[‘Nv laet ons dancken ende louen’]
- Nv laet ons dancken ende louen
- den hoogen Godt van hier bouen
- die waerheyt en is niet gelogen
- dat vogelkijn
- Een pellicaen mach hij wel heeten
- Hy is soo fijn.
-
- Te Nazareth soo is hij comen
- Een turtelduijue heeft hij vernomen
- die welck ontfinck tot onser vromen
- dat vogelkijn Een
Pellicaen.
-
- Doen hadde Ioseph die goede
- De turtelduijue in sijn hoede
- Dat wilde hij soo ick bevroede
- Dat vogelkijn. Een
Pellicaen.
-
- Negen maenden was hij gedragen
- Al door die duijue, ten sijn geen sagen
- Sij aenbaden oock alle dagen
- Dat vogelkijn. Een
pellicaen.
-
- Thuys des paijs had hij wtvercoren
- Daer in wast dat hij was geboren
- Daer mede hielt hij dat was verloren
- Dat vogelkijn. Een
Pellicaen:
-
- Dus is een Gier nu comen te voren
- Ende heues in sijn herte thoren
- Ende duchte dat hem noch sal becoren
- Dat vogelkijn. Een
Pellicaen.
-
[p. li]
-
- Sijn clauwen heeft die Gier ontdaen
- Ende wilt begrijpen den Pellicaen
- Het is om niet, hij ist ontgaen
- Dat vogelkijn. Een
Pellicaen.
-
- Al daer Ioseph lach en sliep
- Den heyligen Ingel tot hem riep
- Staet op in Egipten vliet
- Dat vogelkyn. Een
Pellicaen.
-
- Doen wou die Ghier van rou steruen
- Om dat hij des vogelkens moeste deruen
- Menich ionck kint dede hy daerom steruen
- Dat vogelkyn. Een
Pellicaen.
-
- Als den tyt was ouerleden
- Van tweendertich iaren, dit is waerheden
- Track te Ierusalem in die stede
- Dat vogelkyn. Een
Pellicaen.
-
- Daer wert geuaen die Pellicaen
- Ende sochte die iongen metten bloede sijn
- Wt rechter ootmoet die hem quam aen
- Dat vogelkyn. Een
Pellicaen.
-
- Nu laet ons bidden wt herten goet
- Dat hij ons hoede voor die helsche gloet
- Die voor ons storte syn roode bloet.
- Dat vogelkyn Een
Pellicaen.
|