3.2 Politiek
Voor Filips II stond het vast dat het traditionele rooms-katholieke geloof het
enig juiste was, en dat andersdenkenden daarom als ketters vervolgd moesten worden. In
oktober 1565 had hij de strenge maatregelen die zijn vader, Karel V, op dat
punt reeds had vastgelegd in de beruchte plakkaten, opnieuw bekrachtigd. Filips verwachtte
van de Nederlandse steden dat zij die plakkaten strikt zouden uitvoeren. Nu waren er in de
Nederlanden nogal wat andersdenkenden: protestanten van diverse richtingen en gematigde
katholieken, en de steden waren lang niet altijd bereid om zijn maatregelen tegen de
‘gereformeerden’ volledig ten uitvoer te leggen. Arrestatie en bestraffing van
‘ketters’ brachten altijd veel onrust met zich mee, die de stadsbesturen bij voorkeur
trachtten te vermijden.
De religieuze onderdrukking leidde tot het aanbieden van het smeekschrift van de
Nederlandse edelen aan Margaretha van Parma, die door haar halfbroer Filips
als landvoogdes over de Nederlanden was aangesteld. Op 5 april 1566 waren er 400 edelen,
gekleed als bedelaars (Frans: gueux, ‘geuzen’), in optocht naar haar paleis te
Brussel gegaan om haar versoepeling van de plakkaten te vragen. Ze kregen de
volgende dag te horen, dat Margaretha hun verzoek aan de koning in welwillende overweging
zou geven (De Schrevel, p. 752).
Filips II besloot echter de plakkaten niet te verzachten. Dit leidde opnieuw tot
onrust, die nog aangewakkerd werd door politieke problemen (o.a. over belastingen en het
centralistische Spaanse beleid) en die uiteindelijk uitmondde in de Beeldenstorm (augustus en
september 1566). Militante protestanten begonnen kerken en kloosters te bestormen en te
plunderen, vooral in het huidige België. Filips II stuurde daarop de hertog van
Alva met 10 000 man elitetroepen naar de Nederlanden om daar orde op
zaken te stellen (1567). Het was de aanloop tot de vrijheidsstrijd van de Nederlanden tegen
Spanje, die uiteindelijk als Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) de geschiedenis in zou gaan.