In ons alledaagse leven en vooral in ons linguïstische leven hebben we voortdurend met contrastiviteit te maken. In deze bijdrage probeer ik dit begrip te problematiseren om uiteindelijk tot een werkbare definitie te komen.1 Ik stel de volgende punten aan de orde. Ten eerste behandel ik het begrip ‘contrastiviteit’. Ten tweede vat ik de geschiedenis van het contrastieve onderzoek kort samen. Ten derde buig ik me over de indeling en de afbakening van het onderzoeksveld. Ten slotte probeer ik het verleden, het heden en de toekomst van de contrastieve linguïstiek te schetsen in een Europa zonder grenzen.
Als ik zou vragen: wat betekent ‘contrastief’ dan zou ik waarschijnlijk antwoorden krijgen als ‘contrastief betekent vergelijkend’. Ook als we in de Van Dale of in een grammatica de term opzoeken, vinden we ‘vergelijken, naast elkaar stellen, in verband met elkaar beschouwen om overeenstemming of verschil vast te stellen tussen de betrokken systemen’. Maar dit is zeker niet bevredigend vanuit een taalwetenschappelijk oogpunt. Het wordt nog moeilijker als we de vraag stellen: waar is contrastiviteit goed voor? Om een idee te krijgen van traditionele opvattingen over het doel van het contrastieve onderzoek, citeer ik Hellinger (1977, 1, vertaald door M.K-F.):
De contrastieve grammatica vergelijkt in het kader van een bepaalde linguïstische theorie twee of meerdere (sub)systemen van de taal om de verschillen en de overeenkomsten van deze systemen te beschrijven. Daarbij wordt een synchrone oriënta-
tie geïmpliceerd [...]. Deze definitie heeft alleen betrekking op de descriptie, doelen laten we buiten beschouwing [...].
De echte doorbraak in het contrastieve taalonderzoek dateert uit de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw toen een aantal studenten zich om de linguïst Fries groepeerde. Eén van hen was Lado, wiens naam is verbonden met baanbrekende werken op het gebied van het vreemdetalenonderwijs (VTO). In de jaren zeventig begon men zich systematisch bezig te houden met het onderzoeksgebied en na een relatieve stilstand - vanwege de teleurstellende onderzoeksresultaten en de bruikbaarheid daarvan - kwam de contrastieve linguïstiek opnieuw tot bloei. Vanaf de jaren negentig zoekt men binnen de contrastieve linguïstiek naar nieuwe wegen, waarbij ‘intercultureel’ en ‘cognitief’ enkele van de sleutelwoorden zijn. Ter illustratie geef ik nu een enigszins bewerkte samenvatting van de lezing die Hüning in 2002 heeft uitgesproken te Wenen over de positie van het Nederlands tussen het Duits en het Engels:2
| Duits | Nederlands | Engels |
|---|---|---|
| der Sohn | de zoon | the son |
| die Tochter | de dochter | the daughter |
| das Kind | het kind | the child |
Duits
Er verteidigt sich.
Den ersten Vortrag hielt Frau Pelka selbst/selber.
Nederlands
Hij verdedigt zich.
De eerste lezing werd gehouden door mevrouw Pelka zelf.
Engels
He defends himself.
The first talk was given by Pelka herself.
Duits
Ich habe mir das Bein gebrochen.
Nederlands
Ik heb mijn been gebroken.
Engels
I broke my leg.
[...]
Het is duidelijk wat Hüning hier doet. Op basis van verschillende categorieën stelt hij een systematische vergelijking op. Ook het waarom wordt geformuleerd. Het doel is om door en in de taal sporen van identiteit zichtbaar te maken. Een naast het wat en het waarom krijgen we ook een antwoord op het hoe. Als we even terugdenken aan de definities uit de eerste paragraaf, dan constateren we dat er hier verschillen én overeenkomsten onderzocht worden. Op dit aspect komen we terug in de volgende paragraaf.
Voor de indeling van het onderzoeksveld ‘contrastieve taalkunde’ kijken we naar Hellinger (1977). Hij onderscheidt vier verschillende gebieden:
| a. | confrontatieve linguïstiek |
| b. | taalvermenging/contactfenomenen |
| c. | interlinguïstiek |
| d. | interferentielinguïstiek. |
De eerstgenoemde richting was een Pools-Oost-Duitse variant van het contrastief onderzoek. De naam confrontatief is politiek getint en getuigt van de maatschappelijke achtergrond waartegen de wetenschap zich in de Oostbloklanden ontwikkelde. De confrontatieve variant hield zich bezig met verschillen én overeenkomsten tussen verschillende (sub)systemen. De tweede richting, van Amerikaanse oorsprong, concentreerde zich op de vraag naar taalvermenging en contactfenomenen en was sterk sociolinguïstisch georiënteerd. In deze contrastieve aanpak interesseerde men zich vooral voor bi- en multilinguisme. De onder c. genoemde interlinguïstiek stelde zich tot doel niet-natuurlijke talen contrastief te benaderen, terwijl de interferentielinguïstiek trachtte te achterhalen of en, zo ja, in hoeverre een bepaald verschijnsel zich manifesteert in twee of meer taalsystemen.
Met betrekking tot de afbakening van de contrastieve linguïstiek binnen de taalkunde is er sprake van drie grote stromingen:
| a. | de VTO-georiënteerde opvatting |
| b. | de typologie-georiënteerde opvatting |
| c. | de VTO- én typologie-georiënteerde opvatting. |
Tot op de dag van vandaag is de VTO-georiënteerde opvatting de meest bekende. Burgschmidt & Götz (1974) hanteren een driedeling die inhoudt dat de contrastieve linguïstiek een plaats inneemt naast de historische taalwetenschap en de taaltypologie. De grenzen tussen historische taalkunde, typologie en contrastieve linguïstiek zijn duidelijk en noodzakelijk en er is geen overgang mogelijk. Hellinger (1977) deelt dit standpunt. Ook Karcher (1979) sluit zich bij de VTO-georiënteerde opvatting aan. Hij beklemtoont het belang van het (synchrone) onderzoek van universalia.
We kijken nu naar de doelen en hypotheses van de VTO-georiënteerde opvatting.
| VTO-georiënteerde doelen: | Hypothesen: |
|---|---|
| a. onthulling van interferentie | a. basis voor iedere nieuwe taal (L2, L3, [...]) is de moedertaal (L1) |
| b. voorspelling en diagnose van fouten | b. er bestaat een positieve transfer en een negatieve interferentie |
| c. identificatie en beschrijving van ‘leerderstalen’ | c. door de systematische analyse van L1 en L2, L3 [...] kunnen moeilijkheden voor de taalleerders voorgespeld worden |
Na het grote enthousiasme van de de VTO-georiënteerde school in de jaren vijftig en zestig kwam de grote teleurstelling. De voorspellende kracht van modellen als hierboven beperkte zich namelijk tot het gebied van de fonetiek/fonologie en - gedeeltelijk - het lexicon. Verder bleek dat de onderzoeksresultaten maar sporadisch werden ingezet bij de ontwikkeling van leermateriaal. Het onderzoek kwam daarmee vrijwel tot stilstand in de Verenigde Staten, het eigenlijke geboorteland van de constratieve taalkunde. Pas onder invloed van de nieuwe aandacht voor contrastiviteit in Europa begon men zich binnen Amerikaanse linguïstische kringen weer bezig te houden met contrastief onderzoek.
Volgens de typologie-georiënteerde opvatting moet men bij de indeling van de contrastieve linguïstiek van een vierdeling uitgaan. De belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming is König (1990) die de contrastieve linguïstiek naast de historisch/vergelijkende, areale en typologische taalkunde plaatst.
We zetten vervolgens de doelen en hypothesen van de typologie-georiënteerde school op een rijtje.
| Typologie-georiënteerde doelen: | Hypothesen: |
|---|---|
| a. generaliseren | a. op basis van een of meerdere parameters zijn talen te classificeren |
| b. verklaren | b. subtypologieën leiden tot een |
| c. holistische typologie |
Als illustratie bij dit model moge dienen een fragment van de contrastieve typologie van het Duits en het Engels ontworpen door König (1990, 128). Het gaat hier om een ‘zuivere’ typologische indeling op basis van bepaalde linguïstische categorieën.
| [...] | ||
| Engels | Duits | |
| aspecten (SF-EF) | - | |
| Past/Present Perfect | - | |
| - | partikelen van modaliteit | |
| - | semantische congruentie (werkwoord-onderwerp) | |
| geringe inventaris van | ruimere inventaris van focus- | |
| focuspartikelen | partikelen | |
| Deelwoorden | Voorzetsels | |
| [...] |
De derde opvatting is ten slotte de VTO- én typologie-georiënteerde richting. De naam van Kortmann (1998) moet hier in eerste instantie vermeld worden. Volgens deze opvatting zijn contrastieve linguïstiek en taaltypologie elkaars complementen. Resultaten van de twee vakgebieden moeten een aanvullende functie hebben. ‘Bevindingen van typologisch onderzoek [zijn] in staat [...], feiten op het gebied van de vreemdetaalverwerving te verduidelijken’. Kortmann (1998, 139, vertaald door M.K-F.). Ik sluit me bij deze opvatting aan omdat die op eclectische wijze de voordelen combineert van de VTO-en typologie-georiënteerde benadering. Of deze aanpak ook daadwerkelijk uitvoerbaar is in het kader van mijn promotie-onderzoek, hoop ik over drie jaar op het Zestiende Colloquium Neerlandicum te kunnen en te mogen vertellen.3
Ik wil aan het eind van deze bijdrage de noodzakelijkheid van gemeenschappelijke projecten beklemtonen. In het begin werd de Europese
contrastieve linguïstiek beïnvloed door de Amerikaanse ontwikkelingen. Na de hierboven genoemde teleurstellende onderzoeksresultaten in de Verenigde Staten bleef ook in Europa het aantal contrastieve publicaties beperkt. Vanaf de jaren negentig is de tendens omgekeerd. Vanuit Europa wordt de contrastieve school in de Verenigde Staten geïnspireerd. Er zijn echter nog steeds te weinig ‘grenzenvrije’ projecten te zien, waarbij instituten van verschillende landen samen aan een contrastief onderzoek werken. We moeten echter ook de positieve voorbeelden vermelden, zoals de Pools-Duitse contrastieve grammatica van het Engels. We spreken de hoop uit dat de samenwerking in een Europa dat over steeds minder (politieke) grenzen beschikt intensiever wordt.
| Anderson, Sven-Gunnard: ‘Zur Kontrastsituation nahverwandter Sprachen am Beispiel Deutsch-Schwedisch’. Jarmo Korhonen en Georg Gimpl (Hrsg.), Kontrastiv. Der Gingko-Baum, 15. Folge. Helsinki, 1997, 12-25. |
| Burgschmidt, Ernst en Götz, Dieter: Kontrastive Linguistik Deutsch/Englisch. München, 1974. |
| Hellinger, Marlis: Kontrastive Grammatik Deutsch/Englisch. Tübingen, 1977. |
| Juhász, János: ‘Ungarisch-deutsche kontrastive Forschungen in Ungarn’. János Júhasz (Hrsg.), Kontrastive Studien Ungarisch-Deutsch. Boedapest, 1980, 17-34. |
| Karcher, Günther L.: Kontrastive Untersuchung von Wortfeldern im Deutschen und Englischen. Frankfurt am Main, 1979. |
| König, Ekkehard: ‘Kontrastive Linguistik als Komponent zur Typologie’. Klaus Gnutzmann (Hrsg.), Kontrastive Linguistik. Frankfurt am Main, 1990, 117-131. |
| Kortmann, Bernd: ‘Kontrastive Linguistik und Fremdsprachenunterricht’. Wolfgang Börner en Klaus Vogel (Hrsg.), Kontrast und Äquivalenz. Beiträge zu Sprachvergleich und Übersetzung. Tübingen, 1998, 136-167. |
| Kühlwein, Wolfgang: ‘Kontrastive Linguistik und Fremdsprachenerwerb - Perspektiven und historischer Hintergrund’. Klaus Gnutzmann (Hrsg.), Kontrastive Linguistik. Frankfurt am Main, 1990, 13-32. |
| Szűcs, Tibor: Magyar-német kontrasztív nyelvészet a hungarológiában (a magyar mint idegen nyelv közvetítésében). Pécser Beiträge zur Sprachwissenschaft 4. Budapest, 1999. |