2.4 Personen in de Historie
In de Historie worden bijzonder veel personen genoemd, soms zelfs in hele reeksen, zoals
opsommingen van heiligen, ketters of tirannen. Hierboven heb ik al betoogd, dat een
uitgebreide beschrijving van alle genoemde personen wenselijk zou zijn, maar vooralsnog niet
mogelijk is. Toch wil ik een aanzet geven tot een lijst van personen die in de Historie
voorkomen, met een kleine en wat willekeurige keuze daaruit. De namen zijn alfabetisch
gerangschikt.
Als bron van het onderstaande heb ik veel gebruikgemaakt van de encyclopedie op CD-ROM
Encarta 99, Winkler Prins Editie. Ook op het internet is veel informatie te vinden. Helaas is de
betrouwbaarheid daarvan zelden goed te controleren.
Alva. De naam van de Spaanse militair die in onze gebieden als Alva de
geschiedenis in is gegaan, luidt Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva (1507-1582).
Hij was van oude Spaanse adel en was als ervaren strateeg een belangrijke steun van
Karel V en zijn zoon Filips II in hun strijd tegen de
reformatie. In de Nederlanden speelde hij daardoor een belangrijke rol in de beginfase van de
Tachtigjarige Oorlog.
Na de Beeldenstorm (1566) werd hij naar de Nederlanden gezonden om de Opstand te
onderdrukken. Hij had daarvoor de beschikking over een goed getraind leger van ca. 10 000
man. In augustus 1567 kwam hij in Brussel aan, waar hij de landvoogdij
overnam van Margaretha van Parma. Voor de berechting van ketters en het
tegengaan van het oproer stelde hij direct een bijzonder gerechtshof in, de Raad van
Beroerten, die al snel de bijnaam Bloedraad kreeg vanwege de vele doodvonnissen. Vooral
Alva's stugge en rechtlijnige houding bracht Filips II er in 1572 toe,
Requesens als zijn opvolger naar de Nederlanden te zenden.
Aremberg of Arenberg. De veelvuldig door Broer
Cornelis geroemde graaf van Aremberg is Jan de Ligne, baron van
Barbançon (1525-1568). Hij was een staatsman en militair uit de zuidelijke Nederlanden, die
in 1547 de naam en de bezittingen van de heren van Arenberg had verworven door zijn
huwelijk met Margaretha van der Mark. In 1560 werd hij door Filips
II benoemd tot stadhouder van Friesland, Drenthe, Groningen en de Ommelanden,
Overijssel en Lingen. Bij het begin van het verzet tegen Filips II koos hij de Spaanse zijde
(1566) en keerde zich als goed katholiek scherp tegen de calvinisten in zijn gewesten. Hij
sneuvelde in de slag bij Heiligerlee tegen Lodewijk van
Nassau. [Encarta]
Arius (Gr. Areios, ca. 250-336), was diaken en priester te Alexandrië. Hij
verdedigde het standpunt dat Christus door generatie is voortgekomen en daarom niet
goddelijk is, zoals God de Vader dat wel is. Christus is in zijn visie een schepsel, en dus
menselijk. Hij mocht als hoogste onder de mensen wel ‘god’ genoemd worden, maar
alleen God de Vader is God. Dit standpunt veroorzaakte een langdurig en heftig dispuut over
de verhouding tussen de Vader en de Zoon, dat pas beslecht werd op het eerste concilie van
Nicaea (bijeengeroepen door keizer Constantijn de Grote in 325), waar de leer
werd afgewezen. [Encarta]
Athanasius (Alexandrië, ca. 295-373), kerkvader, was patriarch van
Alexandrië. Hij werd geëerd en gevreesd om zijn religieuze vasthoudendheid. Als diaken
vergezelde hij zijn bisschop in 325 naar het concilie van Nicaea. In 328 werd hij patriarch van
Alexandrië, waardoor hij veel invloed verwierf. Hij geloofde onwrikbaar in de goddelijkheid
van Christus en weigerde daarom te voldoen aan het keizerlijke bevel om
Arius, die de goddelijkheid van Christus bestreed, weer in de kerk op te
nemen. Athanasius' tegenstanders wisten hem verscheidene malen uit de stad te verbannen of
te doen vluchten, onder meer naar Trier en Rome. Tijdens zijn omzwervingen haalde hij de
banden met de westerse kerk sterk aan. [Encarta]
Beza, Theodorus (Théodore de Bèze, 1519-1605), Frans theoloog, naaste
medewerker van Calvijn. Na Calvijns dood in 1564 volgde hij hem op en
schreef hij diens biografie.
Brederode, Hendrik van (1531-1568), was een van de grondleggers van de
Nederlandse Opstand. De auteur van de Historie laat daarom geen gelegenheid
voorbijgaan om te benadrukken hoe hevig broer Cornelis tegen hem placht uit te varen.
Brederode kwam uit een adellijk geslacht dat in de middeleeuwse geschiedenis van Holland
een grote rol gespeeld heeft. Het ontleende zijn naam aan de heerlijkheid en het voormalige
kasteel bij Santpoort, en bezat ook grote bezittingen in de buurt van
Vianen.
Brederode, die in Brussel geboren was, verbond zich kort na 1560 met de protesterende adel,
ondanks zijn familiebanden met Granvelle en ondanks de gunsten die hij van
Karel V ontvangen had. Hij had felle kritiek op de katholieke geestelijkheid
en op de kleine kring van adviseurs van het centrale gezag. Hij trad toe tot het Verbond der
edelen, maar omdat hij sociaal een tussenpositie tussen de hoge en de lage adel innam, was hij
bijzonder geschikt om als leider van het Eedverbond der (lagere) edelen op te treden.
Hij was een van de eerste ondertekenaars van het smeekschrift en de woordvoerder van de
smekelingen bij de aanbieding ervan aan Margaretha van Parma op 5 april
1566. Hij speelde ook een belangrijke rol bij de onderhandelingen die na de Beeldenstorm met
Margaretha werden gevoerd. Eind 1566 en begin 1567 trachtte hij aanhang voor de
gewapende oppositie te winnen en steunde hij het beginnende verzet in
Antwerpen, Walcheren, 's-Hertogenbosch,
Utrecht en Amsterdam. In Amsterdam verzamelde hij wel
aanhangers om zich heen, maar hij kreeg de stad zelf niet mee. Omdat hij nergens voldoende
steun kreeg, moest hij ten slotte net als Willem van Oranje naar Duitsland
uitwijken (27 april 1567). Vianen, waar hij de Hervorming had toegelaten, werd
daarna door de graaf van Megen veroverd. Eind mei 1568 werd hij bij verstek
veroordeeld door de Raad van Beroerten; hij was op 15 februari echter reeds in ballingschap
overleden op kasteel Harenburg bij Recklinghausen. [Encarta]
Bupalus wordt genoemd in het 36e boek van de Naturalis Historiae
Libri XXXVII van Plinius de Oudere (XXXVI, iv, 11). Deze noemt
hem als zoon van Archermus. Hij zou zeer beroemd zijn geweest om zijn
kennis van de beeldhouwkunst en geleefd hebben in de tijd van de dichter
Hipponax.
Forster noemt het verhaal waaraan in het eindsonnet gerefereerd wordt:
Bupalus had het gewaagd om een karikatuur van Hipponax te maken. Als reactie daarop had
deze hem in een spotdicht zo belachelijk gemaakt, dat de beeldhouwer zich ophing [Forster, p. 281].
Cajetanus, eigenlijk: Thomas de Vío (1469-1534), was
theoloog en generaal van de orde der dominicanen rond het begin van de Reformatie. In 1517
werd hij kardinaal, een jaar later aartsbisschop van Palermo en in 1519 bisschop van zijn
geboortestad Gaeta. Hij trad op als pauselijk gezant op de Rijksdag van Augsburg in 1518,
waar hij in debat ging met Luther. Verder was hij de raadsman van verscheidene pausen,
onder wie Adrianus VI en Clemens VII. Cajetanus was als
wijsgeer en theoloog een scherpzinnige en kritische volgeling van Thomas van
Aquino. Cajetanus' theologie is vooral te vinden in zijn commentaar op Thomas'
Summa theologiae. Naast kleinere monografieën bestaat er van hem ook nog een
commentaar in handschrift op de Sententiae van Petrus
Lombardus. [Encarta]
Calvijn, Johannes (Jean Cau[l]vin, gelatiniseerd als Calvinus, verfranst tot
Calvin, 1509-1564), kerkhervormer, grondlegger van het naar hem genoemde calvinisme.
Aanvankelijk studeerde hij in Parijs voor priester, maar ging later in Orléans en Bourges
rechten studeren, en daarna letteren, weer in Parijs. Hij had humanistische sympathieën. Het
staat niet helemaal vast, wanneer hij zich precies bij de reformatie heeft aangesloten, maar
eind 1533 moest hij Parijs ontvluchten wegens zijn aandeel in de opstelling van een
hervormingsgezinde rede. Hij ging naar Basel, waar hij in in 1536 de eerste versie van zijn
belangrijkste theologische werk, Christianae religionis institutio, publiceerde,
een uiteindelijk zeer invloedrijk werk dat hij steeds heeft uitgebreid en dat in zijn definitieve
vorm uit 1559 vier delen omvatte.
Van 1536 tot 1538 verbleef hij teGenève, waar hij lector en predikant was, maar waarvandaan
hij na een conflict over de positie van kerk en bestuur werd verbannen. Hij vertrok naar
Straatsburg, waar hij tot 1541 bleef en begon met de publicatie van een reeks commentaren op
de bijbel. Ook maakte hij er kennis met zijn geestverwant Melanchthon.
Eind 1541 ging hij op verzoek van de lokale Raad terug naar Genève, waar hij het kerkbestuur
hervormde en poogde dat op bijbelse grondslag samen te smeden met het stadsbestuur. Dat
leidde tot veel spanningen en is hem nooit helemaal gelukt. Vooral de strenge kerkelijke tucht
die hij wenste, bleek een struikelblok. Een van de meest geruchtmakende conflicten was het
lange proces tegen Servetus, die uiteindelijk op de brandstapel terechtgesteld
werd omdat hij zich tegen de Drievuldigheidsleer had uitgesproken (1553).
Calvijn heeft steeds geprobeerd de eenheid binnen de reformatie te bevorderen. Evenals
Luther was hij van mening dat rechtvaardiging uit het geloof alleen kan voortkomen, en vond
hij dat een gelovige de opdracht had om ook in het dagelijkse leven Gods eer te dienen. Hij
beschouwde alleen de doop en het avondmaal als door Christus ingestelde sacramenten.
Vooral tegen dit standpunt laat de auteur van de Historie broer
Cornelis dikwijls en uitvoerig tekeergaan.
Calvijns invloed in Europa was duidelijk, maar verspreid: in de tijd van de Historie waren
vooral het huidige Zwitserland, Zuid-Frankrijk, de omgeving van Parijs en La Rochelle, een
groot gebied in en rond het huidige Hongarije, Schotland en de noordelijke Nederlanden
calvinistisch. [Encarta]
Cassander, Joris (1513-1566), was een humanistische theoloog uit
Brugge, die streefde naar verzoening tussen de protestantse opvattingen en de
traditionele rooms-katholieke leer. Hij propageerde kritisch zelfonderzoek voor de rooms-katholieke kerk en nauwkeurige lezing van de bijbel, zoals veel protestanten ook deden. Zijn
opvattingen lagen in de lijn van die van Erasmus (Bostoen 1997, p. 173 en
180-182). Rome had weinig op met zijn vrijzinnige aanpak en zijn werken kwamen in 1616
op de index.
Dathenus, Petrus (ca. 1531-1588), calvinistisch prediker en auteur, werd in
1555 predikant voor Nederlandse vluchtelingen te Frankfurt am Main en in 1562 te
Frankenthal, waar hij de Heidelbergse Catechismus vertaalde en zijn tot 1773
algemeen gebruikte psalmberijming vervaardigde. Vanaf 1566 was hij actief in de opstand
tegen Spanje en bekleedde hij diverse belangrijke functies binnen de calvinistische beweging
in de Nederlanden. Zijn felle optreden tegen de rooms-katholieken te Gent
(1583) bracht hem in conflict met Willem van Oranje. Hij werd
gevangengenomen en week na zijn vrijlating uit naar Sleeswijk-Holstein. Zijn belangrijkste
betekenis ligt in zijn werk voor de kerkelijke organisatie, de catechese en de liturgie. [Encarta]
Domissent, Boudewijn, op 11 maart 1566 te Brugge als ketter verbrand. Zie verder Hoseus.
Erasmus, Desiderius (Rotterdam, 1469-Basel,1536), geestelijke en filosoof.
Erasmus wordt dikwijls als de grootste geleerde van zijn tijd beschouwd. Het bekendst is hij
geworden als schrijver van Moriae encomium (Lof der Zotheid,
1509), maar zijn grootste wetenschappelijke roem heeft hij verworven met een Griekse
tekstuitgave van het Nieuwe Testament (1516). Hij reisde veel en had contacten
met geleerden in heel Europa. Door de kerkhervormers werd hij beschouwd als een
geestverwant in het roomse kamp, en de rechtzinnigen binnen de rooms-katholieke kerk
vertrouwden hem daarom niet helemaal. Hij heeft lang kunnen voorkomen om openlijk voor
of tegen de reformatie te kiezen, maar uiteindelijk heeft hij zich tegen Luther uitgesproken
(De libero arbitrio, Over de vrije wil, 1524). Wel was hij voorstander van
(eventueel rigoureuze) veranderingen binnen de rooms-katholieke kerk, maar een
kerkscheuring heeft hij nooit gewild. Hij bepleitte verdraagzaamheid en een geloof dat niet op
dogmata gebaseerd was, maar op een zo zuiver mogelijke interpretatie van de oudste
bijbelteksten. [Encarta]
Eugenius II, paus van 824-827. Hij wordt in de Historie op fol.
92v in verband gebracht met Bernardus van Clairvaux , maar dat is vrijwel
zeker een vergissing van de auteur. Bernardus was de leermeester van paus Eugenius III, die ca. 325 jaar later leefde.
Eugenius III, paus van 1145 tot 1153, was een leerling van
Bernardus van Clairvaux. Door verzet in Rome na zijn verkiezing tot paus
trok hij aanvankelijk zeven jaar rond door Noord-Italië, Frankrijk en Duitsland en kon hij zich
pas in 1152 in Rome vestigen. In 1145 kondigde hij de Tweede Kruistocht af, waar men veel
van verwachtte, maar die op een grote mislukking uitliep. [Encarta]
Filips II (1527-1598) was de zoon van keizer Karel V en
Isabella van Portugal. Hij aanvaardde in 1555 het bestuur over de
Nederlanden en werd in 1556 ook koning over Spanje. Zijn bewind wordt gekenmerkt door
onophoudelijke strijd, dikwijls van religieuze aard, zowel binnenslands als daarbuiten.
Rooms-katholieken schilderen hem in de regel af als vroom, plichtsgetrouw en kunstlievend,
terwijl anderen hem achterdochtig, besluiteloos, onbetrouwbaar en wreed noemen. Hij was
een fanatiek aanhanger van het rooms-katholicisme, en de auteur van de
Historie laat broer Cornelis zich daarom dikwijls op hem beroepen. Halverwege
de jaren 60 van de 16e eeuw kreeg hij te maken met de Opstand in de Nederlanden
(Beeldenstorm, 1566; begin van de Tachtigjarige Oorlog, 1568). In 1581 werd hij als vorst
van de Nederlanden afgezworen, waarna de noordelijke Nederlanden voor hem verloren
gingen. De zuidelijke stond hij af aan zijn dochter Isabella en haar echtgenoot (1598). Zijn
voortdurende oorlogen leidden aan het eind van de 16e eeuw tot de economische ondergang
van Spanje. [Encarta]
Granvelle, Antoine Perrenot de (1517-1586), kardinaal, was als staatsman in
dienst van de Habsburgers. Aanvankelijk was hij staatssecretaris en grootzegelbewaarder van
Karel V. Tijdens het bewind van diens zoon Filips II was hij
een van de invloedrijkste raadslieden van landvoogdes Margaretha van
Parma. Voor de Nederlandse edelen was hij de belichaming van de gehate
centralistische Spaanse regering, vooral omdat hij (ondanks een zekere persoonlijke
gematigdheid) bereid bleek om ook de scherpste maatregelen van Filips uit te voeren. Hij was
blij met de komst van Alva naar de Nederlanden en de instelling van de Raad
van Beroerten, maar toonde zich een tegenstander van de vele doodvonnissen die deze velde.
[Encarta]
Gratianus, Johannes (?- ca. 1160), grondlegger van de canonieke
rechtswetenschap, was monnik te Bologna, maar over zijn leven is vrijwel niets bekend. Na
het verschijnen van zijn grote werk, de Concordia discordantium (ca. 1140), dat
al in de middeleeuwen Decretum Gratiani genoemd werd, kwam de canonistiek
tot bloei. Deze wetenschap knoopte uitsluitend aan bij het werk van Gratianus. Reeds in 1150
was het Decretum zo algemeen in gebruik, dat Petrus Lombardus de stof van
zijn Sententiae deed aansluiten op die van het Decretum, waarmee hij de grens
tussen rechtswetenschap en theologie voor eeuwen vastlegde [Encarta]. In de
Historie wordt op fol. 95v aan het Decretum gerefereerd met een citaat van de
kerkvader Isidorus van Sevilla.
Hipponax (ca. 550 v. Chr.), Griekse dichter om den brode van spotverzen. In
542 v. Chr. moest hij uit zijn woonplaats Efeze vluchten voor de Perzen. Hij is bekend
geworden door de zgn. hink-jambe, een door hem ontwikkelde versmaat (vijf jamben en een
trochee), die bedoeld was om op te vallen en het spottende karakter van de inhoud te
benadrukken. [Wdbk. d. klass. oudheid]
Hoseus, Gutlielmus, werd op 11 maart 1566 samen met Boudewijn
Domissent te Brugge als ketter verbrand. De Schrevel (p. 743)
bevestigt dit gegeven uit de Historie (fol. 39r, in margine), en geeft de namen van de
veroordeelden op als Guillaume Houseau (ook Hosens,
Hose, Hoseus en Oyseau) en Baudouin
Domissent.
Jorisz, David (ook wel Johan Jorisz; ca. 1501-Basel, 1556), was de
charismatische leider van de naar hem genoemde wederdoperssekte van de David Joristen.
Over zijn jeugd is veel onduidelijk. Zijn moeder kwam uit een gegoede familie in
Delft, zijn vader was een eenvoudige koopman uit Amersfoort.
Vermoedelijk vanwege dit ongelijke huwelijk was het paar genoodzaakt Delft te verlaten, en
verhuisde het naar de zuidelijke Nederlanden, mogelijk naar Brugge, waar
David waarschijnlijk in 1501 geboren werd. Het ligt voor de hand dat hij een deel van zijn
jeugd in Vlaanderen gewoond heeft, maar bij zijn vormsel (rond 1513) was hij mogelijk terug
in Delft, waar hij verder opgroeide en ook getrouwd is [Waite, blz. 49 e.v.]. Hij beschouwde
zich als de teruggekeerde Messias en predikte polygamie, die hij zelf ook in praktijk bracht,
waarbij hij zich beriep op een bijzondere uitleg van Matt. 22:30. Vrij
weergegeven: in zijn tijd, die van de Christus-David, waren de wetten van Mozes niet langer
nodig. Het lichaam is namelijk niet meer dan het stoffelijk werktuig van de ziel, en als de ziel
rein is, dan kunnen de verrichtingen van het lichaam niet zondig zijn. De ziel van een
‘wedergeborene’ (d.w.z. iemand die in de Christus-David ‘opgestaan’ is), is per
definitie rein en daardoor is de wettelijke huwelijksband voor zo iemand niet langer nodig. De
wedergeborenen hebben daarmee de vrijheid om erotische betrekkingen aan te knopen met
wie ze maar willen. Alleen de schaamte blijft nog, en moet door de wedergeborenen
overwonnen worden. Deze uitleg stuitte velen tegen de borst, en veel David Joristen zijn als
ketters terechtgesteld.
David Jorisz zwierf zelf rond en verdween telkens als de grond hem te heet onder de voeten
werd. In 1540 dook hij definitief onder en vond als Johan van Brugge
onderdak te Berchem (bij Antwerpen), waar hij en passant de 19-jarige dochter van de Vrouwe van Berchem tot zijn ‘geestelijke bruid‘ maakte, waar haar
familie erg mee ingenomen schijnt te zijn geweest. In 1544 vluchtte hij via Straatsburg verder
naar Basel, waar hij als Johann von Brügg een deftig huis betrok en doorging
voor een vervolgde vrome edelman uit de Nederlanden. Hij werkte er verder aan zijn
religieuze geschriften en vooral ook aan zijn eigen financiën en aan die van zijn trouwste
volgelingen. Pas na zijn dood in 1556 bleek de ware identiteit van de zogenaamde jonkheer
Von Brügg. Er werd een rechtszaak aangespannen en in 1559 werden zijn geschriften, zijn
portret en zijn opgegraven lichaam door de beul verbrand. Zie de inleiding van G.C.
Hoogewerff in: F.R. Coers Fzn.: Liederen van Groot-Nederland. Utrecht, 1930.
Als de uitgangspunten van de leer van David Jorisz min of meer algemeen bekend waren, dan
zouden de opmerkingen over te overwinnen schaamte die de auteur van de
Historie broer Cornelis tegen Calleken in de mond legt (folia 5
en 6), een sneer in die richting kunnen zijn. Ook broer Cornelis presenteerde zijn kring van
devotarigen tenslotte als een uitverkoren groep. De lotgevallen van David Jorisz kunnen in
Brugge nog goed bekend zijn geweest, omdat zijn uiteindelijke veroordeling en
‘posthume executie’ pas een jaar of tien voor het verschijnen van de Historie
plaatsgevonden hadden.
Josephus Flavius (Jeruzalem, ca. 37-Rome, na 100), meestal minder juist
Flavius Josephus genoemd, is vooral bekend als joods geschiedschrijver.
Aanvankelijk had hij zich aangesloten bij de Joodse Opstand (66), maar gaf zich onder
onduidelijke omstandigheden (verraad?) over en vestigde zich uiteindelijk te Rome. Hij
schreef een indrukwekkende serie werken: De Bello Judaico, De joodse oorlog
(7 boeken), en Antiquitates Iudaicae, De joodse oudheden (20 boeken), waarnaar
in de Historie verwezen wordt (fol. 127r). Bovendien schreef hij zijn
autobiografie en een werk tegen Apion en andere anti-joodse schrijvers. Als
geschiedschrijver is hij niet altijd betrouwbaar, maar voor de joodse geschiedenis van 135
voor Chr. tot 73 na Chr. is hij bijna de enige bron. [Encarta]
Karel de Grote (742-814), in de Historie Carolus Magnus genoemd, was
koning der Franken van 768 tot 814, koning der Longobarden van 774 tot 814 en Rooms
keizer van 800 tot 814. Hij wordt in de Historie (fol. 94v) genoemd als een
godvruchtige katholieke koning. In 754 werd hij samen met zijn vader en zijn broer Karloman
door paus Stefanus II (III) gekroond. Daarbij ontving hij de titel van Patricius
Romanorum, die hem verplichtte de kerk van Rome te beschermen. Verder staat hij als goed
katholiek bekend wegens zijn veldtochten tegen de Saksen (die hij met geweld onderwierp en
tot het christendom dwong), zijn protectoraat over de pauselijke staat (gevestigd in 773-774),
zijn strijd tegen de islam en zijn inspanningen op juridisch, administratief en organisatorisch
gebied, die sterk gericht waren op het openbaar welzijn. In de nauwe samenwerking tussen de
monarchie en de kerk hield hij het roer stevig in handen, ook in kerkelijke zaken. In 806 had
hij zijn rijk onder zijn drie zoons verdeeld en daarbij ook hun verplicht de kerk te beschermen.
Twee van zijn zoons stierven in de jaren daarna, en in 813 heeft hij zijn enige overlevende
zoon, Lodewijk de Vrome, zelf tot keizer gekroond. Karel de Grote is door
toedoen van Frederik I Barbarossa in 1165 zalig verklaard. [Encarta]
Karel V (Gent, 24 febr. 1500-San Yuste, 21 sept. 1558), die in de Historie Carolus
Quintus of Carlus Quintus genoemd wordt, was keizer van het Heilige Rooms-Duitse Rijk van 1519 tot 1558 en (als Karel I) koning van Spanje van 1516 tot 1556. Hij
stamde uit het huis Habsburg en was een zoon van Filips de Schone en
Johanna de Waanzinnige. Van1526 tot 1539 was hij gehuwd met
Isabella van Portugal; uit dit huwelijk werd Filips II geboren.
Vóór zijn huwelijk had hij bij de dienstbode Johanna van der Gheynst uit
Oudenaarde, een dochter verwekt, de latere landvoogdes Margaretha
van Parma (1522-1586), en tijdens zijn weduwnaarschap schonk de jonge
Barbara Blomberg uit Regensburg hem een zoon, de latere landvoogd
Don Juan (1547-1578).
Karel werd door zijn vaders dood in 1506 vorst van de meeste Nederlandse gewesten. Omdat
hij toen pas zes jaar oud was, werd zijn grootvader van vaderskant, keizer
Maximiliaan I, zijn regent. Karel groeide op aan het hof van zijn tante
Margaretha te Mechelen, waar hij vooral onderwezen en opgevoed werd door
Adriaan Florisz. Boeyens, de latere paus Adrianus VI. Nog
voor zijn 15e verjaardag werd hij meerderjarig verklaard en als soeverein ingehuldigd. Het
jaar daarop zag hij zich na de dood van zijn grootvader genoodzaakt ook het Spaanse
koningschap te aanvaarden (1516). Hij was niet vroegrijp of hoogbegaafd, werkte hard, maar
had nauwelijks culturele belangstelling en evenmin gevoel voor humor. Hij lispelde en
stotterde, en de enige taal die hij sprak, was Frans; al kende hij enig Latijn en Nederlands.
Zeker tot 1530 was hij sterk afhankelijk van raadslieden.
Maximiliaan I stierf in 1519, waarop Karel na de nodige politieke machinaties gekozen werd
tot Duits keizer. Bij de verdeling van Maximiliaans erfenis (1521) stemde hij ermee in, dat de
Oostenrijkse gebieden grotendeels naar zijn broer Ferdinand I gingen. Een
Habsburgse wereldheerschappij leek nu binnen handbereik: Karel was keizer, koning van
Spanje en vorst van de meeste Nederlandse gewesten; Ferdinand verwierf door zijn huwelijk
de kronen van Hongarije en Bohemen; hun zusters waren koningin in Scandinavië, Portugal
en Frankrijk of zouden dat spoedig worden. Frankrijk dwarsboomde dit Habsburgse streven
echter. Tussen Karel en de Franse koning Frans I was door de keizerskeuze
een onoverbrugbare verwijdering ontstaan, die zelfs resulteerde in een reeks oorlogen.
Hoewel voor Karel het kerkelijke leergezag van de paus buiten kijf stond, ontzegde hij hem
elk recht op eigen politieke bemoeienissen. Daarnaast werd de reformatie in Karels rijk een
steeds groter probleem. De Habsburgers achtten een radicale hervorming van de rooms-katholieke kerk de enige remedie tegen dreigende kerkscheuringen, maar het lukte Karel niet
om de paus te bewegen tot het bijeenroepen van een concilie, waarmee deze hem ook de
mogelijkheid onthield om tot een rooms vergelijk met de lutheranen te komen. Rome wilde
evenmin tegemoetkomen aan Karels streven tot hervorming van de kerk. In Spanje heeft hij
wel een totalitaire kerkelijke politiek kunnen voeren, maar in de Nederlanden lukte dat niet,
vooral door zijn financiële afhankelijkheid van de Statencolleges.
Over het algemeen heeft Karels regering de Nederlanden weinig voordeel gebracht. Om
voldoende belasting te kunnen innen kwam hij de grote kooplieden vergaand tegemoet, vooral
die in Antwerpen. Zijn afhankelijkheid van de zakenwereld belette hem ook om
belasting te heffen op handelstransacties. Daardoor liet hij Filips II een
verouderd belastingstelsel na, dat de rijken ontzag en vooral de boeren en de lagere adel liet
verpauperen. Wel heeft zijn regering historische betekenis gekregen door de definitief
gebleken afpaling van het gebied van de ‘zeventien Nederlandse provinciën.’ Onder
zijn bewind zijn Friesland, Utrecht en Overijssel, Groningen, en uiteindelijk ook Gelderland
voorgoed toegevoegd aan de erflanden, die in 1548 als Bourgondische Kreits een zelfstandige
status kregen binnen het Duitse rijk.
De strijd tegen Frankrijk en tegen de Turken (die dikwijls Franse steun kregen bij hun
pogingen om in Hongarije door te dringen en die in 1529 zelfs Wenen bedreigden) heeft Karel
genoodzaakt tot een afmattend leven van reizen en trekken, terwijl de religieuze problematiek
hem nog eens extra uitputte. Geestelijk volkomen opgebrand deed hij in oktober 1555 ten
gunste van Filips II afstand van de regering over de Nederlanden en in januari
1556 van die over Spanje. Pas op 28 februari 1558, een goed half jaar voor zijn dood, droeg
hij de Duitse keizerskroon over aan zijn broer Ferdinand. Begin 1557 had hij zich al gevestigd
in een villa bij het klooster van de heremieten van Sint-Hiëronymus te San Yuste in Spanje,
waar hij ook gestorven is. [Encarta]
De koning van Frankrijk wordt in de Historie keer op keer genoemd, maar nergens wordt
zijn naam vermeld. In de verhaalde tijd was dat Karel IX (1550-1574, koning
van 1560-1574). Broer Cornelis wijst voortdurend op zijn goede katholieke
houding en noemt hem op fol. 188v dien Catholijcken Christelicken iongen Coninck van
Vrancrijck. Dat is correct: op dat moment was Karel IX pas 17 jaar oud. Hij was de tweede
zoon van Hendrik II en Catharina de Medici en volgde zijn
broer Frans II (1544-1560, koning van 1559-1560) op. Hij streefde naar
godsdienstvrede, maar desondanks wist men hem toestemming af te dwingen tot de
Bartholomeüsnacht (1572), een driedaagse moordpartij waarbij ca. 20 000 hugenoten de dood
vonden, en die hem de rest van zijn leven gewetensbezwaren zou bezorgen. [Encarta]
Leo I ‘de Grote’ (ca. 400-474) was Byzantijns keizer (met de titel
augustus) van 457 tot 474. Zijn regeringsperiode werd gekenmerkt door een factiestrijd in
Constantinopel tussen sympathisanten van de Ostrogoten en van de Isauriërs. [Encarta]
Leo I ‘de Grote’ was paus van 440-461. Hij was de bekendste paus uit
de 5e eeuw.
Leo IV, paus van 847-855. Hij versterkte Rome tegen mogelijke aanvallen
van de Saracenen, die Rome in 846 geplunderd hadden, door herstel van de muren en
verbetering van de kustwacht. In 849 versloeg hij de Saraceense vloot bij Ostia. [Encarta]
Lindius, pseudoniem van Joannes Castelius (Jan
vande Casteele, de vermoedelijke auteur van de Historie. Zie de
inleiding en Bostoen (1984).
Luther, Maarten (Duits: Martin) (Erfurt, 1483-1546), was de eerste
kerkhervormer van de 16de eeuw. Hij meldde zich in 1505 aan bij het augustijnenklooster in
Erfurt, waar hij theologie ging studeren en in 1507 tot priester gewijd werd. Het jaar daarop
werd hij overgeplaatst naar het klooster in Wittenberg, waar hij docent werd aan de
universiteit. In 1512 promoveerde hij en ontving hij de opdracht om colleges bijbelse
theologie te gaan geven. Deze opdracht is beslissend geworden voor zijn ontwikkeling tot
reformator. Bij de voorbereiding van zijn colleges bediende hij zich niet alleen van de
traditionele commentaren, maar ook van het toen modernste materiaal, zoals de
Annotationes van Erasmus. Hiermee, maar nog het meest door
zijn onverzettelijkheid om door te dringen tot de wezenlijke betekenis van de bijbel, kwam hij
tot de overtuiging dat in de kerk de zekerheid van Gods schenkende gerechtigheid centraal
moest staan, en niet Gods eisende gerechtigheid. In zijn visie kon niemand zich echte
rechtvaardigheid tegenover God verwerven, maar kon de mens alleen vertrouwen op God.
Luthers geschriften geven blijk van een hernieuwd theologisch inzicht en een daarop
gebaseerde gedachtewereld.
Zijn inzichten werden echter pas gemeengoed door zijn verzet tegen de handel in aflaten. De
verkoop van aflaten, die kwijtschelding van straffen in het vagevuur beloofden, was op
Wittenbergs grondgebied grotendeels verboden, maar Luther kwam er zijdelings toch mee in
aanraking en verzette zich ertegen. Zo ontstonden de 95 stellingen, die feitelijk bedoeld waren
voor een academisch dispuut, maar al spoedig in heel Duitsland verspreid werden.
In het voorjaar van 1518 vertrok Luther naar Heidelberg om zich daar op de
kapittelvergadering van de augustijnerorde nader over deze zaak te verklaren. Daar bleek hoe
zijn reactie op de aflaathandel slechts een uitvloeisel van zijn theologische ideeën was.
Volgens Luther is het geloof juist niet gegrondvest op wat de mensen zien, doen of laten;
alleen in God moeten ze alle vertrouwen stellen. Zijn theologische vernieuwing kwam niet
geheel uit de lucht vallen, maar de voornaamste bron ervan bleef de bijbel, waarbij hij de
volledige bijbeltekst, vanuit de grondtalen uitgelegd, tot zijn recht liet komen.
Later in 1518 moest Luther zich verantwoorden tegenover kardinaal
Cajetanus en kwam er een openbaar dispuut met de dominicaan
Eck. Er volgde een poging om zijn visie te verzoenen met de traditionele
roomse leer. Luther ging daar in zoverre op in, dat hij een eerbiedige brief aan de paus schreef,
maar hij veranderde niets aan zijn visie als zodanig. In 1520 volgde de definitieve breuk; de
dreigbul Exsurge Domine (15 juni 1520) waarschuwde hem dat excommunicatie
niet uit kon blijven. De keurvorst bleef hem echter beschermen. Het jaar daarop verscheen
Luther voor de Rijksdag te Worms en verklaarde voor de keizer en de vorsten dat hij zijn
principiële geschriften niet kon herroepen, omdat deze op de bijbel gegrond waren. Ook de
rijksban werd toen over hem uitgesproken, waarna vrienden hem verborgen op de Wartburg.
Hij hield het daar een jaar uit, vertaalde er het Nieuwe Testament in het Duits, maar ging ten
slotte naar Wittenberg terug.
Zijn theologische werk bereikte een hoogtepunt in het dispuut met Erasmus
over de vrijheid van de wil (De servo arbitrio, Over de gebonden wil, 1525).
Erasmus ging uit van de menselijke vrijheid, maar Luther hield vast aan de vrijheid van Gods
genade: God is ons heil, wij voegen daar niets aan toe, daardoor is ons heil geen dubieuze
zaak, maar een kwestie van vertrouwen, van geloof. Christus' overwinning op zonde en dood
betekent dat de weg vrij is voor een herboren mens-zijn, waardoor de mens ondanks zijn
schuld toch in Gods ogen rechtvaardig wordt geacht.
Temidden van alle politieke verwikkelingen bleef Luther de universiteit trouw, maar schuwde
ook de praktijk van het preken niet. Daarnaast vernieuwde hij de liturgie en de kerkzang,
waarmee hij de grondlegger werd van de evangelische kerkmuziek. [Encarta]
Margaretha van Parma (1522-1586), was de onwettige dochter van keizer
Karel V en Johanna van der Gheynst, en daarmee een
halfzuster van Filips II. In 1559 benoemde Filips haar tot landvoogdes over de
Nederlanden, in welke functie zij zeer afhankelijk was van de adviezen van kardinaal
Granvelle. Na de Beeldenstorm (1566) vroeg en kreeg zij ontheffing uit haar
functie; Alva nam haar functie van landvoogd daarna over. [Encarta]
Melanchthon, Philippus, vergrieksing van Schwarzerd (1497-1560), Duits
humanist en reformator. Hij was hoogleraar Grieks in Wittenberg, waar hij zich aansloot bij
de beweging van Luther. De zgn. Confessie van Augsburg is vrijwel geheel van zijn hand.
[Encarta]
Nebulo, scheldnaam die broer Cornelis Stephanus
Lindius toevoegt (fol. 119v). De betekenis van dit Latijnse woord (verwant met
nebula, ‘nevel, mist, damp’) is zoveel als boef, losbol, spotter, praatjesmaker of
nietsnut. [Muller en Renkema: Beknopt Latijns-Ned. Wdbk; WNT, lemmata guit, lekker (II),
lichtschuit, lodder (I), mist (I), potboef, scharluin en schuimen.]
Oranje, Willem I van (Dillenburg, 24 april 1533-Delft, 10 juli 1584), was de
oudste zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg. Over Willem van Oranje is veel
gepubliceerd, zodat ik me zal beperken tot enkele feiten, voornamelijk voorzover die van
belang zijn in het kader van de Historie.
Willem van Oranje werd katholiek opgevoed, maar ging in 1571 over tot een tolerant en
humanistisch calvinisme. Aanvankelijk stond hij zeer in de gunst bij Karel V.
Diens zoon Filips II koos hem in de Raad van State en benoemde hem in
1559, toen hij definitief naar Spanje vertrok, tot stadhouder over Holland, Zeeland en Utrecht.
Oranje stond kritisch tegenover het centralistische Spaanse beleid en steunde de edelen die
zich verzetten tegen de aantasting van hun privileges. Kardinaal Granvelle (en
‘dus’ ook Margaretha van Parma) koesterde argwaan tegen Oranje
vanwege zijn familiebanden met gereformeerde Duitse vorsten. Pas na Granvelles vertrek naar
Spanje (1564) durfde Oranje openlijker te pleiten voor meer religieuze tolerantie, maar de
wetten bleven op dat punt onveranderd.
Na de Beeldenstorm (1566) bemiddelde hij met enig succes tussen de opstandelingen en de
regering. Toen die het sterkste verzet echter wist te breken, kwam Oranje alleen te staan en
trok hij zich terug op de Dillenburg (1567). Zonder veel resultaat trachtte hij
vanuit Duitsland Alva te bestrijden. Weliswaar behaalde zijn broer
Lodewijk de overwinning in de Slag bij Heiligerlee (1568,
meestal beschouwd als het begin van de Tachtigjarige Oorlog), maar pas na de invallen van de
Watergeuzen (1572) had het verzet enig succes. Hoewel die invallen militair gezien
nauwelijks van nut waren voor Oranje, leidden ze wel het georganiseerde verzet in, waar hij
de leider van werd. [Encarta]
Peeter is de bejaarde monnik van Spaanse afkomst die in de Discipline der
devotarighen optreedt als getuige bij de farce met het briefje dat broer
Cornelis Calleken laat schrijven en ondertekenen. Uit dat
briefje zou moeten blijken dat zij niets weet van onbetamelijk gedrag van broer Cornelis en
evenmin van zijn bijzondere tuchtigingspraktijken (fol. 14v en volgende). In zijn artikel
Realisme in de Historie van Broer Cornelis wijst Bostoen
(1993) erop, dat met deze broeder Peeter mogelijk de hoogbejaarde Jacobus de
Aguilar bedoeld wordt. Deze overleed in 1575 op 96-jarige leeftijd. Ten tijde van het
verhaalde in de Historie (1558) was hij al 79, wat het predikaat eenen ouden Moninck terecht
maakt.
Petrus de Palude (ca. 1280-1342), dominicaan, bekleedde na 1317 diverse
hoge ambten binnen de kerk. Hij liet veel grote werken na, die echter slechts ten dele in druk
verschenen zijn, waaronder commentaren op de bijbel, preken, het boek De causa
immediata ecclesiasticae potestatis en commentaren op zinspreuken.
[Werner Dettloff in Biographisch-Bibliographisches Kirchenlexikon, Band VII (1994),
Spalten 373-374, uitg. Traugott Bautz; Internetversie (www.bautz.de/bbkl), bijgewerkt op 9
feb. 1999.]
Pilatus, Pontius, was de Romeinse stadhouder (procurator) over Judea van 26 tot 36 na Chr.;
onder zijn bewind is Christus tot de kruisdood veroordeeld. Buiten de evangeliën wordt hij
genoemd door de joodse schrijvers Philo (Legatio ad Gaium,
38) en Josephus Flavius (De Bello Judaico, 2, 9, 2-4;
Antiquitates Iudaicae, 18), en verder in een Latijnse inscriptie die in 1961 te
Caesarea gevonden is.
Een bij Philo geciteerde brief aan de keizer oordeelt zeer ongunstig over Pilatus, en spreekt
van niets ontziende hardheid, omkoopbaarheid, geweld, roofzucht, enz. Uit Philo en Josephus
is een viertal incidenten bekend die dit beeld bevestigen en die bovendien wijzen op
provocaties van de joodse bevolking door Pilatus. Klachten over zijn optreden brachten hem
in het jaar 36 ten val.
De evangelisten geven een veel gunstiger beeld van Pilatus, maar mogelijk liggen hun eigen
motieven daaraan ten grondslag. Het is begrijpelijk dat de eerste christenen er behoefte aan
hadden om nadrukkelijk aan te geven dat hun Heer ten onrechte veroordeeld was. Er is dan
ook reden om aan te nemen dat het aandeel van Pilatus in de veroordeling van Jezus groter
was dan uit de evangeliën naar voren komt. [Encarta]
Pius IV, paus van 1559 tot 1565. Onder zijn leiding werd in 1563 het concilie
van Trente tot een goed einde gebracht, nadat het tien jaar geschorst was geweest. Het concilie
schiep duidelijkheid in een groot aantal vraagstukken binnen de rooms-katholieke kerk en gaf
ruimte aan vernieuwingen. [Encarta]
Schwenckfeld, Kasper von (1489-1561), was een Duitse evangelische
theoloog en bevorderaar van de reformatie in Silezië. Hij week van Luthers leer af, onder
meer op het punt van het Avondmaal. Hij bepleitte volstrekte tolerantie op religieus gebied en
ijverde voor een stopzetting van alle kerkelijke en theologische strijd. Daardoor riep hij veel
tegenstand op. Veroordeeld en verbannen zwierf hij in zijn latere levensjaren rond en verborg
zich bij vrienden. In Silezië vormden zich kleine groepen aanhangers, die na zijn dood veel te
lijden hadden onder vervolgingen, zowel van lutherse als van contrareformatorische kant.
[Encarta]
Servetus is de gelatiniseerde naam van Michael Servet (= Miguel Serveto,
1511-1553), Spaans medicus en theoloog. In de Historie wordt hij genoemd in
verband met zijn theologische werken, omdat hij de leer van de heilige Drievuldigheid
bestreed (folia 53v en 248r). Na een lang en geruchtmakend proces werd hij in 1553 te
Genève als ketter op de brandstapel ter dood gebracht. [Encarta]
Smout, Adriaen, was ten tijde van de Historie pastoor van de
Sint-Walburgakerk te Brugge. Hij wordt in de Historie op fol. 61r neergezet als
een half sinneloosen Parochiepape, [...] daer yegelick den sot en spot met hielde, een dwaas
wie grappenmakers graag een sterk verhaal op de mouw speldden, in de zekerheid dat hij het
direct aan broer Cornelis zou doorvertellen. Een voorbeeld daarvan staat op
fol. 81r. Bostoen en Horst (2001, p. 67 van de overdruk) betogen dat Smout een favoriete
bondgenoot van Cornelis Brouwer OFM is geweest bij de bestrijding van
ketters. Ook geven zij nadere gegevens over zijn optreden als hulpinquisiteur.
Thomas van Salisbury (tussen ca. 1158 en 1168-tussen 1233 en 1236?), of
Thomas van Chobham, onderdeken van Salisbury, schreef een handleiding
voor het toedienen van het sacrament van de biecht, een zgn. Summa confessorum. De
grondlegger van dit soort boeken was de Parijse moraaltheoloog Petrus
Cantor, de leermeester van Thomas van Salisbury. Thomas'
handleiding, bekend als Cum miserationes domini moet in de Middeleeuwen
populair geweest zijn onder biechtvaders, want er bevinden zich verspreid over Europa nog
meer dan honderd afschriften van in openbare collecties. In de late Middeleeuwen (rond 1500)
zijn er van dit werk ook drukken verschenen; kennelijk werd het zo'n 300 jaar na de dood van
de auteur nog steeds gewaardeerd. [Bostoen (1992), p. 36 en 37.]
Valens, Flavius (328-378), Romeins keizer en mederegent van zijn broer
Valentianus I in het oostelijke deel van het Romeinse Rijk. Wegens zijn
ariaanse overtuiging somt de auteur van de Historie hem op in een reeks ketterse
bestuurders uit de oudheid (fol. 148v).
Voughenaers, Francijnken, treedt in de Historie op in een
beschrijving van een uitstapje van broer Cornelis met de oudste leden van zijn
vrouwenclubje (fol. 12v): Francijnken Vougenaers, die sonderlinge wel conste singhen,
speelde een Galliarde met den monde deur eenen cam. Broer Conelis laat zich tot een dansje
verleiden en kust daarna een van de dames. Als dit onder de nieuwere leden van het
gezelschap bekend wordt, komen er kritische vragen en uiteindelijk blijkt dit uitje de
ondergang van het geheime genootschap in te luiden. Wie de bedoelde Francijnken was, of dat
zij slechts aan de fantasie van de auteur(s) ontsproten is, is niet bekend. Het treffende toeval
doet zich echter voor, dat er in het minderbroedersklooster een monnik was met de naam
François Voughenaers (of De Voughenaere), die op 26 juli 1578 met twee
andere priesters, François Maertens en Martin Revelaere,
terechtgesteld is wegens homoseksuele praktijken. De Schrevel (p. 335)
citeert hierover uit het Secrete resolutiebouc dat zij waren gheexecuteert [...] als
sodomieten metten viere, alvoren ghewoelt [= gewurgd] zijnde. Dit vond weliswaar een kleine
tien jaar na de verschijning van de Historie plaats, maar het is natuurlijk lang niet onmogelijk
dat Voughenaers' homoseksualiteit ook in wijdere kring bekend was, en dat hij daarom in de
Historie als ‘Francijnken’ op de hak genomen wordt.
In het Rijksarchief te Brugge bevindt zich nog een verslag van het verhoor van
een aanzienlijk aantal mannen, onder wie Voughenaers, in verband de bovengenoemde zaak
(Découvertes nr. 203, folia 64r-68v). Deze verhoren hebben plaatsgevonden in juni en juli
1578. Keer op keer duikt de naam van Voughenaers op; zelf bekent hij dat hij twaalf of
dertien jaar voordien (dus ten tijde van de Historie) een seksuele relatie onderhield met zijn
medebroeder Gillis Logghe. Hij noemt zelfs Cornelis (= Cornelis
Brouwer OFM): zowel Brouwer als de gardiaan zou hem wel eens gestraft hebben,
maar alleen wegens ontuchtig betasten, maar hij (= Voughenaers) nochtans wel wiste anders.
Zie in dit verband ook Bostoen (1993).
Zwingli, Huldrych (1484-1531), Zwitsers kerkhervormer, werd in 1506
pastoor te Glarus en was een bewonderaar van Erasmus. Naar eigen zeggen
had hij reeds in 1516, nog voor hij iets van Luther wist, het evangelie uit de Schrift gepredikt;
Luthers optreden heeft hem echter wel aangemoedigd. Hij kreeg de stadsraad van Einsiedeln
op zijn hand, en toen hij in 1522 in conflict raakte met de bisschop van Konstanz,
organiseerde de raad een godsdienstgesprek in het stadhuis. De raad verklaarde hem tot
overwinnaar, en gaf daarmee zijn steun aan de beginnende reformatie. Er kwam een Zwitserse
bijbelvertaling tot stand, waarbij Luthers werk gebruikt werd.
Zwingli's theologie lijkt sterk op die van Luther, maar een van de belangrijkste verschillen is
de duiding van het Avondmaal. In Zwingli's visie is dat geen herhaling van, maar een
gedachtenis aan Christus' offer. Luther hield op dit punt vast aan de aanwezigheid van
Christus in het brood en de wijn. In 1525 verscheen Zwingli's uiteenzetting van zijn leer, de
Commentarius de vera et falsa religione, met een scherpe afwijzing van het
rooms-katholicisme. Hierin heeft hij tevens, nog vóór Luther, Erasmus' leer van de vrije wil
bestreden en de predestinatie verdedigd, zonder diens naam te noemen. Hoewel het in 1523
tot een breuk tussen Zwingli en Erasmus was gekomen, is Zwingli's humanistische vorming
altijd een rol blijven spelen in zijn theologie.
Zwingli had vooral invloed in Zwitserland, maar ook elders had hij navolgers. In Oost-Friesland ontstond er in 1528 een zwingliaanse geloofsbelijdenis. In Noord-Nederland was er
sinds 1533 sprake van zwinglianen, voornamelijk onder humanistisch georiënteerde
hervormingsgezinden. De Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen nam in 1550 de
Zürichse profetie over; het Convent van Wesel (1568) beval haar aan, maar in Nederland heeft
ze geen ingang gevonden. In 1566 preekten er bij Groningen nog zwingliaanse predikanten.
[Encarta]