Van het Historielied van Floris en Blancifleur bestaan verschillende uitgaven. Eerst is het doòr de liedjesdrukkers op losse vliegende blaadjes verspreid, vervolgens werd het herdrukt in liedeboekjes te midden van allerlei liederen van anderen aard.
Van zulk eene oude afzonderlijke uitgave is een exemplaar bewaard gebleven in een bundeltje bijeengevoegde historieliederen in 8o dat thans berust in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage. Deze uitgave is gedrukt ‘t' Amsterdam, By Barent Koene, Boekdrukker en Boekverkoper, op de Lindegragt, 1776.’ Daar de Historie van Floris en Blansifleur slechts vier van de acht bladzijden kon vullen, heeft men er aan toegevoegd ‘Een Nieuw Lied, van den Agtkanten Boer.’ De toen nog overschietende bladzijde werd gevuld met ‘Een Minnaars Lied.’
Dezelfde tekst, maar met het gewijzigde opschrift: ‘Wonderbaere Vryagie, tusschen den getrouwen Floris en de beminnenswaerdige Blanchifleur’, werd nog in de 19de eeuw als los blad uitgegeven te Gent door L. van Paemel en te Antwerpen door J. Thys; het is no. 17 der Gentsche en no. 31 der Antwerpsche verzameling. Van de uitgave bij van Paemel schijnen verschillende drukken te bestaan.
Ik heb geen oudere uitgave van het lied kunnen vinden dan die in het liedeboek ‘De Haarlemse Hartjesdag of de Vermakelyke Konynenvangst’ (Amsterdam, By de Erve van de Wed: G. de Groot, 1738), blz. 50-54. Op te geven in welke liedeboekjes van latere
dagteekening het ook wordt gevonden schijnt mij overbodig. Deze tekst wordt hierachter herdrukt. Wijzigingen zijn daarin alleen aangebracht wanneer in de andere drukken eene betere lezing voorkomt; derhalve zijn bedorven lezingen niet verbeterd indien de verschillende bekende drukken die gemeen hebben. In het genoemde liedeboek staat boven het historielied geen houtsnede. Daar de afbeelding in de uitgave van B. Koene niet toepasselijk is, wordt boven onzen herdruk geplaatst de houtsnede die te vinden is op het titelblad van het volksboek van Floris en Blanchefleur in de drukken der familie Van der Putte. Een kopie van dit prentje komt o.a. voor op den titel van het Historielied van Valentyn en Oursson bij B. Koene, ao. 1777, en het is dus slechts toeval dat het niet door dezen gebruikt is voor het Historielied van Floris en Blansifleur.
De zangwijze van het lied zooals die omtrent het midden der 19de eeuw door De Coussemaker in den omtrek van Duinkerken uit den volksmond is opgeteekend (zie diens: Chants popul. des Flamands de France, no. 51) vindt men ook bij F. van Duyse, Het Oude Nederl. Lied, no. 45; op blz. 254 van dit laatste werk wordt over deze melodie nader gehandeld.
Ook tegenwoordig is het lied bij het volk nog niet geheel vergeten. Het wordt thans nog in Noord-Holland door enkelen gezongen. Door vriendelijke bemiddeling van den heer W. Jz. Tuyn te Edam ontving ik ten behoeve van mijne verzameling van Noordhollandsche liederen eene lezing uit Volendam die veel overeenkomst vertoont met de melodie van De Coussemaker en die ik hieronder mededeel.


Vergelijk verder over het lied: G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen 248 en Gesch. der Nederl. Letterkunde in de 16de eeuw 1, 166.
Waarschijnlijk dagteekent de berijming uit de 17de eeuw, misschien echter uit het laatst der 16de.
