[p. lxiiij]
[‘Met vreuchden willen wij singen’]
Dit liedeken gaet op die wyse van Cleue, Hoorne, ende
Batenborch.
- Met vreuchden willen wij singen.
- Ende louen die Triniteyt
- Dat hij ons wilt brengen
- Ter eewiger salicheijt,
- Die eewelijck sal dueren
- Eewelijck sonder verganck
- Och mocht ons dat gebeuren
- Och eewelijck es soo lanck.
-
- Leefden wij naer Godts geboden
- Alsoo wij leuen souden
- Ende dienden altoos Gode
- Ende onser lieuer vrouwen. Ende lieten ouerlijden,
- Die werelt in haer verganck,
- Soo souden wij hier nae verblyden,
Och eewel.
-
- Die blydtscap es sonder eynde
- Hier bouen in hemelrijck
- Die wij daer sullen vinden
- Sij en heeft geen gelijck
- Dat is dat Goddelijck wesen
- Het schinckt ons goeden dranck
- Alsoo wij hooren lesen,
Och eewelijck es.
-
- Die Engelen van hier bouen
- Sij maken groote chier
- Laet ons hem allen louen, Het gelt ons euen dier,
- Soo mogen wij verblijden
- Ende singen den Ingelen sanck,
- Tot eewelijcke tyden,
Och eewelyck es.
-
[p. lxv]
-
- Die heylighen alle gadere
- Sij maken groote feest
- Sij louen Godt den vadere
- Den Sone, den heylighen Gheest
- Als wij die sonden laten
- Sij wetens ons grooten danck
- Sij verblijden hen bouen maren,
Och eewelijck.
-
- Maria die moeder ons Heeren
- Sij es van ons verblijt
- Wanneer wij ons bekeeren
- In desen ellendighen tijt
- Maria maghet reyne
- O edel wijngaert ranck
- Bidt voor ons alle ghemeyne,
Och eewelijck es.
-
- Nv laet ons dienen Gode
- Dat rade ick ionck ende out
- Ende houden sijn gheboden
- Ende bidden menich fout
- Dat hij ons wil beschermen
- Al vander hellen stanck
- Ende van dat eewich kermen
Och eewelijck.
|