|
|
|
| |
| | | |
Leermiddelen
| | | |
Een ‘e-syntaxis’ van het Nederlands:
http://www.ilv.ucl.ac.be/gramlink-nl/syntaxis/index.htm P. Godin, A. Cambler, M. Piwnik
en M. Van Overbeke
Aan de basis van deze e-syntaxis van het Nederlands ligt een drievoudige constatering, een
politieke, een taalkundige en een didactische. Om ons betoog voor een internationaal gezelschap
toegankelijk te maken, dient eerst opgemerkt dat ons ‘basiskamp’ - om het zo te noemen - in
Franstalig België ligt. Zonder op details in te gaan is het goed te weten dat België voortaan
uit drie regio's en evenveel gemeenschappen bestaat. Die gemeenschappen kunnen het met elkaar
vaak niet vinden maar dat doet weinig of niet ter zake. Wel heeft in het totstandkomen van deze
e-syntaxis een rol gespeeld het feit dat de Franse Gemeenschap (dit is de wetgevende macht in
Franstalig België) in het jaar 2000 een decreet heeft uitgevaardigd dat onder
meer bepaalt welk niveau aan het eind van het secundair onderwijs bereikt moet worden. Dat
geldt voor alle vakken, dus ook voor het onderwijs van vreemde talen in het algemeen en van het
Nederlands in het bijzonder. Eén van de spitsvondigheden in het huidige België is dat er over
wetten op federaal (of nationaal) niveau gestemd wordt en over decreten op communautair niveau. Zowel wetten als decreten dienen, zoals in alle
rechtstaten, in acht te worden genomen. Nu zagen zowel het bewuste decreet als de daarop
volgende leerplannen het leven net voor de publicatie van de Common European
framework of reference for languages (2001). In het Belgische document wordt dus nergens
verwezen naar het Europese, en met dit laatste is uiteraard ook geen rekening gehouden. Dat is
één van de redenen waarom de Belgische leerplannen ons inziens van meet af als achterhaald
konden worden beschouwd. We zullen hier niet ingaan op de vele tekortkomingen van het decreet
wat het onderwijs van de moderne vreemde talen betreft, want daar hebben we het al eerder over
gehad.1 Alleen
wijzen we op de erbarmelijke aanpak van de zogenaamde ‘linguïstische code’, met name de
woordenschat en de grammatica. De redacteuren van het decreet varen blijkbaar nog in het
kielzog van | | | | tendensen die midden de jaren zeventig opgeld deden, wat onder meer
blijkt uit het feit dat zij de taalmiddelen geheel naar de achtergrond hebben verdrongen. Ze
stellen eenvoudigweg dat de leerlingen dankzij het leerplan over voldoende grammaticale en
lexicale kennis zullen beschikken om zich vlot (avec aisance et clarté) te
kunnen redden in interactieve en receptieve situaties. Daarbij denken ze kennelijk aan
situaties die voortvloeien uit de bekende veertien referentievelden van The
threshold level. We beweren natuurlijk geenszins dat men een vreemde taal hoort te leren
aan de hand van lange woordenlijsten, saaie grammaticaregels, thema's, vertalingen en dies
meer. Ook wij zijn voorstanders van een ‘communicatieve’ aanpak. Wie is dat trouwens niet? Wij
zijn ons er tevens van bewust dat het kennen, de zogenaamde ‘code’, ten dienste moet staan van
het kunnen, dit is van de taalcompetentie. Alleen willen we het nieuwe paradigma even kritisch
bekijken. Is het wel vol te houden dat men om een taal te leren eerst daadwerkelijk moet
communiceren? En is het geen paradox meteen te willen communiceren in een taal waarvan men de
middelen (woorden, vormen, wendingen) nog niet machtig is? Wellicht is er tussen het slaafse
geheugenwerk van vroeger en de volledige immersie zonder grammaticale aanloop plaats voor een
gulden middenweg.
We hebben reeds eerder gepleit voor het idee dat de slingerbeweging tussen die twee extremen
te ver is gegaan (Godin 2002). Zonder daar in detail op terug te komen, willen we hier nog eens
onderstrepen dat de verschillen tussen een tweede taal en een vreemde taal niet stiekem
weggemoffeld mogen worden, zeker waar het de didactische benadering betreft, en meer bepaald de
plaats van een ‘reflexieve’grammatica. Een vreemde taal leert men immers op school of thuis aan
de schrijftafel, en dan nog meestal druppelsgewijs. Een tweede taal hoort men bovendien buiten
het opgelegde leerplan, om zo te zeggen ‘op straat’, en dat brengt extra authentieke oefeningen
met zich mee.2 Ook is het hier niet de bedoeling het wel en wee van de zogenaamde
‘interface-hypothese’ af te wegen ten opzichte van de ‘non-interface-hypothese’ à la Krashen.
Ondertussen is immers gebleken (Beheydt en Godin 2000) dat een meer eclectische benadering,
waarin ook expliciete aandacht voor de vorm gevraagd wordt, zeker het overwegen waard is. Ook
recente vakliteratuur, waaronder Kuiken en Vedder (1995), Doughty en Williams (eds.) (1998), De
Graaff (1998) en Lalleman (1999) | | | | wijst met klem in die richting. Het is intussen
bekend, althans bij vaklui, dat de grammatica wel invloed uitoefent op de snelheid (het tempo)
waarin een vreemde taal wordt geleerd en op het globale succes van de verwerving (Godin en
Piwnik, 2003). Anders gezegd, het heeft er alle schijn van dat men een vreemde taal sneller en
beter leert met grammatica-onderwijs dan zonder, ongeacht het niveau van de leerder. Men
raadplege in dit verband Beheydt (2002), Swan (1985a en b), Westhoff (1998) en De Graaff (apud: M. van Oostendorp 1998).3 Dat bewijst vanzelfsprekend nog niet dat expliciete grammaticale kennis, zegge
het kunnen formuleren van grammaticale regels, op zichzelf nuttig zou zijn. Nog minder houdt
dat in dat die soort kennis zomaar kan worden omgezet in impliciete, zegge spontane toepassing
van grammaticale competentie zonder erbij te moeten nadenken. Alleen is men er nu om goede
redenen van overtuigd dat grammatica-onderwijs de verwerving van impliciete kennis
vergemakkelijkt (Lalleman 1999, 25). Al met al heeft het heen en weer tussen extreme stellingen
geleid tot een vrij genuanceerde conclusie: het is duidelijk niet de bedoeling het vroegere
expliciete grammatica-onderricht opnieuw in te voeren. Het staat immers buiten kijf dat de
leerlingen/studenten er baat bij vinden de taal die ze leren zoveel mogelijk te horen, te lezen
en te gebruiken in diverse communicatieve, functionele en didactische situaties. Maar het
blijkt evenzeer uit allerlei onderzoek dat vreemdetaalleraren ongelijk hebben als ze het
grammatica-onderwijs uit hun leerpraktijk bannen. Om het met Doughty en Williams te stellen
(1998, 11):
Volledige tweede-taalverwerving kan nooit bereikt worden als er een beroep wordt
gedaan op formele instructies alleen of als die formele instructies volstrekt genegeerd worden,
zogezegd om zich alleen met de communicatie bezig te houden. Als er leermoeilijkheden optreden
- en hoe zou het anders kunnen? - dan blijkt het gewoon zinvol om aandacht en tijd te besteden
aan de linguïstische elementen. Dit neemt natuurlijk niet weg | | | | dat er geen voor de
hand liggende oplossing bestaat om de zeer ingewikkelde vraag te beantwoorden hoe je aandacht
voor de formele aspecten van de taal laat rijmen met communicatief onderwijs.
Intussen is bij een aantal taalleraren, taaldidactici en taalkundigen in Franstalig België
ook de overtuiging gegroeid dat er willens nillens iets gedaan moest worden aan de zwakke
grammaticakennis en het povere grammaticagebruik van de afgestudeerden uit het secundair
onderwijs. Ook aan de UCL (Louvain-la-Neuve) bleek de zwakke, om niet te zeggen onbestaande,
grammaticakennis van de vreemde talen een blok aan het been van de taalstudenten.4 Naar aanleiding van een bijscholing over de moderne technologie in het
taalonderwijs (Louvain-la-Neuve, 1999) werd onder meer door leraren uit het middelbaar
onderwijs de hoop geuit dat de imiversiteit toegepast onderzoek zou wijden aan het leren van de
grammatica. Dat de computer zich hiertoe uitstekend leent was sinds jaar en dag een vaststaand
feit. Voorts was de weg van computerhulp naar het gebruik van internet maar een kleine stap
(zie Godin 1987). Des te kleiner daar de grammaticamodules dankzij het web in optimale
omstandigheden en in ontelbare plaatsen tegelijkertijd - en bovendien gratis5 - beschikbaar konden worden gesteld. Zoals intussen her en der is
onderstreept (onder meer Henn, 2001), is internet inderdaad een uitstekend hulpmiddel om het
talenonderwijs dynamischer te maken. Met dat doel voor ogen hebben we in September 1999 aan de
UCL, met de financiële steun van het ‘Institut de Pédagogie et des multimedia’ (IPM), het
zogenaamde ‘Gramlink-project’ gestart. Oorspronkelijk was het de bedoeling een basisgrammatica
on line
| | | | beschikbaar te stellen voor Franstaligen die Nederlands, Engels of Duits willen
leren. Deze basisgrammatica's dienden zowel theorie te bevatten als interactieve oefeningen,
verbeteringen incluis. Gezien het doelpubliek moest de metataal Frans zijn. Van meet af aan kon
het project op de technische steun van een website-manager6 rekenen. Die suggereerde het gebruik van bekende
en vrij beschikbare7 software, Hot Potatoes genaamd,
waarin hij zich helemaal thuis voelde. Dit liet de didactisch gerichte leden van de groep meer
armslag en tijd om zich te concentreren op de theoretische en praktische leermodules. We kunnen
hier niet uitweiden over Hot Potatoes (zie
http://www.web.uvic.ca/hrd/halfbaked/). Alleen dient erop gewezen (zie ook Godin en Piwnik
2003) dat het een ‘auteursomgeving’ is die ontwikkeld werd aan de Canadese universiteit
Victoria door Martin Holmes en Stuart Arneil, allebei werkzaam bij het Victoria
Humanities Computing and Media Centre. Het is via internet beschikbaar als
‘freeware-onder-voorwaarden’, met dien verstande dus dat het gratis beschikbaar wordt gesteld
als het niet gebruikt wordt voor commerciële doeleinden. Met Hot Potatoes
kunnen interactieve oefeningen vervaardigd worden8 die de leerder kan oproepen als zijn computer
uitgerust is met een browser van het type Explorer, die Java en DHTML ondersteunt. Dit houdt
concreet in dat dankzij Hot Potatoes oefeningen op een webserver geplaatst
worden die toegankelijk worden voor een veelvoud van gebruikers, waar die zich ook bevinden en
op welk ogenblik ze zich ook van het programma willen bedienen.9 Verder kunnen de geproduceerde oefeningen genummerd worden en met behulp van
een zelfgemaakt javascript kan dan binnen het programma naar wens worden gesurft.
| | | |
De vraag rijst soms of het wel nodig was zelf oefeningen te maken terwijl er zoveel
kant-en-klare software beschikbaar is. Het internet krioelt inderdaad van taaloefeningen, maar
die zijn meestal fragmentarisch, hebben de grammatica stiefmoederlijk behandeld of bereiken
niet het gewenste evenwicht tussen theorie en praktijk. Daarom leek het ons de moeite waard om
naar een samenhangend geheel te streven, waarin beide aan bod zouden komen en waarmee leerders
van diverse typen en leeftijden hun voordeel kunnen doen. Laten we er nogmaals op wijzen dat
het materiaal dat beschikbaar wordt gesteld, in tegenstelling met wat veelal op internet
geboden wordt, een universitair label draagt en gratis is. Voor zover we dat kunnen afleiden
uit reacties, beantwoordt ons programma dan ook aan een reële behoefte. Men vergete daarbij
niet dat het geheel, mede door het gebruik van de computer en van het internet, vrij wendbaar,
aanpasbaar, aanvulbaar en verbeterbaar is. Wat het programma echter nog niet biedt is een
nauwkeurige analyse van de antwoorden van de leerders en een daarmee verbonden ‘remedial
teaching’. Ook geeft het nog geen computer-geleide sturing door de cursus heen. Anders gezegd,
het is zeker geschikt voor zelfstudie van de grammatica, maar het kan toch best gebruikt worden
als aanvullende scholing bij een globale cursus Nederlands van welk type of niveau die ook zij.
Zoals gezegd behelsde het project ‘Gramlink’ van meet af aan drie oriëntaties,10 naargelang van het
taaleigen van de drie talen die er oorspronkelijk deel van uitmaakten. Een daarvan was
Gramlink-Nederlands. Het is gegroeid uit een samenwerking tussen enerzijds academisch en
wetenschappelijk personeel van de UCL (Louvain-la-Neuve) en van de FNDP (Namur) en anderzijds
leraren Nederlands van een viertal scholen van het Franstalig secundair onderwijs.11
Oorspronkelijk werd Gramlink-Nederlands | | | | geschreven voor een Franstalig publiek.
Het morfologisch deel is in zijn huidige versie sinds September 2001 beschikbaar.12 Naderhand bleek de onderneming echter voor een aantal leden te tijdrovend en
na de eerste ontdekkingstocht werd een veel beperktere ploeg bereid gevonden om het werk voort
te zetten. In September 2002 was het syntactisch deel voltooid. Naarmate het project vruchten
afwierp en aan bekendheid won, bleek er echter ook interesse te bestaan voor een versie voor
anderstaligen tout court. De eerste gegadigden waren trouwens de studenten
van de vakgroep ‘Germaanse talen en literaturen’ die in het eerste jaar een basiscursus
grammatica volgen. Gezien die bredere belangstelling hebben we het project bijgeschaafd, zodat
er voortaan een syntactische versie beschikbaar is, niet enkel voor Franstaligen, maar voor
anderstalige leerders van het Nederlands, een soort ‘e-syntaxis Nederlands voor anderstaligen’
dus. Het doelpubliek bestaat uit leerders van het niveau B1 of B1+, de zogenaamde independent users (vrije gebruikers). Als dusdanig kan het programma zowel geïntegreerd
worden in een volledig curriculum, als daar ook los van staan. Theoretische hoofdstukken
sluiten nauw aan bij oefeningen en andersom, maar er is niets op tegen om de oefeningen los te
koppelen van de theoretische gegevens. De leerder kan dus met om het even welk praktisch
probleem starten, maar de corresponderende uitleg veronderstelt dat hij/zij zich reeds thuis
voelt in een structurele beschrijving als die van de ANS.13 Is dat niet het geval, dan moet de gebruiker sequentieel te werk gaan; met
andere woorden, we raden hem aan de hoofdstukken in de strikte volgorde te doorlopen. Zoals
gezegd werd deze e-syntaxis oorspronkelijk opgevat als een cursus syntaxis voor eerstejaars
germanisten. Niet alle hoofdstukken of delen ervan zijn even relevant voor alle gebruikers en
het opslaan van een vertalend of verklarend woordenboek is voor bepaalde oefeningen of voor
bepaalde gebruikers soms een must. Inderdaad, in tegenstelling met het voor
Franstaligen bestemde gedeelte wordt soms gebruik gemaakt van een synoniem of een omschrijving
in het Nederlands, maar woordvertalingen worden systematisch venneden. Bovendien kan het
gebruikte taalmateriaal beschouwd worden als authentiek, dit is zowel | | | | geografisch
als historisch en cultureel ‘uit het leven gegrepen’. Alleen bij de eerste oefeningen van ieder
hoofdstuk is het lichtjes aangepast om te vermijden dat een te moeilijke woordkeuze het vatten
van een nieuwe vorm of wending in de weg zou staan. Deze aanpassing gaat echter nooit zo ver
dat het materiaal zonder meer geschikt zou zijn voor beginnelingen ab ovo.
Wat de oefeningen betreft, daarvoor werden een aantal basisprincipes in acht genomen die we
reeds eerder hebben uiteengezet (Godin en Piwnik, 2003) en die trouwens in de vakliteratuur
omstandig worden toegelicht (Lalleman 1995, Kuiken en Vetter 1995; Doughty en Williams 1998).
Een korte samenvatting moge hier volstaan.
Het gaat er in de eerste plaats om zo vaak mogelijk relevant, dit is betekenisvol, materiaal
aan te bieden. Uit de literatuur blijkt dat grammatica-onderwijs in eerste instantie gericht
moet zijn op het begrip van constructies: leerders die onderwijs hebben gekregen dat op de
betekenis van zinnen gericht is, waarin een bepaald grammaticaal verschijnsel voorkomt, blijken
betere resultaten te boeken dan leerders die zich louter om formele of productieve aspecten
bekommeren. We hebben er dus naar gestreefd oefeningen aan te bieden waarin tegelijkertijd
vorm, functie én betekenis een rol spelen.14 Vooral de betekenis
dient centraal te staan, een standpunt dat zelfs aanhangers van het non-interface-standpunt
niet durven tegen te spreken.15
Ten tweede staat impliciete kennis, dit is het spontane toepassen van regels, in de mate van
het mogelijke los van expliciete kennis of van de theorie. Met andere woorden, het staat de
gebruiker vrij om uitsluitend aandacht te schenken aan de zogenaamde ‘oefeningen’ zonder eerst
de theoretische aspecten van het probleem te bekijken, ook al is dat niet uitgesloten. Hij/zij
kan verder spontaan overschakelen van de ene oefening naar een andere; de sleutel raadplegen
wanneer dat nodig of wenselijk is; naar eigen keuze teruggrijpen naar een onderbroken oefening,
(alleen de correcte antwoorden blijven dan op het scherm staan) of naar de overeen | | | | komstige theorie, of nog naar een andere oefening, al dan niet binnen hetzelfde hoofdstuk.
Anders gezegd, de gebruiker neemt en houdt het heft in eigen handen.
Ten derde worden de syntactische gegevens aangeboden in contextzinnen of liefst - voor zo ver
dat mogelijk is, gezien het gekozen materiaal - in teksten die een betekenisgeheel vormen. Zo
gebeurt het vaak dat de gebruiker, die de indruk heeft met een leestekst bezig te zijn, niet
meer beseft dat hij/zij op een regel van de grammatica oefent.
Ten vierde is in de oefeningen zoveel mogelijk rekening gehouden met de volgende
leermomenten: (i) herkenningsoefeningen (zoals meerkeuze-oefeningen); (ii) taalgerichte
oefeningen waarbij specifieke syntactische aspecten, waaronder invuloefeningen met
contextzinnen aan bod komen en (iii) communicatieve oefeningen, met name leesoefeningen,
waarmee systematisering van de al dan niet expliciete kennis wordt nagestreefd.
Daarbij is het ons natuurlijk niet ontgaan dat wanneer de gebruiker een regel correct weet
toe te passen in een grammatica-oefening, hij die daarom nog niet vanzelfsprekend kan toepassen
in spontaan taalgebruik. Voor de grammaticale kennis geldt mutatis mutandis
hetzelfde als voor de lexicale: zoals bekend is het nooit voldoende de betekenis van een woord
in het woordenboek op te zoeken, of een nieuw woord ergens in een leestekst tegen te komen, om
het later spontaan in een nieuwe communicatieve situatie te kunnen gebruiken. Vanuit dit
standpunt bieden de oefeningen van onze e-syntaxis, benevens het expliciete streven naar
taalbeheersing, gewoon een extra kans om met zinvol taalmateriaal bezig te zijn. Het kan
motiverend werken niet alleen omdat de machine zo geduldig lijkt, maar ook omdat de gebruiker
zelf aan het stuur zit, omdat hij verantwoordelijk is voor wat hij doet, omdat niemand over
zijn schouder meekijkt, omdat hij los van een klassieke klassituatie iets kan doen aan zijn
taalkennis en - verwerving. Ten slotte kan de e-syntaxis ook nog inspringen binnen het kader
van het zogenaamde ‘remedial teaching’, of om de kennis en verwerving van een specifiek punt
uit te diepen. Met het oog daarop is er ook voor gezorgd dat de moeilijkheidsgraad in stijgende
lijn gaat: de eerste twee à drie oefeningen van ieder hoofdstuk zijn stelselmatig makkelijker
dan de volgende.
| | | |
Bij het slot van deze bijdrage spreken we de hoop uit dat wij met dit product alle potentiële
leerders van het Nederlands een dienst kunnen bewijzen. Zoals gezegd is een belangrijk voordeel
van e-materiaal dat het gemakkelijk aangepast, herzien en verbeterd kan worden. We houden ons
dan ook voor alle aan- en opmerkingen bij voorbaat aanbevolen.
| |
Inhoud van de e-syntaxis
16
[http://www.ilv.ncl.ac.be/gramlink-nl/syntaxis/index.htm]
| 1. |
De twee vaste polen van de Nederlandse zin |
Theorie |
Oefeningen |
| 2. |
Formele afbakening van de Nederlandse zin |
Theorie |
Oefeningen |
| 3. |
Structuur van de bijzin |
Theorie |
Oefeningen |
| 4. |
Een VR die van een modaal werkwoord afhangt |
Theorie |
Oefeningen |
| 5. |
Wat staat er in het derde stuk? (achter de tweede pool) |
Theorie |
Oefeningen |
| 6. |
Wat staat er in het middenstuk? (tussen de twee polen) |
Theorie |
Oefeningen |
| 6.1 |
Wat staat er onmiddellijk voor de tweede pool? |
Theorie |
Oefeningen |
| 6.2 |
Distributie van de voorzetselconstituenten |
Theorie |
Oefeningen |
| 6.3 |
Distributie van de nominale constituenten |
Theorie |
Oefeningen |
| 6.4 |
Waar staat het onderwerp (subject)? |
Theorie |
Oefeningen |
| 7. |
De voornaamwoordelijke bijwoorden |
Theorie |
Oefeningen |
| 8. |
Directe infinitief (met en zonder ‘ te ’) ↔ De infinitiefzin |
Theorie |
Oefeningen |
| 9. |
De negatie |
Theorie |
Oefeningen |
| 10. |
De aanloop en uitloop van de zin |
Theorie |
Oefeningen |
| 11. |
Speciale zinsbouwen |
Theorie |
Oefeningen |
| |
| | | |
Bibliografie
| Beerse, Th. en Perkins, P.: ‘On-line taalleren - De mogelijkheden van internet voor het
talenonderwijs?’. Levende talen 543, 565-574 (januari 1999). |
| Beheydt, L. en Godin, P.: ‘Savoir et savoir-faire dans les didactiques des langues
étrangères: que faut-il choisir?’. La Tribune Internationale des Langues
Vivantes 28, 46-51 (november 2000). |
| Beheydt, L.: ‘Vormgevoeligheid prikkelen in het vreemdetalenonderwijs’. Ph. Hiligsmann,
Het Nederlands in Frankrijk en in Franstalig België wetenschappelijk en
didactisch benaderd. Handelingen van het internationale colloquium aan de Université
Charles-de-Gaulle Lille 3 op 22-24 maart 2001. Lille, 2002. |
| Doughty, C. en Williams, J. (eds.): Focus on form in classroom second
language acquisition. Cambridge, 1998. |
| Doughty, C. en Williams, J.: ‘Pedagogical choices in focus on form’. C. Doughty en J.
Williams (eds.), Focus on form in classroom second language acquisition.
Cambridge, 1998, 197-261. |
| Elkabas, Ch. et al.: ‘Contribution of the cybernautical approach to the teaching and
learning of second languages (L2)’ Computer Assisted Language Learning,
vol. 12, no. 3, 1, 241-254 (1999). |
| Gervais, Ch.: ‘Grammar: a step forward?’. Association for French language
studies: cahiers, 5.1. 1999, 37-42. |
| Godin, P.: ‘Apprentissage des langues étrangères assisté par (micro)-ordinateur:
contraintes et perspectives’. Humanités Chrétiennes 30, 3, 234-246 (1987). |
| Godin, P.: ‘Les “communs diviseurs” en didactique des langues étrangères. La diffusion
des langues internationales de l'Union européenne’. J.C. Herreras (red.), Cahiers de l'Institut de Linguistique de Louvain 28, 1-2, 119-127 (2002). |
| | | |
| Godin, P. en Piwnik, M.: ‘Over Gramlink-Nederlands. Deel 1: morfologie’. C. Henn: n/f 2, onderzoek en praktijk tussen twee talen. 2003, 139-154. |
| Godin, P. en Bouillon, H.: ‘Regards croisés sur le programme de langues modernes de
l'enseignement libre (D/2000/7362/016)’. Cahiers de l'Institut de Linguistique
de Louvain (te verschijnen). |
| Henn, C: ‘Overpeinzingen bij interactieve oefeningen voor internet’. G. Elshout et al.:
Perspectieven voor de internationale neerlandistiek in de 21ste eeuw,
Handelingen Veertiende Colloquium Neerlandicum, Woubrugge, 2001, 127-136. |
| Hulstijn, J.: ‘Grammatica’. J. Hulstijn e.a. (eds.): Nederlands als tweede
taal in de volwasseneducatie, Amsterdam, 1995, 195-214 (1995). |
| Kuiken, K., en I. Vedder, I.: Grammatica opnieuw bekeken. Amsterdam,
1995. |
| Lalleman, J.: ‘Het nut van grammatica-onderwijs aan anderstaligen’. Neerlandica Extra Muros 33, 2, 1-19 (mei 1995). |
| Lalleman, J.: ‘Het nut van grammatica-onderwijs aan anderstaligen, deel 2: recent
onderzoek, nieuwe inzichten’. Neerlandica Extra Muros 37, 2, 24-40 (mei
1999). |
| Pellerin, M.: ‘Ordinateurs: Efficaces ou pas? (La perspective d'une enseignante)’. Computer Assisted Language Learning, vol. 12, No. A, 1, 381-390 (1999). |
| Van Kalsbeek A.: ‘NT2-NVT: Synergie of scheiding der wegen?’. Neerlandica
Extra Muros 39, 1, 23-33 (februari 2001). |
| Van Oostendorp, M.: ‘Het proefschrift van Rick de Graaff - Het nut van grammatica bij
taalstudie’. http://www.vanoostendorp.nl/linguïst/proefschrift/graaff.htm. 1998. |
|
1Zie
http://www.fltr.ucl.ac.be/FLTR/GERM/DIGE/regards_croisés_sur_le_programme.htm.
2Meer genuanceerde argumenten zijn te vinden in Van
Kalsbeek (2001).
3‘Tijdens een van zijn
experimenten liet R. de Graaff twee groepen proefpersonen Spaans leren met een
zelfstudieprogramma. Beide groepen gebruikten daarbij hetzelfde computerprogramma; alleen werd
aan de ene groep in elk lesje de aard van een bepaalde zinsconstructie uitgelegd, terwijl de
andere groep proefpersonen in dezelfde tijd alleen wat meer voorbeelden van die constructie te
zien kregen in praktische situaties. Na afloop van de zelfstudiecursus werd iedereen aan
dezelfde tests onderworpen. De studenten die expliciet grammaticaonderwijs gekregen hadden,
bleken het op sommige punten inderdaad beter te doen dan de anderen’ (Van Oostendorp
1998).
4Zo bevatten alle taalsyllabi voor de eerste candidaturen van
het Institut des Langues Vivantes (ILV) van de UCL meer grammaticamodules, die - bij gebrek
aan een beter systeem - vaak tijdens de taaluren worden ingeoefend. Dit is niet verwonderlijk
voor wie ooit voor een vreemdetalenklas heeft gestaan. Men raadplege onder meer Ch. Gervais
1999, 37-38 die wij hier vrij vertalen: ‘[...] Uit ervaring blijkt dat de overgrote
meerderheid van de eerstejaars uit het hoger/universitair onderwijs in de
aanvangfase van het taalleerproces systematisch meer aandacht vragen voor grammatica. [...]
Dit is misschien te verklaren door het feit dat ze met iets nieuws beginnen en de hoop
koesteren om al die afschrikwekkende grammaticale concepten eindelijk onder de knie te
krijgen. Het vreemde is dat hetzelfde verschijsel zich ook voordoet als laatstejaars gevraagd wordt aan welke aspecten van de taal zij het meest behoefte
hebben’.
5Dit werd vanaf het begin als een vereiste beschouwd door de verantwoordelijken
van het project; het moest als het ware aangeboden worden aan alle belangstellenden van de
gehele ‘Franse gemeenschap’ van België en tevens aan geïnteresseerde Franstaligen in het
algemeen.
6M. Piwnik,
die Engels doceert aan het ILV (UCL).
7Ten minste voor educatieve doeleinden, zie
http://www.halfbakedsoftware.com/
8Zie:
http://web.uvic.ca/hrd/halfbaked.
9Er zijn
zes basisvormen of ‘werkomgevingen’ beschikbaar, namelijk:
-
‘JBC’, voor het vervaardigen van interactieve juist-verkeerd- en meerkeuze-oefeningen
gemaakt kunnen worden;
-
‘Jclose’, voor het vervaardigen van interactieve invuloefeningen;
-
‘Jmatch’, voor het vervaardigen van interactieve combineeropdrachten;
-
‘Jcross’ voor het vervaardigen van interactieve kruiswoordpuzzels;
-
‘Jmix’, voor het vervaardigen van interactieve ordeningsvragen (zogenaamde
assemblage-oefeningen) of woordvolgorde-oefeningen;
-
‘Jquiz’, voor het vervaardigen van interactieve invulvragen (korte vragen).
10Het project Gramlink-English wordt thans geleid door Ph. Neyt (UCL/ILV);
Gramlink-Deutsch wordt geleid door H. Bouillon (FLTR/GERM/DIGE), tevens directeur van het ILV
en Gramlink-Nederlands door P. Godin (FLTR/GERM/DIGE). De website-manager van het gehele
project is M. Piwnik, tevens taalmeester Engels aan het ILV.
11A. Cambier (Institut du Sacré-Coeur, Mons), A. Convié (Institut de la Providence,
Wavre), P. Godin (UCL-DIGE), Ch. Hoorelbeke (UCL-DIGE), O. Meinguet (Lycée Mater Dei,
Bruxelles), A. Neven (UCL-LIGE), M. Piwnik (UCL-ILV), B. Strépenne (Collège d'Alzon, Bure), A.
Van Wayenberge (Institut Saint-Jean-Baptiste, Wavre), J. Weisshaupt (FUNDP, Namur).
12Het morfologisch deel bevat 35 theoretische hoofdstukken en 200
oefeningen.
13Lang voor de
eerste publicatie van de ANS werd deze structurele aanpak begin jaren zeventig verdedigd en
geïllustreerd door prof.dr. E. Nieuwborg aan de UCL in Leuven (en vanaf 1978 in
Louvain-la-Neuve), waar hij honderden Franstalige studenten wegwijs maakte in deze
materie.
14Dat kan natuurlijk niet
altijd. Soms staan de vormelijke aspecten op de voorgrond (bijvoorbeeld de werkwoorden die al
dan niet gebruikt worden met directe infinitief + te), want die moeten ook
geleerd worden. Dit neemt niet weg dat een aanzienlijk aantal oefeningen op het eerste gezicht
eerder leesoefeningen lijken dan grammaticale.
15Die denken inderdaad dat ‘het onbewuste
verwervingsproces op gang gebracht wordt als tijdens de les relevant taalmateriaal de revue
passeert’ (zie Krashen 1985, apud Lalleman 1998, 25).
16Alles bij elkaar telt de e-syntaxis vandaag (September 2003) 14
theoretische hoofdstukken en 84 oefeningen.
|
|