[‘Het viel een hemels dauwe’]
Die wyse. Het was een lodderlyc pape.
- Het viel een hemels dauwe
- Al in een cleyn maechdekijn
- Ten was noyt beter vrouwe
- Dat dede een cleyn kindekijn
- Dat van haer was gheboren
- Ende sij bleef maghet fijn
[p. xviij]
-
- O maghet wtuercoren
- Lof moest v altoos zyn.
-
- Die maghet ginck met kinde
- Geen swaerheyt en ginck haer aen
- Als Ioseph dat versinde
- Die goede rechtueerdighe man
- Hij dachte ick wilse laten
- Ick en ben die vader niet
- Ende trecken mijnder straten
- Eer mij meer schanden gheschiet.
-
- Al van des hemels throone
- Sprack hem die Enghel aen
- Ioseph Dauids sone
- O waerdighe salighe man
- Blijft alle beyde te gader
- Het is bouen natueren cracht
- Dat Godt almachtich vader
- In haer dus heeft ghewracht.
-
- Corts daer naer is ghecomen
- Een Keyserlijck ghebot
- Dat niemant wtghenomen
- Hij en quame sonder spot
- Van daer hij waer gheboren
- Ende brenghen zijn tribuyt
- Dat dedemen daer hooren
- Ende roepen ouer luyt.
-
- Maria ende Ioseph mede
- Quamen te Bethleem waert
- Want daer was Iosephs stede
- Als ons die scriftuere verclaert
[p. xix]
-
- Maer sij en mochten nieuwers inne
- Men wijsdese altoos voort
- Die hemelsche Coninghinne
- En was daer niet ghehoort.
-
- Int velt hebben sij vonden
- Een huijs seer dunne ghedaect
- Binnen soo corten stonden
- Hebben sij logijs ghemaect
- Daer wert die maghet moeder
- Al sonder wee oft pijn
- Van tsmenschen soon en broeder
- Hoe mocht hij ons naerder sijn.
-
- Wt moederlijcker minnen
- Leyde sij hem op haren schoot
- Haer herte verblijde van binnen
- Dat dede sijn mondeken root
- Sij custen hem aen sijn wanghen
- Sij custen hem menichfout
- Dat hij quam sijn gheuanghen
- Verlossen ionck ende oudt
-
- Maria die suyuer fonteyne
- Daer Godt sijn ruste in nam
- Bidt voor ons alle ghemeyne
- Ende versoent dat Godtlijck lam
- Soo dat wij moghen gheraken
- Met hem int soetste dal
- Daer vreucht is bouen maten
- Die eewelijck dueren sal.
|