|
|
|
| |
| | | |
Nederlands in Suriname, een geslaagd resultaat van taalpolitiek
Lila Gobardhan-Rambocus (Paramaribo)
Inleiding
Suriname ligt aan de noordoostkust van Zuid-Amerika, wordt gerekend tot het Caraïbisch gebied en telt ongeveer een half miljoen inwoners. Het land is in 1651 gesticht door Engelse staatsburgers. Tijdens de tweede Engelse oorlog (1665-1667) werd de volksplanting door Nederlanders veroverd op de Engelsen.1 Bij de Vrede van Breda in 1667 mocht Nederland Suriname behouden in ruil voor Nieuw-Amsterdam, het tegenwoordige New York. Vanaf toen is het Nederlands de officiële taal en heeft het zich goed kunnen handhaven. Vanaf 1688 werden regelmatig plakkaten, ordonnantiën en andere wetten uitgevaardigd waarin geschreven stond dat de bewoners - die niet alleen uit Nederland kwamen - verplicht werden in formele situaties de officiële taal te gebruiken (Schiltkamp en De Smidt 1975: 5; 75; 179; 655). Toen in 1876 de leerplicht werd ingesteld en het Nederlands de schooltaal werd, was het onderwijs bij uitstek het middel tot vernederlandsing van de samenleving. Van een aanvankelijk opgelegde taal werd het Nederlands in de loop van de tijd een eigen taal, de taal van de maatschappelijke vooruitgang. Dat proces kwam vooral goed op gang tijdens de autonomie (1954-1975). In mei 2006 hebben we kunnen vaststellen, onder andere naar aanleiding van de op de Nederlandse televisie (BVN) uitgezonden interviews met Surinaamse binnenlandbewoners die
getroffen waren door de watersnoodramp, dat deze groep naast de eigen talen ook ‘vlot, beschaafd en zonder aarzeling’ de Nederlandse taal gebruikte, iets wat Lichtveld (Albert Helman) in 1956 al een vereiste vond voor elke Surinamer om zich te kunnen handhaven in de wereld (Gobardhan-Rambocus 1993:150).
Tijdens de autonomie en na de onafhankelijkheid in 1975 zijn vooral beleidsbepalingen van bestuurders en opvattingen van taalgebruikers zeer belangrijk. Hierdoor - gebruikersopvattingen en overheidsbeleid - zal Suriname nog heel lang het Nederlands als officiële taal hanteren.
| |
| | | |
Meertaligheid
Suriname is sedert zijn ontstaan een meertalige gemeenschap. De meertaligheid omvatte in de zeventiende eeuw indianentalen, Engels, Spaans en Portugees,2 Nederlands en een pidgin (contacttaal) dat zich ontwikkelde tot een creooltaal, tegenwoordig Sranan genoemd. Daar kwamen vanaf het laatste kwart van de zeventiende en in de achttiende eeuw nog Frans en de Marrontalen bij.3 Kort vóór (1853) en na de afschaffing van de slavernij in 1863 werden contractarbeiders gehaald uit Azië, die ook hun talen meenamen: Hakka of Keija, een Zuid-Chinese taal (Tjon Sie Fat 2002: 233), Hindostaanse talen uit Brits-Indië en het Javaans uit Nederlands-Indië. In de twintigste eeuw kwamen hier nog bij: het Libanees Arabisch, het Haïtiaans Creools, het Guyanees Engels, het Braziliaans en het Mandarijn-Chinees. Aan het begin van de twintigste eeuw maakte de gouvernementssecretaris C.F. Schoch een wandeling langs de Waterkant, toen het handelscentrum van Paramaribo, en stelde vast dat de mensen daar de volgende talen gebruikten: Nederlands, Negerengels, Frans, Engels, Duits, Portugees, Syrisch, Chinees, Maleis, Javaans, Hindostaans, Nagri, Urdu, Bosnegerengels en Papiamento (Schoch 1903: 109; Gobardhan-Rambocus 2001: 111-112). Deze opsomming is een aardige illustratie van de Surinaamse meertaligheid toen. Anno
2006 worden Frans, Duits en Papiamento niet meer als zodanig gebruikt en zijn als nieuwe talen aan dit spectrum toegevoegd het Mandarijn-Chinees en het Braziliaans. Negerengels en Bosnegerengels, zo genoemd door Schoch, zijn creooltalen, jonge talen, ontstaan als contacttaal (pidgin), die in dit geval als basis hebben een of meer Europese talen en Afrikaanse talen. Hindostaans, Nagri en Urdu, ook weer volgens Schoch, zijn talen die de Brits-Indische immigranten naar Suriname brachten en die zich ontwikkelden tot een nieuwe taal, het Sarnami, dat ook onder invloed staat van andere in Suriname gebruikte talen. Het Sranan en het Sarnami behoren samen met de marrontalen tot de nieuwe talen van Suriname.
De invloed van het Sarnami en de marrontalen beperkt zich net als de in de opsomming van Schoch genoemde talen tot de eigen cultuurgroep, wat niet geldt voor het Sranan. Dat is een algemene omgangstaal, een lingua franca, die gebruikt wordt in het maatschappelijk verkeer op alledaags niveau. Het Sranan en het Nederlands werden vroeger tot op zekere hoogte dus het meest gebruikt. Dat is anno 2006 ook het geval. Zowel het Nederlands als het Sranan waren onderwijstaal; vanaf 1760 bestonden er, weliswaar niet veel, scholen voor vrije negers en kleurlingen. Slavenkinderen kregen vanaf 1793 godsdienstonderwijs in het Sranan. Deze kinderen mochten alleen leren lezen, vanaf 1832 mocht dat op ruimere schaal en sedert 1844 mochten ze ook schrijven.
| |
| | | |
Nederlands versus Sranan en omgekeerd
In 1876 wordt de leerplicht ingevoerd voor kinderen van zeven tot twaalf jaar en de instructietaal wordt het Nederlands. Van alle hierboven genoemde talen hadden en hebben het Nederlands als de officiële taal, en het Sranan als de algemene omgangstaal het grootste bereik. Er was sprake van een voortdurende botsing tussen deze twee talen.
Het Sranan heeft in de loop der tijd een wisselende status gehad: van verguisd tot geaccepteerd (Essed-Fruin 1983). Dat is heel goed te lezen in de benaming. Van Negerengels en Taki-taki - dat geklets, praatjes, kletsen betekent - werd het Nengre, Nengretongo (Negertaal) en vanaf het midden van de twintigste eeuw Sranantongo of Surinaams. Tegenwoordig spreken we over het Sranan. Het Nederlands was de taal van de maatschappelijke vooruitgang en het Sranan was de taal die deze vooruitgang belemmerde, meende men in 1876. De belichaming van deze opvatting was de inspecteur voor het onderwijs, H.D. Benjamins.4
Het vakkenpakket van de onderwijsverordening waarin ook de leerplicht was opgenomen (Gouvernementsblad, G.B, 1877, no. 10) kwam overeen met dat van het lager onderwijs in Nederland. Op een deel van de scholen, met name op de meeste scholen van de Evangelische Broedergemeente (scholen van de Hernhutter zending), was het Sranan de voertaal. De gemeente werd nu dus verplicht onderwijs in het Nederlands te verzorgen. Dat was toen een hele opgave, omdat vooral Duitssprekende zendelingen en onbevoegde Surinamers er het onderwijs verzorgden (Gobardhan-Rambocus 2001: 179). Toen de inspecteur dreigde met het stopzetten van de jaarlijkse subsidie kwam daar verandering in. Bevoegde onderwijzers werden uit Nederland aangetrokken en aan de kwaliteit van de Surinaamse onderwijzers werd gewerkt, waardoor aan de subsidievoorwaarden voldaan kon worden. Toch bleef de Evangelische Broedergemeente moeite houden met de verplichting het Nederlands als voertaal in de school te hanteren, omdat zij bang was de controle over haar onderwijs te verliezen (ibidem, 284). In die periode en zeker tot de jaren dertig van de twintigste eeuw was dat onderwijs voornamelijk zendingsonderwijs, het verkondigen en verbreiden van het evangelie (ibidem, 279); het instrument daarvoor was de moedertaal, in casu Sranan.5
Nakomelingen van slaven spraken dus Sranan, volgden onderwijs, meestal in het Sranan, en Benjamins, de inspecteur, meende dat dit nageslacht zich alleen maatschappelijk zou kunnen verheffen als het Nederlands leerde. Het Sranan zag hij als een groot struikelblok voor het onderwijs. Hij begreep evenwel dat het zinloos was mensen te verbieden hun moedertaal te gebruiken:
Men zou een onverbeterlijke utopist moeten wezen en geheel onbekend met de taaiheid van het leven der talen, om te durven hopen, dat het
| | | |
Negerengelsch, door welke dwangmiddelen ook, zal kunnen worden verdrongen. [...] Maar al kan men het Negerengelsch niet verdringen, men kan het Hollandsch verder verspreiden en langzamerhand even algemeen maken als haar mededingster. Vereende kracht van allen, die hierop invloed kunnen uitoefenen, is noodig [...] (Koloniaal verslag 1880, 12).
Vooral onderwijzers hebben, volgens Benjamins, hun best gedaan ‘het Hollandsch meer algemeen ingang te doen vinden’. Mede als gevolg daarvan werd in twaalf jaar tijd het Nederlands in Paramaribo algemener begrepen dan vroeger en ook het actieve Nederlandse taalgebruik was vooruitgegaan, schreef hij in het onderwijsverslag over 1891 (ibidem 1892: 10).
Het Sranan verdween uit de school, maar niet uit het leven van de mensen. Ook de nieuwkomers, de vele contractarbeiders, maakten zich het Sranan eigen. Al deze bewoners bleven in eigen kring hun moedertalen gebruiken, maar ze realiseerden zich tegelijkertijd dat het voor hun sociale mobiliteit belangrijk was dat ze Nederlands kenden. Ze zouden anders tweederangsburgers blijven in een samenleving waarbinnen het koloniaal bestuur ernaar streefde van Suriname een Nederlandstalige gemeenschap te maken. Binnen één generatie heeft een groot deel van de bewoners zich het Nederlands dan ook eigen gemaakt.
| |
Beleid en opvattingen
Vanaf 1948, als de autonomie vorm begint te krijgen, zijn met instemming van of op verzoek van de overheid twee taalonderzoeken uitgevoerd en drie taalcongressen gehouden, die ook bepalend zijn geweest voor de taalsituatie. In 1949 wordt een aanvang gemaakt met een eerste groot taalonderzoek onder leiding van de hoogleraren Hellinga en Pée.6 Tijdens dit onderzoek is vooral nagegaan welke problemen de Nederlandse taal ondervond bij verdere verspreiding via met name het onderwijs. Hiervoor is ook de taalsituatie in ogenschouw genomen. De uitkomsten, die Hellinga zowel in een rapport (Nat. Arch. Culturele Samenwerking 1948-1990. 2.19.114. invoernr. 56: Rapport over taalonderzoek in Suriname 1952: 21) als in twee publicaties daarna (Hellinga 1955, 1958) wereldkundig maakte, vielen niet in goede aarde bij de Surinaamse overheid. Hellinga had onder meer vastgesteld dat er een klein aantal Nederlandstaligen was, dat ‘buitengewoon waardevol was voor de verbreiding van de Nederlandse taal’. Die taal werd op school aangeboden als was het de moedertaal van alle leerlingen. Hij pleitte dan ook voor opvang in de moedertaal en voor taalonderwijs dat we tegenwoordig Nt2-onderwijs noemen. Het bleek hem bovendien heel duidelijk dat er sprake was van een nieuwe variant van het Nederlands, die we nu Surinaams-Nederlands noemen. En dat werd hem, naar mijn oordeel, het zwaarst aangerekend. De
| | | | Creoolse elite accepteerde niet dat zich een eigen Nederlands ontwikkelde,7 omdat zij zo Europees mogelijk Nederlands wensten te spreken.8 Hellinga meende dat de overheid de Surinaamse variant moest accepteren en deze opvatting werd als bedreigend ervaren. Hellinga werd niet meer betrokken bij het te ontwikkelen taalonderwijsbeleid (Gobardhan-Rambocus 1988: 40-41; 2001: 441-442).
Bij het tweede taalonderzoek rond 1977-1978 wenste de overheid na te gaan welke rol het Nederlands speelde in de meertalige samenleving; of het gehandhaafd kon worden en welke taal zijn rol eventueel zou kunnen overnemen. Het onderzoek was groots opgezet, maar de resultaten werden niet bekend, omdat de financiën wegvielen vanwege de abrupte stopzetting van de ontwikkelingssamenwerking (Gobardhan-Rambocus 2001: 503).
Vanaf de autonomie zijn er drie taalcongressen geweest: in 1956, 1963 en 2005. Van de eerste twee kan gezegd worden dat ze belangrijk waren voor de beeldvorming over en de positie van het Nederlands. In 1956 werd in Suriname nog verwacht dat Surinamers accentloos Nederlands spraken, wat natuurlijk een onmogelijke opgave was: ons Nederlands was reeds lang ingekleurd.9 In 1963 hielden zowel Henny de Ziel als Eva Essed-Fruin een pleidooi voor het Surinaams-Nederlands en dat sloeg aan (Gobardhan-Rambocus 1988: 31-34; 1993: 150-152; 2001: 476-478). Het Surinaams-Nederlands was de schaamte voorbij.
Tijdens het derde congres, in januari 2005, was er nog nauwelijks discussie over de positie van het Nederlands; die was toen al voor iedereen duidelijk. Suriname was kort daarvoor als geassocieerd lid toegetreden tot de Nederlandse Taalunie (NTU). De president van Suriname legde er bij de opening van het congres opnieuw de nadruk op dat Suriname nog lang een gemeenschap zal blijven waarbinnen het Nederlands een belangrijke rol zal vervullen: het zal vooralsnog de officiële taal blijven. Het onderwijs in en van het Nederlands in Suriname stond als congresthema centraal. Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de NTU, benadrukte in haar bijdrage dat bij activiteiten van de Taalunie het onderwijs in het Nederlands nadrukkelijk tegen de achtergrond van de Surinaamse meertaligheid geplaatst zal worden (Van den Bosch 2005).
| |
Wat waren/zijn de opvattingen van taalgebruikers?
Allereerst wil ik stellen dat ik van mening ben dat de positie van het Nederlands na de onafhankelijkheid steeds sterker is geworden. Dat valt niet alleen waar te nemen door een wandeling in het centrum van Paramaribo en een bezoek aan de verschillende districten en het binnenland, maar het blijkt vooral ook uit verschillende onderzoeken van de afgelopen twintig jaar.
In onderzoek van Deprez en De Bies (1985: 192-193) kwam naar voren dat Creolen uit de hogere klasse vaker het Nederlands als thuistaal hebben en dat
| | | | Hindostanen tweetalig worden opgevoed. De cijfers van de laatstgehouden volkstelling (Volume IV, mei 2006: 23; 32) laten zien dat de meest gesproken taal in het huishouden het Nederlands is (46,6%) en de tweede taal het Sranan (37,0%).
In 1997 is er op de jaarbeurs een enquête gehouden. De meeste personen (mannen en vrouwen) kozen voor het Nederlands (46%) als de nationale taal van Suriname; op de tweede plaats Engels (31%) en de derde plaats Sranan (21%). In 2001 deden Badal en Mitrasing (2002) onderzoek voor een cultuurbeleid in Suriname onder 3161 scholieren en 675 volwassenen. Voor 70,7% van de jongeren was het Nederlands de taal die ze het beste spraken, van de volwassenen 57%. De meest gesproken taal was voor 67,9% van de scholieren het Nederlands, voor de volwassenen was dat 58,1%; 87,6% van de scholieren en 83,95% van de volwassenen was tevreden met het Nederlands als officiële taal. Als tweede taal zou 52,3% van de jeugd graag het Engels willen en 64,3% van de volwassenen. Voor wat het lezen en schrijven betreft, kon 82,9% om 90,8% het beste lezen in het Nederlands en voor het schrijven was dat 81,8 om 92,3% (ibidem: 35-36). Ook deze cijfers worden ondersteund door de volkstelling (2004). Uit gegevens van de laatste volkstelling blijkt dat het overgrote deel (74,1 %) van de bevolking ouder dan zes jaar kan schrijven (Landelijke resultaten 2005: 21). Schrijven betekent in dit geval in het Nederlands. Omdat de instructietaal in het onderwijs het Nederlands is, kan wie naar school gegaan is, niet alleen schrijven en lezen, maar ook het Nederlands communicatief gebruiken.
Toch vroeg men zich vanaf de onafhankelijkheid af of het niet wijs zou zijn te kiezen voor een andere officiële taal vanwege de ligging van Suriname. Ook na de toetreding van Suriname tot de Caricom (Caribbean Community) in 1995 ging deze discussie door. De meest voor de hand liggende keuze was die voor het Engels, niet alleen vanwege de regio, maar ook omdat het Engels beschouwd wordt als de taal van de wetenschap en de economie. Vooral rond het Taaluniecongres in 2005 laaide deze discussie weer op via krantenartikelen en interactieve radioprogramma's. Weinig mensen realiseren zich echter dat zo'n overschakeling alleen mogelijk is via een lang en zeer kostbaar onderwijsproces. Wat wel opvallend was dat bij deze laatste discussies keuzes gemaakt werden voor het Nederlands. Iedereen was wel van oordeel dat het Engels ook voor Suriname een belangrijke taal zal worden. Hoewel binnen de Caricom ook het Nederlands, Spaans en Frans als werktalen erkend zijn, geschiedt de communicatie zowel mondeling als schriftelijk vooralsnog in het Engels. Voor het functioneren van Suriname in de regio is Engels dus belangrijk, wat inhoudt dat in ieder geval hoger opgeleiden wel een goede beheersing van het Engels zullen moeten hebben.
| | | |
Uit het bovenstaande kunnen we opnieuw concluderen dat in de Surinaamse meertaligheid de meer dan twintig talen hun eigen domeinen hebben en dat sedert de instelling van de leerplicht de talen met het meeste bereik, het Sranan en het Nederlands, elkaars concurrenten zijn, maar gaandeweg het ontwikkelingsproces zien we ook dat hun terreinen afgebakend werden. Het Sranan wordt meer gebruikt in de informele en het Nederlands in de formele sfeer. Ze hebben beide een unificerende functie en voorlopig zullen ze elkaar blijven beconcurreren, omdat het Nederlands ook in het sfeergebied van het Sranan ruimte zal innemen.
| |
| | | |
Bibliografie
| Benjamins, H.D. en J.F.Snelleman: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië. 's-Gravenhage etc., 1914-1917 [facsimile-uitgave: Amsterdam, 1970.] |
| Bosch, Linde van den: ‘Onderwijs: taal centraal’. Nederlands in Suriname. Tijdschrift van de Surinaamse Vereniging van Neerlandici 9/10, 2/1, 8-10 (2005). |
| Deprez, Kas, en Renata de Bies: ‘Creolen en Hindustanen over Nederlands, Sarnami en Sranan: een onderzoek in Paramaribo’. Oso. Tijdschrift voor Surinamistiek 4, 2, 191-211 (1985). |
| Essed-Fruin, E.D: ‘De veranderende status van het Sranan’. De talen van Suriname. Achtergronden en ontwikkelingen. Red. Eddy Charry et al. Muiderberg, 1983. |
| Gobardhan-Rambocus, Lila: ‘De Surinaamse meertaligheid’. Oso. Tijdschrift voor Surinamistiek 25, 1, 131-148 (2006). |
| Gobardhan-Rambocus, Lila: Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taalen onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975. Zutphen, 2001. |
| Gobardhan-Rambocus, Lila: ‘Het Surinaams Nederlands’. Immigratie en ontwikkeling. Emancipatieproces van contractanten. Red. Lila Gobardhan-Rambocus en Maurits S. Hassankhan. Paramaribo, 1993, 140-158. |
| Gobardhan-Rambocus, Lila: Taalbeleid en taalsituatie tijdens het Statuut. Een beschouwing. Paramaribo/Utrecht, 1988 [doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Utrecht]. |
| Gouvernementsblad (GB) 1877, no. 10. |
| Hellinga, W.Gs: Rapport over taalonderzoek in Suriname: Nat. Arch. Culturele Samenwerking 1948-1990. 2.29.114. invoernr. 56, 1952. |
| Hellinga, W.Gs: Language problems in Suriname. Dutch as the language of the schools. Amsterdam, 1955. |
| Hellinga, W.Gs: ‘Kansen voor het Nederlands in Suriname’. Album Edgard Blancquaert. Tongeren, 1958. |
| Koloniaal Onderwijscongres, 1919. |
| Koloniaal Verslag 1880. |
| Koloniaal Verslag 1892. |
| Mitrasingh, B.S. en C.R. Badal: Een nationaal onderzoek voor een cultuurbeleid in Suriname. Verslag van een enquête onder 3.161 scholieren en 675 volwassenen. Paramaribo: Unescoproject 00 SUR 602, 2002. |
| Schiltkamp, J.A., en J.Th. de Smidt (eds.): West Indisch Plakaatboek. Plakaten, ordonnantiën
|
| | | |
| en andere wetten, uitgevaardigd in Suriname. Deel I 1667-1761; deel II 1761-1816. Amsterdam, 1973. |
| Schoch, C.F.: ‘Suriname, eene Amerikaanse kolonie?’. Neerlandia, maandblad van het Algemeen Nederlandsch Verbond 107, (1903). |
| Tjon Sie Fat, Paul Brendan: ‘Kejia. A Chinese language in Suriname’. Atlas of the languages of Suriname. Red. Eithne B. Carlin en Jacques Arends. Leiden, 2002. |
| Zamuel, Hesdie S.: Johannes King Profeet en apostel van het Surinaamse Bosland. Zoetermeer, 1994. |
| Zevende algemene volks- en woningtelling in Suriname. Landelijke resultaten. Volume I. Demografische en sociale karakteristieken. Paramaribo: Algemeen Bureau voor de Statistiek, Censuskantoor, 2005. |
| Zevende algemene volks- en woningtelling in Suriname. Landelijke resultaten. Volume IV. Huishoudens, gezinnen en woonverblijven. Paramaribo: Algemeen Bureau voor de Statistiek, Censuskantoor, 2006. |
|
1Nederland (toen de Zeven Verenigde Nederlanden geheten, op het toppunt van zijn roem, de Gouden Eeuw) en Engeland hebben vier oorlogen gevoerd in de zeventiende en de achttiende eeuw, die bekend staan als de Engelse oorlogen: 1652-1654; 1665-1667; 1672-1674; 1780-1784. De inzet was de macht over de wereld en de wereldzeeën. Een strijd die uiteindelijk in het voordeel van Engeland beslist werd.
2Een deel van de sefardische joden, om hun godsdienst verdreven uit Spanje en Portugal, vestigde zich via Brazilië, Frans-Guyana en soms ook Barbados in de kolonie. Deze joden waren vermogend en met hun kennis van de suikercultuur stichtten ze suikerplantages. Hiernaast waren er ook tabaksplantages.
3Hugenoten, Franse calvinisten vervolgd om hun geloof, vestigden zich meestal via Amsterdam in Suriname.
4Hij heeft meer dan dertig jaar in deze functie gediend en heeft hiermede als geen ander de basis gelegd voor het Surinaamse onderwijs en de sociale zekerheid voor onderwijzers. Zijn inspanningen hebben in 1888 onder meer geleid tot een pensioenregeling voor onderwijzers.
5Een van de uitgangspunten van de grondlegger, de graaf van Zinzendorf (1700-1760), was dat het evangelie in de taal van de mensen tot ze gebracht moest worden. De zendelingen moesten zich dan ook inspannen de taal en de cultuur van de mensen te leren kennen om zodoende de weg tot hun hart te vinden (Zamuel 1994: 115).
6W.Gs Hellinga (1908-1985) was van 1946-1978 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
W. Pée (1903-1986) was van 1939-1957 verbonden aan de Universiteit van Luik en van 1957-1971 aan de Universiteit van Gent.
7De creoolse elite kwam voort uit de klasse van vrije kleurlingen en gemanumitteerden, die zich in de achttiende eeuw begon te ontwikkelen. Deze groep gebruikte het Nederlands om zich van de slaven te onderscheiden. Manumissie is vrijgeving van slaven (akte van invrijheidstelling van een slaaf). Suriname kende vanaf 1733 een reglement hiervoor. Manumissie kostte veel geld en gemanumitteerden moesten zich aan allerlei regels onderwerpen. In 1850 werden de kosten die hiermee gepaard gingen, opgeheven en de formaliteiten vereenvoudigd (Benjamins en Snelleman, 1914-1917: 462-464).
8Ter gelegenheid van emancipatiedag (75 jaar) meende mr. J.C. de Miranda, de eerste voorzitter van het College van Algemeen Bestuur in 1949, dat de Surinamer zich ontwikkeld had tot een volkomen Nederlander, een feit dat geen nader bewijs behoefde (Gobardhan-Rambocus 2001: 435). Zie ook Gobardhan-Rambocus 2006: 135-136.
9Tijdens het Tweede Koloniaal Onderwijscongres in 1919 in Den Haag begon een Surinamer, een zekere Plat, zich te eerst te verontschuldigen voor zijn uitspraak en klemtoon van Nederlandse woorden en deed een hartstochtelijk beroep om Surinames kinderen onder meer aan beschaving te helpen. In zijn waarneming sprak hij zelf vreselijk plat (Gobardhan-Rambocus 2001: 252-253).
|
|