dochter uitgebreider en frivoler was. Ze vermeldt het wanneer Kugler met twaalf Panorama's komt aandragen en hij maakt haar ook enorm blij door elke maandag het blad
Cinema en Theater mee te brengen. De titel voor een van haar verhalen De poel des verderfs haalt ze uit dat tijdschrift. Miep Gies gaat wekelijks naar
de bibliotheek om boeken te lenen en soms leest Anne sneller dan gewoonlijk. Zo schrijft ze op
22 september 1942: ‘Ik heb Joop ter Heul zo gauw uitgelezen dat ik voor Zaterdag geen nieuwe
boeken meer krijg, Als ik de laatste twee dan ook uit heb vraag ik aan Kleiman, of ik “Kees de
Jongen” door Theo Thijssen, niet kan krijgen, ken jij dat?’ Helaas weten we niet of ze dat
inderdaad gelezen heeft. Wel informatie krijgen we een tijd later, op 18 oktober 1942:
Ik heb weer twee boeken van Kleiman gekregen, de Arcadia [Van Marxveldt]. Dat
handeld over een reis naar Spitsbergen en De Louteringskuur, ze lijken me wel leuk. De
Opstandelingen heeft ie ook mee gebracht. Dat is van Ammersküller. Dezelfde schrijfster als van
Heeren, Vrouwen, Knechten. Dit | | | | mag ik nu ook lezen, fijn! Dan heb ik eeu heleboel
liefde's romantoneelstukjes van Körner gelezen, ik vind dat die man leuk schrijft. B.v Hedwig,
der Vetter aus Brehen [...] Vader wil dat ik nu ook Hebbel en andere boeken van andere
welbekende Duitse schrijvers ga lezen. Het Duits lezen gaat nu al betrekkelijk vlot. Alleen
fluister ik het meestal, in plaats dat ik voor mezelf lees. Maar dat gaat wel over.
Twee dagen later is ze met het boek begonnen en vermeldt ze de juiste titel:
De opstandigen is een knal boek. Het gaat over de familie Coornvelt die 14 kinderen
hadden, waarvan 2 aan de pokken en 4 aan de stuipen gestorven zijn. De overige 8 zijn Nicolaas
de oudste die ook de stuipen heeft, dan Keejetje die is gaan trouwen met Willem Wijsman en
heeft 4 kinderen Willem, Lize, Agatha, Constance. Constance heeft ook al weer een kind. Dan
komt Hendrik die is predikant en dan Koosje die bij Hendrik de weduwnaar het huishouden doet,
Koosje heeft ook de pokken. Dan komt David die is Prof. en is getrouwd met Aleida en heeft
Clara en Louis als kinderen Sophie, Betsy, Cateau, Coba. Dan is er nog een nichtje uit Parijs
in het boek, Marie Elisabeth Sylvain, die een van de eersten is d(i)e meedoet aan de vrouwen
emancipatie, dat is de strijd die er geweest is om de vrouw dat die ook wilde studeren en
dezelfde rechten hebben als de man. Want vroeger als de vrouw niet getrouwd was kwam ze als
oude hardwerkende sul bij een van haar broers in huis. Ik heb nog twee kinderen vergeten Naatje
die niet getrouwd is een bij Abraham het huishouden doet en Abraham die 12 kinderen heeft
waarvan 2 er al waren voordat hij getrouwd was.
Men kan niet volhouden dat Anne een accurate beschrijving geeft van het boek, al is het wel
zo dat de vrouwenemancipatie en de strijd voor de gelijke rechten van de vrouw centraal staan.
De titel De opstandigen wijst daar ook op. De hier genoemde opsomming van al
die namen lijkt ook veel werk, maar ze volgt gewoon de stamboom die gegeven staat in het boek
zelf. Wat betreft Jo van Ammers-Küller moet nog gezegd worden dat ze met name in Duitsland zeer
populair was. Dat zij zelf in dezelfde tijd, dat | | | | Anne haar las de zijde van de
nazi's had gekozen is een van de ironieën van de geschiedenis. Haar boeken mochten na de oorlog
een paar jaar niet verschijnen. Ze stierf in 1966.
Wie van Anne Frank overigens een groot voorvechtster van de vrouwenemancipatie zou willen
maken, komt enigszins bedrogen uit, getuige deze opmerking van 2 november 1942:
Ik ben gewoon verslaafd aan het boek “de klop op de deur” van Ina Boudier-Bakker.
De familieroman is buitengewoon goed geschreven, maar wat er omheen is over oorlog, schrijvers
of de emancipatie der vrouwen is niet zo goed, maar eerlijk gezegd interesseert het me niet zo
bar.
Deze roman uit 1930 beschrijft drie generaties Amsterdams familieleven en was een van de
schrijfsters meest succesvolle werken. Ze schreef het overigens in Groningen aan de
Noorderhaven 34. Tegenwoordig zegt men: De klop op de deur? Niet opendoen.
In een binnenkort te verschijnen artikel over Anne's Mooie zinnenboek
schrijft Gerrold van der Stroom dat Anne in 1944 weliswaar minder over haar boeken vertelt in
haar dagboek, maar dat ze wel degelijk nog veel leest en daarover schrijft in haar aparte
schrift waarin mooie zinnen en door haar gekozen citaten voorkomen. Hierin staan bekende namen
en werken als Multatuli's Vorstenschool, Shakespeare's Julius
Caesar (in het Duits), Andre Maurois Byron (in het Duits), Thomas More
Utopia, Jacob van Maerlant Eerste Martijn, Justus van
Maurik, Gulbranssens En eeuwig zingen de Bossen, een roman over het leven van
Rubens, Vestdijks vertaling van Eric Lowe's De geschiedenis van Robin Stuart,
Galsworthy The Forsyte saga en Oscar Wilde An ideal
husband. Al hoeven we Anne Frank nou niet meteen tot genie te verklaren, het is toch een
indrukwekkende verzameling van iemand met brede interesses en natuurlijk ook met een heleboel
noodgedwongen tijd om te lezen. Daarnaast is het echter ook zo dat ze bijvoorbeeld Het boek voor de jeugd las, waarin allerlei verhalen van Andersen, Grimm, Jack London,
Mark Twain, Jules Verne en H.G. Wells stonden. Dat waren interessante bloemlezingen die voor
een breed publiek waren samengesteld, een boek voor het hele gezin. Er bestaan uitgaven van
1937 en 1938 en het werd in menig huisgezin aangetroffen. Het klinkt | | | | allemaal heel
intellectueel, maar de buitenlandse schrijvers werden vereenvoudigd vertaald, andere gedeeltes
‘opnieuw bewerkt’ zoals de inleiding zegt. Deze uitgave van de Arbeiderspers was verzorgd door
een speciale commissie waarin onder andere de onderwijzer en schrijver Cor Bruijn zat, alsmede
zijn collega-schrijver-onderwijzer Theo Thijssen. Ik vermeldde eerder dat Anne Frank de wens
uitsprak om Kees de jongen van deze schrijver te lezen. In Het
boek voor de jeugd, uitgave 1937, staat het schitterende verhaal ‘Postzegels’ uit Kees de jongen, over Kees die postzegels verzamelt en dagdroomt over grote
zegels en er voor zeven en een halve cent een zogenaamde ‘Grote Pers’ koopt. De droomwereld van
Kees zou Anne wel eens herkend kunnen hebben en het lijkt niet vergezocht om te denken dat dit
fragment haar interesse gewekt heeft. Theo Thijssen heeft in dezelfde bundel ook gedeeltes uit
Van de Vos Reynaerde en Tyl Uilenspiegel ‘oververteld’.
Het aandeel oorspronkelijk Nederlandse literatuur is heel bijzonder en zo heeft Anne kennis
kunnen nemen van klassiekers als Saïdjah en Adinda, De Japanse steenhouwer, Jantje
zag eens pruimen hangen van Hieronymus van Alphen, sneldichten van Huygens, een
Falklandje van Heijermans, De hond van de schoolmeester, Boerke Naas van
Guido Gezelle en Kinder-lijk van Vondel.
Al deze kennis is niet aanwijsbaar in haar dagboek te vinden, al zouden haar eigen verhalen
eens nader bekeken kunnen worden op mogelijke invloed, een idee voor een plot of een aardige
uitspraak. Ook is in het dagboek een ontwikkeling aan te geven van een beginnend schrijfster,
waar ze talent voor had en wat duidelijk haar ambitie was. Dat ze daarbij uit grote voorbeelden
putte mag worden aangenomen. De studie van haar boekenplank geeft tevens een aardig inzicht in
de tijd en de opvattingen en bepaald ook de stereotypie die gebruikt wordt in de meisjesboeken
en de familieromans. Anne Frank heeft zich duidelijk geïdentificeerd met de zorgeloze bakvissen
uit de hogere middenklasse en haar dagboek krijgt er volgens mij daardoor ook een dimensie bij.
Haar korte verhalen en ook het mooie-zinnen-boek zijn nog niet voldoende geapprecieerd, al
zouden titels als Wie is interessant?, Het geluk, of Angst
toch de nieuwsgierigheid moeten opwekken. Het zijn schoolvoorbeelden van een ontluikend
schrijftalent, met alle gebrekkige probeersels en overdreven pathos van dien. Wie net als ik
gedacht had dat we alles over Anne Frank en haar werk nou wel weten, zal moeten toegeven dat
daar nog geen sprake van is.
| |
| | | |
Bibliografie
| Ammers-Küller, J. van: De opstandigen, een familieroman in drie
boeken. Amsterdam, 1925. |
| Barnouw, David en Stroom, Gerrold van der (red.): De dagboeken van Anne
Frank. Den Haag, 1986. |
| Bruijn, Cor et al. (red): Het boek voor de jeugd. Amsterdam, 1937. |
| Frank, Anne: Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis.
Amsterdam, 1986. |
| Marxveldt, Cissy van: De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul. Amersfoort,
1930 (= 9de druk, vele andere drukken). |
| Marxveldt, Cissy van: Een zomerzotheid. Hoorn, z.j. diverse drukken. |
| Stroom, Gerrold van der: ‘Anne Frank's “Favorite Quotes Notebook”. Ton. Broos (ed.), Publications of the American Association of Netherlandic Studies, Papers of the
XIth Interdisciplinary Conference on Netherlandic Studies, Ann Arbor 2002. In
voorbereiding. |
| Suchtelen, Nico van: Eva's jeugd. Amsterdam, 1923. [Anne kan gelezen
hebben: Amsterdam, Wereldbibliotheek, 1942 (= 15de druk.] |
| Winters, Shelley: Shelley II. The middle of my century. New York,
1989. |
|
1‘a quiet strength of purpose
about the Dutch’.
2‘It is a far far better thing I do, than I have ever
done. It is a far far better rest that I go to, than I have ever known. The end. It was the
saddest book I ever read.’
|
|