Bij het onderwijs van de grammatica moet de docent extra muros rekening houden met de voorkennis van zijn studenten. Italiaanse universitaire studenten hebben tijdens hun schooltijd een stevige grammaticale basis meegekregen, van waaruit ze ook de Nederlandse taalverschijnselen proberen te interpreteren. Ook al is de docent een fervent voorstander van de zuiver communicatieve methode, mijn ervaring is dat zij een sterke behoefte voelen aan theoretisch houvast.
Zo heb ik het plan opgevat de Nederlandse en Italiaanse zinsbouw contrastief te vergelijken in het kader van de functionele linguïstiek,1 in de hoop dat deze bespiegelingen bij de student tot een dieper inzicht in de taal zullen leiden.
Als we de beschrijving van de Italiaanse syntaxis nader beschouwen, valt meteen op dat deze een andere onderverdeling hanteert. Er worden slechts drie soorten zinsdelen2 onderscheiden: het subject, het direct object en het indirect object; dit laatste wordt op semantische basis onderverdeeld in een dertigtal ‘complementi’. Bijkomende moeilijkheid is dat niet alle ‘complementi’ zinsdelen zijn, getuige bijvoorbeeld het ‘complemento di materia’, dat de materie aanduidt waarvan iets gemaakt is, zoals d'oro -
van goud in Mi ha dato un anello d'oro. - Hij heeft me een gouden ring gegeven.
Waar hebben we het dan eigenlijk over als we de plaatsing van een bepaald zinsdeel willen uitleggen aan onze studenten? Voor we toekomen aan een vergelijkende beschrijving van de volgorde van de zinsdelen, moeten we eerst duidelijk maken welke lading gedekt wordt door de verschillende zinsdelen die de Nederlandse grammatica kent.
Het blijkt dus dat we als aanzet voor een contrastieve syntaxis een vergelijkende classificatie van de zinsdelen van het Nederlands en het Italiaans moeten maken. Hierbij dringt zich echter een nieuwe vraag op: welke indeling (in zinsdelen) zal ik hanteren voor de Nederlandse zinsdelen?
Het spreekt vanzelf dat de onvolprezen ANS als meest volledige beschrijving van de Nederlandse taal, de onmisbare basis is voor elke grammaticale studie. Maar zoals verschillende auteurs3 reeds opmerkten bezigt de ANS geen uitgesproken taalkundig referentiekader, wat als gevolg heeft dat het onderscheid tussen ‘complementen’ en ‘toevoegingen’ (Haeseryn et al. 1997, 941), met andere woorden tussen verplichte en nietverplichte zinsdelen, niet systematisch wordt doorgevoerd.
Nu vormt dit onderscheid de basis van de valentiegrammatica4 volgens welke het predikaat de kern is waarrond de zin is opgebouwd. De
verbale valentie is de kracht van het werkwoord om constituenten aan zich te binden. Dankzij het begrip valentie kunnen er binnen de zin hiërarchische structuren worden onderscheiden: er zijn constituenten die valentiebepaald zijn - de complementen - en andere die vrij kunnen worden toegevoegd - de toevoegingen. Deze termen heb ik in het Italiaans respectievelijk vertaald met ‘complementi’ en ‘complementi periferici’, de termen die gebruikt worden in de generatieve Italiaanse grammatica van Renzi (2001).5
Dit theoretische onderscheid heeft een praktische neerslag op de zinsbouw. Het verklaart onder meer waarom in de volgende zinnetjes de ene constituent meer bewegingsvrijheid heeft dan de andere:
Ze zijn naar Italië gereden.
Ze zijn via München gereden.
Ze zijn via München naar Italië gereden.
*Ze zijn naar Italië via München gereden.
In het zinnetje:
Ze zijn via München gereden.
is via München namelijk een complement, terwijl dezelfde constituent in:
Ze zijn via München naar Italië gereden.
een toevoeging is.
Door de valentie wordt niet alleen bepaald hoeveel complementen een predikaat verplicht bij zich neemt (Dik 1989, 69), maar ook de semantische rol die dit complement vervult en eventueel de selectiecriteria waaraan het moet voldoen (Dik 1989, 69). Laten we een voorbeeld geven:
Piet slaat de bond.
Piet is agens, degene die handelt, terwijl de hond patiens is, degene die ondergaat. Het onderwerp van het predikaat slaan is altijd een agens die bovendien aan het selectiecriterium |menselijk| moet voldoen. De patiens is bij slaan ook aan selectiecriteria onderhevig, namelijk |levend|, want:
*Piet slaat de tafel.
is geen correcte zin.
Over het aantal en de precieze aard van deze semantische rollen zijn de taalkundigen het helemaal niet eens. Dit hoeft geen verwondering te wekken als we bedenken dat taal een continuüm is dat de eindeloze verscheidenheid van de werkelijkheid weerspiegelt. Givón gaat zelfs zo ver te beweren dat er in een taal evenveel semantische rollen zijn als werkwoorden (Givón 1984, 110 en 127). We moeten de semantische rollen dus beschouwen als niet meer of niet minder dan een werkinstrument van de taalkundige. De indeling die ik hanteer6 is grotendeels gebaseerd op die van Payne (1997, 48-51).
Zo codeert de mens de wereld door middel van taal: elk predikaat dat een handeling of een toestand uitdrukt, bindt een aantal complementen van een bepaalde aard aan zich. Nu is het interessante dat de verschillende talen de wereld op verschillende manieren kunnen coderen; coderen betekent immers interpreteren. Hierdoor is een typologische vergelijking tussen talen mogelijk (Dik 1989, 107). Een klein voorbeeld. In het Engels kunnen we dezelfde toestand op twee manieren beschrijven:
Bees were swarming in the garden.
The garden was swarming with bees (Fillmore 1977, 69).
In het Nederlands kan het onderwerp van actiewerkwoorden moeilijk een locatief - the garden - zijn en is dit vaak verplicht een levend wezen:
Bijen zwermden in de tuin
*De tuin zwermt met / van de bijen.
Het vergelijken van de semantische rollen an sich is niet interessant voor de taalkundige, want bij de handelingen van alle volkeren op de wereld zijn min of meer dezelfde deelnemers aanwezig (Godin 1980, 36). Zo zal er bij slaan altijd een agens en een patiens zijn, ook al kunnen de selectiecriteria wel verschillen.
Het typologisch onderzoek houdt zich bezig met de vraag hoe een bepaalde taal de semantische rollen in de drie grammaticale basisfuncties codeert: subject, direct object en indirect object (Givón 1984, 13). Deze drie functies werken als een soort rooster dat de taal over de verscheidenheid van de wereld legt om deze te kunnen bevatten, te coderen en te interpreteren (Payne 1997, 51).
Zoals gezegd is een semantische rol geen duidelijk afgebakende categorie; in de functionele linguïstiek definieert men deze rollen aan de hand van een aantal kenmerken die prototypen beschrijven. In de grammaticale functies kunnen prototypische deelnemers optreden, maar soms ook minder prototypische. Als we bijvoorbeeld in een zin een deelnemer hebben die een prototypische agens is en bovendien de ‘topic’ van de communicatie, dan hebben we te maken met een ideaal onderwerp (Payne 1997, 131-132). Even een voorbeeld van een typologische vergelijking tussen het Nederlands en het Italiaans:
| L'inondazione | si | riappropria | delle | terre | colonizzate. |
| De overstroming | zich | toe-eigent | van de | landen | gekoloniseerde. |
?De overstroming eigent zich het ingepolderde land weer toe.
De overstroming heeft niet alle eigenschappen van de agens en kan in het Nederlands moeilijk onderwerp zijn bij het predikaat zich toe-eigenen. In de Nederlandse zin krijgen de verschillende deelnemers aan de actie een andere grammaticale functie toegewezen: de overstroming wordt geen onderwerp maar komt in de meer perifere functie van bijwoordelijke bepaling terecht. Bovendien moet een beroep worden gedaan op een ander
werkwoord dat geen agens vereist, maar een patiens, omdat er geen geschikte agens onder de deelnemers is te vinden:
Het ingepolderde land gaat weer verloren bij overstromingen.
In het algemeen vinden we in de Romaanse talen vaker minder prototypische semantische rollen in de grammaticale basisfuncties, terwijl de Germaanse talen - met uitzondering van het Engels - die minder prototypische rollen weren (Hawkins 1986, 33).
Tot nog toe hebben we het gehad over drie grammaticale functies die zinsdelen volgens de functionele grammatica kunnen bekleden en die ook het Italiaans voorziet: subject, direct object en indirect object. Zoals we allemaal weten zijn er in de ANS nog andere zinsdelen te vinden. Deze heb ik onder de loep genomen om te kijken welke valentiegebonden zijn en welke niet. Het was mijn bedoeling een aantal zinsdelen te bepalen dat niet nodeloos afwijkt van de traditie maar wel de principes van de valentiegrammatica in acht neemt.
Om tot een indeling te komen moet rekening worden gehouden met formele kenmerken, maar moet ook worden gezocht naar definities van de semantische rol die een bepaald prototypisch lid van de categorie vervult. In hun Grammatica van de Nederlandse zin (Vandeweghe et al. 2000) definiëren de auteurs een aantal valentiebepaalde zinsdelen. Hun indeling is me een leidraad geweest, hoewel ik er, in het licht van een vergelijking met het Italiaans, enkele wijzigingen in heb aangebracht.
Verder heb ik onderzocht welke traditionele Italiaanse ‘complementi’7 overeenkomen met de Nederlandse zinsdelen zodat de student zich gemakkelijker kan oriënteren. Ook de grote generatieve grammatica van Renzi (2001) - hoewel het gebruik ervan binnen de muren van de universtieiten is gebleven - kon niet buiten beschouwing blijven.
Ten slotte wil ik nog aanstippen dat in de valentiegrammatica de
volgende taalelementen niet als complement worden beschouwd maar als deel van het predikaat:
| - | het wederkereud voornaamwoord van verplicht wederkerende werkwoorden zoals zich haasten; |
| - | het niet werkwoordelijk deel van idiomatische uitdrukkingen zoals zijn biezen pakken; |
| - | het naamwoordelijk deel van het gezegde of het predikaatsnomen zoals ziek zijn, dit heeft tot gevolg dat ik geen wezenlijk onderscheid maak tussen het naamwoordelijk en het werkwoordelijk gezegde.8 |
Hierna volgt een overzicht van de valentiegebonden zinsdelen die ik zal behandelen met de vertaling in het Italiaans die ik ervan maakte en de benaming van de overeenkomstige traditionele ‘complementi’
Het zou uiteraard onbegonnen werk zijn de valentie van alle predikaten in de twee talen te vergelijken. Daarom heb ik syntactische en semantische predikaatschema's opgesteld.
De basis voor een dergelijk kader voor de analyse van werkwoorden en hun complementen is door Fillmore gelegd met zijn case frames, valentiepatronen of predikaatschema's. Deze case frames hebben de volgende functie: ‘[...] een brug te slaan tussen de beschrijvingen van situaties en hun onderliggende syntactische voorstelling’9 (Fillmore 1977, 61).
Met andere woorden: voor de besclirijving van bepaalde situaties worden in een taal bepaalde predikaatschema's gebruikt.
| Nederlands zinsdeel | Italiaans zinsdeel volgens traditie | Italiaanse terminologie |
|---|---|---|
| Subject | soggetto | soggetto |
| direct object + oorzakelijk object | complemento diretto | oggetto diretto |
| Indirect object | complemento indiretto | oggetto indiretto |
| - meewerkend object | - complemento di termine | - oggetto ind. recipiente |
| - ondervindend object | - complemento di termine | - oggetto ind. esperiente |
| - belanghebbend object | - complemento di vantaggio | - oggetto ind. beneficiario |
| - possessieve datief | - dativo di possesso | - dativo di possesso |
| voorzetselobject | complemento di termine, speci complemento di specificazione, compagnia, abbondanza, colpa, allontanamento, di specificazione, luogo [...] | oggetto preposizionale |
| predikatief complement - oordeelscomplement - resultaatscomplement |
complemento predicativo del soggetto complemento predicativo dell'oggetto |
complemento predicativo - complemento predicativo di giudizio - complemento predicativo di risultato |
| specificerend complement - maatcomplement - naamcomplement - hoedanigheids-complement |
complemento di età, stima, prezzo, misura, quantità | complemento di specificazione - complemento di misura - complemento di nome - complemento di qualità |
| adverbiaal complement - locatief complement - wijzecomplement |
||
|
- complemento di luogo - complemento di modo |
||
| complemento avverbiale - complemento di luogo - complemento di modo |
Nu heb ik bij het opstellen van deze schema's meer dan eens jaloers naar mijn Engelstalige en Duitstalige collega's gekeken. Die hebben namelijk werkinstrumenten voorhanden waar wij neerlandici alleen maar van kunnen dromen: valentiewoordenboeken waar de valentiepatronen van alle werkwoorden beschreven worden.10
Op de site van de E-ANS lezen we dat het in de bedoeling van de auteurs lag om de elektronische versie een meerwaarde te verlenen ten opzichte van de folioversie door in de toekomst koppelingen te maken met andere bestanden (bijvoorbeeld databanken, een valentiewoordenboek) maar ik vrees dat in de nabije toekomst dergelijke initiatieven niet gestimuleerd zullen worden en dat het voorlopig bij dromen zal blijven.
Voor zijn cross-lingnuïstisch onderzoek verdeelt Payne de predikaten op semantische basis (Payne 1997, 54). Aangezien de belangrijkste predikaats-typen in alle bekende talen voorkomen, kunnen we dit beschouwen als een universele classificatie. Zo onderscheiden we bijvoorbeeld metereologische, mentale en causatieve predikaten, toestands-, positie-, bewegings- en actiepredikaten. Vergelijkend onderzoek van de patterns binnen deze groepen toont aan welke semantische rollen door welke grammaticale functies vervuld worden.
De indeling in semantische groepen van de predikaten is niet minder willekeurig dan die in semantische rollen van de complementen. De onderzoeker probeert dan ook prototypen te omschijven, maar het is wel duidelijk dat de ontelbare handelingen en toestanden van de wereld zich niet in hokjes laten dwingen. Zo hoort het nominaal predikaat verliefd zijn zowel bij de toestandspredikaten als bij de emotiepredikaten thuis. Bovendien kan eenzelfde predikaat met verschillende valentiepatronen optreden:
Ik ruik de bloemen: waarnemingswerkwoord met subj./experiencer - dir. obj./patiens
Ik ruik aan de bloemen: actiewerkwoord met subj./agens - voorzetselobj./patiens
De kamer ruikt naar bloemen: toestandswerkwoord met subj/locatief - voorzetselobject/patiens.
Andere auteurs11 verdelen de predikaten volgens de grammaticale functie (subject, direct object, enz.) van de complementen. Aan een dergelijke onderverdeling ligt onmiskenbaar een grammaticale categorisering ten grondslag; men bedenke bijvoorbeeld dat in het Italiaans noch het voorzetselobject, noch de bepaling van gesteldheid als aparte categorie bestaat.
Voor mijn doel, een typologische vergelijking tussen het Nederlands en het Italiaans, heb ik gekozen voor een compromis tussen de twee categoriseringsmethoden.12 Eerst heb ik alle mogelijke Nederlandse syntactische predikaatschema's opgesteld. Voor elk pattern heb ik de prototypische semantische groepen werkwoorden gezocht die dat schema bezigen. Binnen elke syntactisch-semantisch bepaalde groep bestaan er overeenkomsten wat betreft de codering van de semantische rollen in grammaticale functies. Door beschrijving en cross-linguïstische vergelijking van de prototypische leden van de groep kunnen bepaalde taalkundige fenomenen uitgelegd worden.
Een voorbeeld van een predikaatschema:
Subject - predikaat - indirect object - direct object
Hierin zijn de volgende semantische groepen vertegenwoordigd:
| - | emotiepredikaten met loos onderwerp: |
| Het spijt me dat Jan niet kan komen. | |
| Het bevalt me niet dat je zo laat thuiskomt. | |
| - | cognitieve predikaten: |
| Jochem herinnerde zich het voorval. |
| - | taalhandelingspredikaten: |
| De sergeant schreeuwt de soldaat een bevel toe. | |
| Hij vertelde ons een vreemd verhaal. | |
| Ik schrijf mijn oom een brief. | |
| - | handelingspredikaten: |
| De bewaker geeft de hond wat brood. | |
| Hugo schenkt de gasten een glas wijn in. |
In de eerste fase van mijn cross-linguïstische vergelijking van de Nederlandse en de Italiaanse syntaxis onderzoek ik welke zinsdelen in de verschillende syntactische en semantische predikaatschema's voorkomen, waarbij systematische verschillen tussen de twee talen aan het licht komen. In de tweede fase zal het accent worden gelegd op de plaatsingsmogelijk-heden van de verschillende zinsdelen in het Nederlands. Mijn bevindingen zullen te zijner tijd in boekvorm verschijnen.
| Bennis, Hans: Syntaxis van het Nederlands. Amsterdam, 2000. |
| Bianco, Maria Teresa: Valenzlexikon Deutsch-Italienisch = Dizionario della valenza verbale. Heidelberg, 1996. |
| Devos, Filip et al.: Nederlands, Frans en Engels in contrast. Deel 2: de zin. Leuven, 1992. |
| Dik, Simon C.: The theory of functional grammar. Part I: The structure of the clause. Dordrecht, 1989. |
| Drosdowski, Gunter: Duden Grammatik der deutschen Gegenwartssprache. Band 4. 1984. |
| Engel, Ulrich et al.: Kleines Valenzlexikon deutscher Verben. Tübingen, 1978. |
| Engel, Ulrich et al.: Valenzlexicon Deutsch-Rumänisch. Heidelberg, 1983. |
| Fillmore, Charles J.: ‘The case for case’. E. Bach en R. Harms (eds.), Universals in linguistic theory. New York, 1968. |
| Fillmore, Charles J.: ‘Toward a modern theory of case’. D.A. Reibel en S.A. Schame, Modern studies in English: readings in transformational grammar. Englewood Cliffs, 1969. |
| Fillmore, Charles J.: ‘The case for case reopened’. P. Cole en J.M. Sadock (eds.), Syntax and Semantics, vol. 8 Grammatical Relations. New York, 1977. |
| Francis, Gill et al.: Collins cobuild grammar patterns. 1 Verbs. Londen, 1996. |
| Givón, Talmy: Syntax: a functional typological introduction. Volume I. Amsterdam en Philadelphia, 1984. |
| Godin, Pierre: Aspecten van de woordvolgorde in het Nederlands. Een syntactische, semantische en functionele benadering. Bibliothèque des Cahiers de l'Institut de Linguistique de Louvain 16. Louvain-la-Neuve, 1980. |
| Haeseryn, W. et al.: Algemene Nederlandse spraakkunst. 2 delen. Groningen en Deurne, 1997. |
| Hawkins, John A.: A comparative typology of English and German, unifying the contrasts. Londen en Sydney, 1986. |
| Lamiroy, Béatrice et al.: ‘Het project ‘Nederlandse Grammatica voor Franstaligen’ en het probleem van de terminologie’. Ludo Beheydt et al. (red.): Contrastief onderzoek Nederlands-Frans. Recherches contrastives néerlandais-français. Bibliothèque des cahiers de l'institut de linguistique de Louvain 108. Louvain-La-Neuve, 2001, 111-123. |
| Leclerq, R.: ‘De ANS en de verbale valentie’. Neerlandica Extra Muros 38, 3, 25-31 (oktober 2000). |
| Luif, Jan: In verband met de zin. Inleiding in de Nederlandse spraakkunst. Amsterdam, 1994. |
| Megen Jan van: ‘Kontrastive Beschreibung der Valenz niederländischer und deutscher Verben’. Germanistentreffen Belgien-Niederlände - Luxemburg - Deutschland, DAAD, Dokumentationen und Materialien, 21. Bonn, 1992. |
| Palazzo, Anna: A chiare lettere. B Sintassi della proposizione e del periodo. Marco Derva, 2001. |
| Payne, Thomas E.: Describing morphosyntax, A guide for field linguists. Cambridge, 1997. |
| Renzi, Lorenzo: Grande grammatica italiana di consultazione. Bologna, 2001. |
| Ross, Dolores: Tra Germanico e Romanzo: un approccio morfosintattico. Triëst, 2000. |
| Vandeweghe, Willy et al.: Grammatica van de Nederlandse zin. Leuven en Apeldoorn, 2000. |
| Vandeweghe, Willy: ‘ANS: over de moeilijke relatie tussen beschrijving en theorie.’ Vandeweghe, Willy et al. (red.), Polyfonie. Opstellen voor Paul Van Hauwermeiren. Gent, 2001, 202-209. |
[...] dieptecasussen behoren tot het type semantische relaties dat elementen van zinsstructuren met elkaar aangaan in een zekere context [...] Men kan ook zeggen dat de casustheorie ten minste ten dele de SEMANTISCHE VALENTIE van werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden beschrijft; deze beschrijving is vergelijkbaar met die van de syntactische valentie van sommige Europese taalkundigen (Tesnière 1959). {[...] deep cases are among the types of semantic relations that elements of sentence structures have with each other in context [...] The theory of cases can also be seen as offering at least a part of the SEMANTIC VALENCE description of verbs and adjectives, comparable to the syntactic valence descriptions given by certain European linguists [...] (Tesnière 1959).} (Fillmore 1977, 60).