[‘Met vreuchden willen wij singhen’]
- Met vreuchden willen wij singhen.
- In desen blijden tijt
- Heer Iesus wil ons brenghen
- Al in sijn eewich rijck
- Daer toe is hij geboren
- Van eender maghet fijn
[p. xlvij]
-
- Hij stelpt des vaders thoren
- Dat soete kindekijn.
-
- Wt Yesse is ghesproten
- Een edel bloeme lofsam
- Daer is ons wt ghevloten
- Een edel bloeme dat Goddelijc lam
- Hij bracht ons offerande
- Dat dede dat leuen sijn
- Hij brack der hellen banden
- Dat soete kindekijn.
-
- Die oude vaders allen,
- Die laghen inden noot
- Met soo grooten gheschalle
- Ende met versuchten groot
- Terstont dat sij begheerden
- Dat soude geboren zijn
- Al van die suyuer geerde
- Dat soete kindekijn.
-
- Maria die suyuer gaerde,
- Diemen noyt ghenomt en vandt,
- Eer sij noyt quam op daerde,
- Was zij met Godt bekant,
- Van minnen om ons te troosten
- Dat dede sij wel aent schijn
- Loff hebt ghij, die ons verloste
- Dat soete kindekijn.
-
- Die Enghel van den throone
- Ende al dat oyt leuen ghewan
- Bekende Marien sone
- Sonder die wreede man
[p. xlviij]
-
- Herodes valsche heere
- Dat dede hi wel aent schijn
- Want hij benijde seere
- Dat soete kindekijn:
-
- Herodes wat baet v sorghen
- Ghij sijt van herten blint
- Gheen dinck en is verborgen
- Al voor dat ionghe kint
- Hy en mint geen aertsche dingen
- Sijn rijck es sonder termijn,
- Wat wilt ghij dan verdringhen
- Dat soete kindekijn
-
- Sal ick nv moeten verliesen
- Mijn eere, myn goet, myn lant
- Het sal daerom verkiesen
- Die doot van mijnder hant
- Ende kinderen van veel wijuen
- Al inden lande mijn
- Het salder oock mede blijuen
- Dat soete kindekijn.
-
- Herodes heeft voorwaren
- Van sinnen wel gemist
- Dat kint es hem ontvaren
- Met goddelijcker list.
- Daer moesten sijt besteruen
- Veel kinderen dat is wel aenschijn
- Om dat hij wilde bederuen
Dat soete kindekijn.
-
- Drij Coningen wt Orienten
- Die hadden des kints gewout,
- Sij brachten hem in presenten,
[p. xlix]
-
- Myrre, wieroock ende Gout:
- Daer mede dat sij bewesen
- Syn macht, syn ryck, sijn pijn
- Daer mede heeft hij ons genesen
dat soete,
-
- Een Ingel quam ter spraken
- Ioseph den ouden man,
- Ghij meucht v wel henen maken
- Ende varen nu hier van,
- Herodes wilt doen dooden
- Den soeten schepper dijn
- Behoet hem, van allen nooden dat soete
kindekyn.
-
- Een Esel ginck hij bereijden
- Hy en lette niet een twint,
- Daer op sette hijse beyde
- Die Moeder ende dat Kint
- Te Egipten voeren sij henen
- Al door die wilde woestijn,
- Syn macht heeft daer gheschenen,
dat soete.
-
- In deser suyuer feesten
- Sijn sy geuaren voort
- Al door die wilde foreesten
- Sy deden haer confoort
- Sij quamen daer visiteren
- Al sonder fel begrijp
- Den Heere alder heeren dat soete kindekijn.
-
- Doen sy quamen met allen
- Al in Egipten lant
- Daer sijn die Afgoden geuallen
- Al diemen daer vant
- Sij en en conden niet verdragen
[p. l]
-
- dat Goddelijck aenschijn,
- dat sij comen sagen
- dat soete kindekijn.
|