[‘Het is heden een dach van vrolicheyt’]
Op Lichtmisse dach.
- Het is heden een dach van vrolicheyt
- Al in des Conincx houe
- Want aldaer ontfangen heeft
- Een maecht van grooten loue
- Een kint ghemaekt al wonderlijcke
- Ende altemael ghenoechlycke
- Nae der menschelicheden
- Dat daer leyt ontastelijck
- Ende daer toe onsprekelijck
[p. xxxiiij]
-
- Nae sijnder Godtlijcheden.
-
- Die moeder is dochter wonderlijck
- Haers soons, want hij is haer vader
- Waer hoorde oyt man desgelijck
- Hij is Godt ende mensch te gader
- Hij is knecht ende een heer
- Hy is ouer al dats meer
- Onbegrijpelijck te vinden
- Teghenwoordich ende verre
- Waer hoorde oyt man dies wonders meer
- Ten can gheen man versinnen.
-
- Hij wert gheboren inder nacht
- Der sonnen verlichtere
- Ende hij wert inden stal ghelacht,
- Alder werelt stichtere
- Men wandt hem metten wendel lanck
- Die de sterren maecte metter hant
- Doen hij den hemel wrachte
- Hij weende als een kindeken me
- Doen hijt donderen ende wolcken de
- Ende hij op voer met crachte.
-
- Ghelijck dat niet en quetst het glas
- Daer die sonne schijnt dore
- Ghelooue ick dat Maria was
- Nae reyne ende vore
- Die moeder is ghebenedijt
- In wiens lichaem besloten leyt
- Die Godts soon wert mensch gheboren
- Weet dat die borsten heylich waren
- Die Godt in zijn ionghe iaren
[p. xxxv]
-
- Te suyghen hadde vercoren.
-
- Godt den herderkens ontboot
- Des nachts bij haer beesten
- Metten enghel blyschap groot
- Van des Conincx feeste
- Die ghewonnen heeft een maecht
- Ende inder cribben was ghelaeft
- In doeckelkens ghewonden
- Hij is alder werelt heer
- Ende van gedaente schoonder meer
- Dan yemant is gheuonden.
-
- Doemen die werelt al bescreef
- Ghinck een maecht met kinde
- Te Bethleem daer sij doen bleef
- Ende voldroecht kint ten eynde
- Daermen aff schrijft inden houe
- Ende glorie singt met grooten loue
- Van grooter weerdichede.
- Godt hier bouen van hemelrijck
- Verleene ons menschen op aertrijc
- Van goeden wille vrede.
|