[p. ii]
Tot die goetwillighe lesers.
- Liefhebbers der sielen, na Gods beelt geschapen
- Menichmaels ghij geperst gaet, ende mismoedich
- Veel sonden daer wt spruyten, dus v een wapen
- Hier toe ick van doen sie, altijt behoedich,
- Wilt ghij hier toe wapenen crijgen spoedich,
- Hier toe sijn seer nut, gheestighe loffsanghen,
- Dees verdrijuen pijnen oock oueruloedich,
- Dees vernieuwen den geest: maken thert geloedich
- En doen ontset die sijn met sonden beuanghen.
-
- Gheestelijcke liedekens gesongen aendachtich
- Dickmaels die quay gedachten sluyten ter buyten,
- Het werck sij spoeden. Tis beuonden warachtich,
- Wt vliericheyt, die beste deuchden spruyten,
- Wij ouerdenckende, veel van dees virtuyten,
- Hebben eertijts dit boexken, tuwer baet geprent:
- Want daer veel liekens waren, die niet en sluyten,
- Ghelaten sijnder som, als in die muyten,
- Som verandert: Veel by gheset excellent.
-
- Gemeyn leysen hebben wij ongeruert gelaten,
- Want dees meestendeel yegelijck inden mont sijn:
- Veel nieu, en seer schoon liekens { voor allen staten
- Seer nut } in dit boexken v gegont // sijn,
- Tot solaes uwer sielen u dees gesont // sijn,
- Neemptse in danc, Ghij moochter u met vermeyden,
- Raden, vint ghij daer in, die tot alder stont // sijn,
- Medicinael, voor die ghesont, oft onghesont // sijn,
- Wat geestichs wij noch voor liefhebbers bereyden.
Anno, 1576, 15. Augusti.
|