Colloquium Neerlandicum 15 (2003)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Neerlandistiek de grenzen voorbij. Handelingen Vijftiende Colloquium Neerlandicum. Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, Woubrugge 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 475]

Het project Leerwoordenboek zakelijk Nederlands17
Ph. Hiligsmann, M. Miceli, W. Martin, I. Maks en A. Héroguel

1. Inleiding

De laatste jaren is meermaals gewezen op het feit dat veel Franstalige talenstudenten, in het bijzonder de studenten met Nederlands in hun pakket, geen carrière meer in het middelbaar onderwijs ambiëren (zie onder andere Hiligsmann (red.) 1998 en Janssens (red.) 2001). Deze studenten geven van begin af aan de voorkeur aan een baan in het bedrijfsleven (bijvoorbeeld bij een bank) of in de administratie.

Deze bijdrage gaat over het project Leerwoordenboek zakelijk Nederlands (LZN) dat tot doel heeft bovengenoemde studenten Nederlands vertrouwd te maken met de zakelijke terminologie. In wat volgt, wordt kort de voorgeschiedenis van het LZN-project geschetst. Daarna wordt aan de hand van een paar voorbeelden ingegaan op de voornaamste kenmerken en de lexicografische onderbouwing van het LZN.

2. Voorgeschiedenis en situering van het project Leerwoordenboek zakelijk Nederlands

Aan de basis van het LZN-project ligt de constatering dat er voor gevorderde (Franstalige) NVT-studenten eigenaardig genoeg nog geen leerwoordenboek zakelijk Nederlands bestaat. Er zijn op de markt vrij veel (vak)woordenboeken maar nog geen enkel woordenboek dat aan de specifieke behoeften van die belangrijke doelgroep beantwoordt (cf. 2).

Hierna wordt ingegaan op twee (woorden)boeken die de partners van het LZN-project geïnspireerd hebben voor het Leerwoordenboek zakelijk

[p. 476]

Nederlands. Een van de boeken is bestemd voor Poolse leerders van het Nederlands, het andere is bedoeld voor leerders van het zakelijk Frans.

Het Beknopt woordenboek Nederlands-Pools voor de zakenwereld (Wilmots 2001),18 dat een onderdeel vormt van de Bilaterale Wetenschappelijke en Technologische Samenwerking Vlaanderen-Polen, bestaat uit twee delen. Deel 1, thematische lijst genaamd, is gerangschikt naar de zes volgende domeinen: bank, belastingen, handel, marketing, nijverheid en handelsrecht. De zes domeinen worden tegelijk als semantische velden beschouwd. Ieder domein is verder opgedeeld in rubrieken. Deel 2 is een alfabetisch gerangschikte lijst van de in deel 1 voorkomende ingangen. In figuur 1 vindt u enkele ingangen uit Wilmots (2001).

Bank 2 - Wijze van betalen
acceptatie, de Met “acceptatie” is de verklaring bedoeld dat een wissel op de vervaldag betaald zal worden. Akcept
non-acceptatie kennisgeving van non-acceptatie of non-betaling, de De bank wijst alle aansprake-lijkheid af wegens de nietnaleving van de wettelijke termijnen voor de aanbieding ter acceptatie of ter betaling en voor kennisgeving van non-acceptatie. odmowa akceptu zawiadomienie o odmowie akceptu lub niezaplaceniu/niepokryciu
bank, de Een instelling voor het doem van financiële zaken. De primaire taken van de bank zijn het beheren van toevertrouwd geld en het uitlenen van geld. bank
bankbiljet, het begunstigde, de De begunstigde is de persoon aan wie een bepaald bedrag betaald wordt of moet worden. banknot beneficjent

Figuur 1: Enkele ingangen uit Wilmots (2001, 10)

[p. 477]

Een van de pluspunten van het Beknopt woordenboek Nederlands-Pools voor de zakenwereld is het feit dat de auteurs zowel thematisch als alfabetisch te werk zijn gegaan. Op die manier kunnen de vreemdetaalleerders vertrouwd raken met de semantische velden, zodat ze kennis maken met alle termen, collocaties en zinswendingen binnen eenzelfde domein. Aan de definities is echter geen systematische aandacht besteed. Er is vaak genoegen genomen met een omschrijving die te vinden was in het corpus dat ten grondslag lag aan de materiaalverzameling. Voorbeeld:

uitkering: ‘Ook kunnen pensioenen, lijfrenten en andere uitkeringen door overschrijving op een rekening bij de bank worden uitbetaald’ (Deel 1, 9).

Het gaat in feite niet om een definitie, maar om een context waarin de term in kwestie voorkomt. Een student die te weten wil komen wat een uitkering is, komt dan ook bedrogen uit. In het beknopt woordenboek komen ‘definities’ van dit type vaak voor.

Een ander nadeel van het beknopt woordenboek is dat er voor de collocaties geen rekening is gehouden met de frequentie. De lezer krijgt zo de indruk dat er geen onderscheid is gemaakt tussen vaak en niet vaak voorkomende collocaties. Ten slotte: de reeks domeinen is te beperkt om een representatief beeld te geven van de zakelijke terminologie.

 

Het tweede woordenboek dat qua opzet als model heeft gediend voor het LZN-project, is het Dictionnaire d'apprentissage du français des affaires (voortaan DAFA) (Jean Binon et al. 2000), dat tot doel heeft om gebruikers behulpzaam te zijn bij zowel het begrijpen als het produceren van geschreven en gesproken zakelijk Frans.

Het woordenboek bevat honderdvijfendertig thematische ingangen. In elke ingang wordt een woordfamilie onder de loep genomen (bijvoorbeeld COMMERCE: le commerce, la commercialisation, un commerçant, un commercial, commerçant, commercial, [...]). De woordfamilies vormen de basiswoordenschat voor zakelijk Frans. Verder zijn ze ingebed in semantische netwerken (bijvoorbeeld commercevente, achat, marché, marketing).

In totaal staan er in het DAFA ruim 3.200 verschillende termen. Voor al die termen hebben de samenstellers een duidelijke definitie gegeven. Voor de definities is uitgegaan van de lexicale functies van

[p. 478]

Mel'čuk. Ook is ruim aandacht besteed aan de combinatoriek van die zakelijke termen. Hiervoor hebben de redacteurs zich gebaseerd op een corpus economische krantenartikelen en wetenschappelijke bijdragen en op naslagwerken over zakelijk Frans en economisch Frans. Elk woord in het DAFA is in vijf talen vertaald, namelijk in het Duits, het Engels, het Spaans, het Italiaans en het Nederlands. Achterin het boek staat een omgekeerde index.

3. Voornaamste kenmerken en lexicografische onderbouwing van het Leer-woordenboek zakelijk Nederlands

In deze paragraaf worden de voornaamste kenmerken van het Leerwoor-denboek zakelijk Nederlands op een rijtje gezet. Er zal vooral ingegaan worden op de lexicografische onderbouwing van het leerwoordenboek.

3.1 Het LZN als ‘leerwoordenboek’

Het doel van het LZN-project bestaat erin een leerwoordenboek te maken voor beginnende leerders van een specifieke vreemde ‘vaktaal’ (cf. Martin 1987, 61), dit is

een gestructureerde databank die de basale lexicale kennis en domeinkennis/knowhow van de gemiddelde L1-vakexpert weergeeft. Deze databank richt zich primair tot de L2-nietvakexpert en dient om hen in staat te stellen de L1-vaktalige competentie/performantie zo dicht mogelijk te benaderen (Hiligsmann et al. 2002, 34).

Dit uitgangspunt heeft verschillende implicaties voor het beoogde woordenboek zakelijk Nederlands:

1.Het LZN is bedoeld zowel voor het begrijpen als voor het produceren van zakelijk Nederlands. Deze laatste functie is vooral nuttig voor wie het Nederlands als vreemde of tweede taal leert.
2.De macrostructuur van het LZN zal die van een basislexicon niet overtreffen (minimaal 2.000 à 3.000 items).
[p. 479]
3.De semantische component moet voldoende expliciet zijn om termen te kunnen begrijpen en van andere, verwante termen te kunnen onderscheiden. Hiervoor zijn accurate definities en een intralinguale semantische structurering nodig (semantische clusters van verwante woorden).
4.De syntactische component leidt ipso facto tot een collocatiewoordenboek. Hierbij vullen semantiek en syntaxis elkaar aan.
5.Het LZN is zowel alfabetisch als thematisch georganiseerd.

3.2 Zakelijk Nederlands

Op het eerste gezicht lijkt het begrip ‘zakelijk Nederlands’ makkelijk af te bakenen (cf. Héroguel 2003). In de inleiding tot Taal in zaken. Zakelijk Nederlands voor anderstaligen wordt zakelijk Nederlands als volgt gedefinieerd:

het gebruik van taal voor zakelijke doeleinden: de communicatie met en tussen instanties, organisaties en bedrijven. Wanneer een privé-persoon communiceert met een instantie of vice versa, noemen we dat ook zakelijke communicatie. [...] Voorwaarde voor zakelijke communicatie is dus dat er altijd een instantie bij betrokken is (Van Baalen 2003, 13).

Uit deze definitie blijkt aan de ene kant dat zakelijk Nederlands niet zozeer een aparte taal is maar een vorm van taalgebruik en aan de andere kant dat het domein ‘zakelijk Nederlands’ moeilijk af te bakenen is doordat het diffuus en divers is. Zelf zijn we bij de afbakening van het domein ‘zakelijk Nederlands’ uitgegaan van de volgende werkhypothese: zakelijk Nederlands is te vinden in (schriftelijke) teksten die beroepsmatig opgesteld worden in het kader van de talige communicatie binnen de zakenwereld. Het bestaat uit inhoudswoorden (vooral zelfstandige naamwoorden, maar ook werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden) en verbindingen (collocaties) die in dat materiaal verschijnen en in een duidelijke relatie staan met een ‘bedrijf’ (cf. Hiligsmann et al. 2002, 62). Ondanks de centrale positie die het concept ‘bedrijf’ inneemt en ondanks de geprivilegieerde relatie die het onderhoudt met handels- en productiepartners zijn er nog veel andere actoren uit andere domeinen in het spel waarmee bedrijven een relatie hebben. In figuur 2 komt dit duidelijk naar voren.

[p. 480]



illustratie

Figuur 2: Relatie bedrijf en (actoren uit) andere sectoren


3.3 Concepttypen en frames

Lexicaal gesproken kan men op grond van de bovenstaande domeinafbakening stellen dat ‘zakelijk Nederlands’ de terminologie bevat die niet eigen is aan één specifiek bedrijf, maar die bedrijven onderling delen in hun (interne en externe) communicatie: in eerste instantie met handels- en industriepartners, maar ook met actoren uit andere domeinen (cf. figuur 2). Het is echter niet onze bedoeling om domeinen als recht, verzekering, sociale voorzieningen enz. uitputtend te ordenen. Wel is het de bedoeling ZN-begrippen zo goed mogelijk te definiëren en aan andere begrippen te kunnen relateren. Hiervoor doen we een beroep op een beperkt aantal concepttypen die ons in staat stellen de zakenwereld te organiseren. Zo'n concepttype is een soort mentale constructie die ertoe dient een categorie te beschrijven aan de hand van kenmerkende eigenschappen.19 Voor zakelijk Nederlands kunnen onder andere de volgende concepttypen worden onderscheiden (naar volledigheid wordt niet gestreefd):

[p. 481]
-acties/operaties (bijvoorbeeld kopen/verkopen);
-processen (bijvoorbeeld stijgen/dalen van prijzen);
-toestanden (bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid),
-personen (bijvoorbeeld betaler);
-beroepspersonen (bijvoorbeeld curator);
-instellingen/organisaties (bijvoorbeeld bank);
-producten (bijvoorbeeld materiële zoals goederen immateriële zoals diensten);
-financieel-economische vergoeding (bijvoorbeeld salaris, accijns) enz.

Een ‘financieel-economische vergoeding’ wordt opgevat als ‘datgene wat aan iemand wordt betaald in verband met bepaalde omstandigheden die typisch zijn/voorkomen in het bedrijfsleven/zakenleven/de zakenwereld/bedrijfswereld’. Dit algemene type kan in verschillende subtypen worden onderverdeeld:

-bijdrage: datgene wat de burger verplicht is te betalen aan de overheid of aan een semi-overheidsinstelling (bijvoorbeeld verzekeringsmaat-schappij) met als doel bepaalde collectieve voorzieningen te bekostigen;
-uitkering: datgene wat de overheid of een semi-overheidsinstelling uitbetaalt aan een particulier en waarop deze laatste recht heeft;
-arbeidsinkomsten: het inkomen dat een werknemer verwerft uit arbeid verricht voor een werkgever;
-kapitaalsinkomsten: het inkomen dat men verwerft op grond van kapitaal;
-boete: datgene wat betaald moet worden door de overtreder van een bepaalde regeling aan degene die de regeling heeft getroffen.

Elk concepttype roept een eigen frame op. Zo'n frame representeert kennis in een slot-fillerformaat. Slots zijn algemene conceptuele categorieën die door fillers, bepaalde waarden, gespecificeerd worden.20

Voor het algemene concepttype ‘financieel-economische vergoeding’ kan het volgende frame worden gedistilleerd:

[p. 482]

slot verklaring
ontvanger aan wie: wie krijgt de finan.-econ.vergoeding?
betaler van wie: wie betaalt?
basis/regeling datgene op basis waarvan de betaling dient te geschieden
reden waarom krijgt de ontvanger de finan.-econ. vergoeding?
doel wat gaat de ontvanger ermee doen?
vorm/wijze het betaalmiddel, in de regel: geld
periodiciteit de frequentie waarmee betaald dient te worden
duur de periode tijdens welke betaald dient te worden
tijdstip het tijdstip waarop betaald dient te worden
omvang hoeveel dient betaald te worden?

Het frame en de informatieslots blijken erg nuttig bij het opstellen van didactische definities (zie 3.4) maar ook voor het collocatiepatroon. De collocatoren van een term die ‘financieel-economische vergoeding’ als concepttype heeft gekregen, hebben te maken met: ontvangst, betaling, regeling/vaststelling/bepaling, omvang, reden, doel, thema en tijd.

3.4 Van frames naar frame-geleide didactische definities en collocatie-patroon

Traditioneel wordt in verklarende woordenboeken gebruik gemaakt van analytische definities, dit zijn definities die uit een hyperoniem bestaan gevolgd door distinctieve eigenschappen. Vaak is op de valkuilen en zwakheden van zulke definities gewezen: circulariteit, overmatige encyclopedische informatie, onnauwkeurigheid, onduidelijk woordgebruik enz. (cf. Hausmann 1990 en Verlinde et al. 1998). Tegen die achtergrond stellen Verlinde et al. (1998) een nieuwe definitievorm voor, namelijk de definitie in zinsvorm. Die nieuwe vorm betreft echter niet alleen de vorm van de definitie, maar heeft ook een belangrijke impact op de inhoud van de

[p. 483]

definitie zelf. In het Dictionnaire d'apprentissage du françedilais des affaires (Binon et al. 2000) zijn de zinsdefinities gebaseerd op werk van Mel'čuk. Verder dienen definities ons inziens ook gebaseerd te worden op een expliciet systeem, namelijk frames, wat niet het geval is bij Binon et al. (2000). Dit illustreren we aan de hand van verkopen, een werkwoord dat het concepttype ‘actie/operatie’ toegekend kan krijgen en gesubtypeerd kan worden tot ‘transactie’. In het frame van ‘transactie’ zouden de volgende slots prominent zijn:

Concepttype: ‘actie/operatie’
Subtype: transactie
agens degene die de actie uitvoert
thema datgene waarop de actie betrekking
heeft  
begunstigde/doel degene voor wie/hetgeen waarvoor de actie bedoeld is
conditie voorwaarde waaronder de actie plaatsvindt
resultaat resultaat van de actie

In een zakelijke context zou het frame voor verkopen als volgt kunnen worden ingevuld:

Subtype: overdragen
agens particulier, onderneming, organisatie
thema goed, waarde, recht, dienst
begunstigde/doel particulier, onderneming, organisatie
conditie betalen van geld door begunstigde aan agens
resultaat begunstigde wordt bezitter van thema

[p. 484]

Uit het frame blijkt ook dat de werkwoorden die onder het concepttype ‘actie/operatie’ ressorteren het beste met een als-dan-definitie kunnen worden omschreven. Het als-gedeelte bevat de conditie (als iemand iets aan iemand anders verkoopt), het dan-gedeelte bevat de actie (het resultaat als aan de conditie is voldaan). Op basis van bovenstaand frame kan de volgende zinsdefinitie worden afgeleid:

Verkopen:
Als iemand (een particulier, onderneming of organisatie) iets (een goed, een waarde, een recht, diensten) aan iemand anders verkoopt (een particulier, onderneming of organisatie), dan draagt hij in ruil voor geld het volledige en blijvende bezit van een goed enz. aan de ander over.

Zoals reeds gezegd (cf. 3.3), kan het collocatiepatroon van een bepaald concept - althans voor het grootste deel - uit het definitieframe worden afgeleid. Dit leidt volgens ons tot een betere integratie van definitie en collocatie. Collocaties en definities kunnen elkaar immers aanvullen: collocaties vullen definities aan (ze helpen bij het begrijpen) en definities vullen collocaties aan (ze helpen bij het produceren). Didactisch gezien is dit natuurlijk erg nuttig.

In verband met de collocaties moet er een onderscheid worden gemaakt tussen wat Martin (1992) lexicale en conceptuele collocaties noemt. Het verschil kan ik het best illustreren aan de hand van een voorbeeld. In het veertig miljoen woorden corpus dat ten grondslag ligt aan dat deel van het LZN, treffen we een vrij groot aantal voorbeelden met het substantief belasting aan. Het substantief in kwestie kan onder andere gecombineerd worden met werkwoorden (bijvoorbeeld belasting betalen, de belasting gaat omhoog, de belasting verlagen, belasting innen, een belasting heffen en dergelijke) en met adjectieven (bijvoorbeeld de ontdoken belasting, een forse/zware belasting, directe/indirecte belastingen en dergelijke). Collocaties met verba zijn in de regel typische lexicale collocaties. Bij de bovengenoemde combinaties van adjectieven en substantieven komen er zowel lexicale (de eerste drie voorbeelden) als conceptuele collocaties (directe/indirecte belastingen) voor. Conceptuele collocaties duiden in feite hyponiemen van de basis van de collocatie aan: directe/indirecte belastingen zijn specifieke vormen van belastingen. Volgens ons dienen gebruikelijke conceptuele collocaties dan ook in het

[p. 485]

woordenboek apart te worden opgenomen en als zodanig krijgen ze een definitie naast zich.

 

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat de (didactische) voordelen van framegebaseerde zinsdefinities talrijk zijn. In vergelijking met andere definitiemethoden vertonen framegebaseerde definities een grotere consistentie, een grotere flexibiliteit, volledigheid, betere vergelijkings-mogelijkheden en een betere afstemming met collocationele descripties (cf. Martin 1998). Op dat aspect gaat Hiligsmann (te verschijnen) nader in.

3.5 Woordfamilies

Het laatste kenmerk van het LZN dat wij hier willen belichten, is het feit dat wij - naar het voorbeeld van Binon et al. (2000) en Wilmots (2001) - zowel alfabetisch als thematisch te werk gaan. In 2. is erop gewezen dat het DAFA 135 thematische ingangen bevat. Bij elke ingang wordt telkens een woordfamilie onder de loep genomen (bijvoorbeeld COMMERCE: le commerce, la commercialisation, un commerçant, un commercial, commerçant, commercial, [...]). Verder zijn de woordfamilies die ten grondslag liggen aan het DAFA, in semantische netwerken ingebed (bijvoorbeeld commerce → vente, achat, marché, marketing). Wilmots (2001) gaat op dezelfde manier te werk.

Om de domeinen te bepalen, gaan wij in het LZN in eerste instantie uit van het in figuur 2 voorgestelde schema. Elk domein wordt dan in woordfamilies onderverdeeld. Elke woordfamilie bestaat uit een familiehoofd en familieleden. De relatie die er bestaat tussen familieleden en familiehoofd, kan van familielid tot familielid verschillen. Ten opzichte van het familiehoofd kan een familielid namelijk een equivalent (een synoniem) [E], een hyponiem [H] of een verwante term [V] zijn. Binnen het domein human resources vinden we bijvoorbeeld de familie salaris. Tot die familie behoren onder andere de volgende familieleden: fooi, honorarium, loon, provisie [E]; basisinkomen, basisloon, basissalaris, brutoloon [H]; koopkracht, loonakkoord, loonmatiging, loonstop [V].

[p. 486]

3. Conclusie

In deze bijdrage is aangetoond dat het LZN-project zowel een grensoverschrijdend als een grensverleggend project is. De drie partners hebben in de eerste plaats de staatsgrenzen en de grenzen tussen de extra- en de intramurale beoefening van de neerlandistiek overschreden. Daarnaast hebben ze de grenzen van de traditionele lexicografie verlegd. In plaats van klassieke, analytische definities wordt in het LZN-project immers de voorkeur gegeven aan framegebaseerde didactische definities in zinsvorm, waardoor één homogene definitiestijl gebruikt wordt. Verder wordt ook de nadruk gelegd op de combinatoriek. Ten slotte zal het de lezer duidelijk zijn geworden dat het LZN door zijn opzet niet alleen voor extramurale maar ook voor intramurale leerders zakelijk Nederlands ingezet zal kunnen worden.

Bibliografie

Atkins S. et al.: ‘The contribution of FrameNet to practical lexicography’. International Journal of Lexicography 16-3, 333-357 (2003).
Baalen, Chr. van: Taal in zaken. Zakelijk Nederlands voor anderstaligen. Utrecht, 2003.
Binon, J. et al.: Dictionnaire d'apprentissage du français des affaires. Parijs, 2000.
Hausmann, F.J.: ‘La définition est-elle utile? Regard sur les dictionnaires allemands, anglais et français’. J. Chaurand en F. Mazière (red.), La définition. Centre d'études du lexique. Parijs, 225-235 (1990).
Héroguel, A.: ‘Zakelijk Nederlands: een andere benadering’. C. Henn (red.), n/f Onderzoek en praktijk tussen twee talen 2, 155-163 (2003).
Hiligsmann, Ph. (red.): ‘Handelingen van het colloquium Wat met de studie Nederlands als vreemde taal in het hoger onderwijs in Franstalig België?’. ANBF-Nieuwsbrief 3, 9-58 (1998).
[p. 487]
Hiligsmann, Ph.: ‘Het ideale leerderswoordenboek van economische en financiële termen’. ANBF-Nieuwsbrief 4, 47-57 (1999).
Hiligsmann, Ph.: ‘Goede didactische definities: hoe maak je die?’. Lezing op het colloquium Neerlandistiek in Frankrijk en in Franstalig België. Louvain-la-Neuve, 15-17 maart 2004.
Hiligsmann, Ph. et al.: Project Leerwoordenboek zakelijk Nederlands. Voorstudie. Intern rapport voor de Nederlandse Taalunie, 2002.
Janssens, G. (red.): Welk nieuw profiel voor de studie Nederlands? Leuven, 2001.
Johnson, C.R. et al.: FrameNet: theory and practice. Te vinden op http://www.icsi.berkeley.edu/˜framenet/book/book.html, 2002.
Kowalska, A.: ‘Thematische woordenlijsten: hoe maak je die aan?’ G. Elshout et al. (red.), Perspectieven voor de internationale neerlandistiek in de 21ste eeuw. Woubrugge, 419-426, 2001.
Martin, W.: ‘Niet ieder (leer)woordenboek is een leerwoordenboek’. Toegepaste Taalkunde in Artikelen 27, 60-68 (1987).
Martin, W.: ‘Remarks on collocations in sublanguages’. Terminologie et traduction 2/3, 157-164 (1992).
Verlinde, S. et al.: ‘Redéfinir la définition’. Th. Fontenelle et al. (red.), Actes Euralex '98 Proceedings. Luik, 1998.
Wilmots, J.: Beknopt woordenboek Nederlands-Pools voor de zakenwereld. Deel 1: thematische lijst. Deel 2: alfabetische lijst. Diepenbeek, 2001.