1.2 Verantwoording van de transcriptie
Voor de transcriptie heb ik gebruikgemaakt van kopieën van foto's van de eerste druk van het
eerste deel van de Historie (1569) uit de bibliotheek van de Opleiding
Nederlands van de universiteit te Leiden. Dit zijn foto's van het exemplaar dat
onder nr. II 76483 aanwezig is in de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel.
Deze kopieën zijn gecollationeerd met het exemplaar dat zich in de Dousakamer van de
Leidse universiteitsbibliotheek bevindt (signatuur 1499 F 35). Beide exemplaren van het boek
stemmen geheel overeen.
De Historie is gedrukt in de textura. Sommige stukken (Latijnse citaten,
spotgedichten) zijn echter gezet in een cursieve letter (italiek). Ik heb getracht de tekst zo
precies mogelijk weer te geven in modern schrift, zonder in te grijpen in spelling of alinea-indeling. Een enkele fout in de foliëring is zonder nadere verantwoording gecorrigeerd.
Afkortingen heb ik wel opgelost en cursief gezet (in cursieve tekst romein). Kennelijke
zetfouten heb ik laten staan, met daarbij in een voetnoot gemarkeerd met een asterisk, de tekst lees: en het m.i. juiste
woord. Dikwijls gaat het daarbij om een letter u die ondersteboven in het zetsel
terechtgekomen is, en dan als een n gelezen wordt. In een enkel geval heb ik een ontbrekende
letter tussen vierkante haken aan de tekst toegevoegd.
De spelling is zo precies mogelijk overgenomen. Het verschil tussen hoofd- en kleine letters is
gehandhaafd als in het oorspronkelijke werk. Ook is het gebruik van i, j, u, v en w niet
aangepast aan het moderne gebruik. Er is in de transcriptie echter geen verschil gemaakt
tussen de ‘lange’ en de ‘gewone’ s in de oorspronkelijke druk, en evenmin tussen
de beide vormen van de onderkastletter r. Woorden die aan het eind van een regel zijn
afgebroken (al of niet met een afbreekstreepje), zijn in de transcriptie als één woord
opgenomen.
De oorspronkelijke druk is gefolieerd, d.w.z. dat elk blad een nummer heeft dat zowel
betrekking heeft op de voorzijde van het blad (recto) als op de achterzijde (verso). De
rectobladzijden zijn daardoor steeds de rechterpagina's; bij een moderne paginering zouden
dat dus de oneven pagina's zijn. In de tekst is de foliëring vermeld. Het boek bevat 272
genummerde folia; het titelblad en de Voorreden (4 folia) zijn niet in de foliëring opgenomen.
In de Historie is gewoekerd met de ruimte op de bladzijden, waarschijnlijk om
(duur) papier te sparen. In de oorspronkelijke tekst staan dan ook nauwelijks witregels of zijn
er alinea-overgangen aangegeven (soms wel, als een dubbele spatie). In de transcriptie heb ik
deze opmaak gevolgd.
In de transcriptie zijn de namen van historische personen, topografische plaatsen en
bijbelplaatsen gecodeerd. Dit ontsluit de tekst en biedt de lezer de mogelijkheid om via
registers toegang te krijgen. De begrippen ‘historische personen’ en ‘topografische
plaatsen’ heb ik daarom ruim geïnterpreteerd. Zo heb ik ook bijbelse figuren meestal als
‘historische persoon’ gecodeerd, vooral omdat zij in de tekst van de preken dikwijls als
historische figuren gepresenteerd worden. Als topografische plaatsen heb ik ook straten en
huizen opgenomen.
Voor de registers heb ik alle namen genormaliseerd, dat wil zeggen dat ik er één spelling voor
heb gebruikt en de meest gebruikelijke (moderne) vorm ervan heb gekozen. Zo wordt de
Spaanse hertog die in Nederland als Alva bekend staat, in de Historie vrijwel altijd Duc dAlue
genoemd. In het register staat hij als Alva, hertog van. Bij personen heb ik in het register soms
een korte omschrijving toegevoegd. Een uitgebreide beschrijving van de vele personen en
plaatsen die in de Historie genoemd worden, zou bijzonder wenselijk zijn, maar valt
voorlopig buiten het bestek van deze publicatie. Wel heb ik een aanzet daartoe opgenomen in
2.4. Ik hoop in een volgende editie meer over de genoemde personen te kunnen zeggen en ook
de plaatsen te bespreken. In het personenregister heb ik overigens de ingangen Jezus en
Christus apart opgenomen, vooral omdat in de Historie de naam Christus meestal een
verwijzing naar Christus als historische figuur is, terwijl Jezus meest als uitroep voorkomt.