[‘Maria moeder dinct op mij’]

Die liedeken gaet op die wijse van een ridder en een meysken &c.

 Maria moeder dinct op mij
 Want ick ben hier gheuanghen
 Mijn vrinden mijn maghen die laten mij
 Oft sij mij niet en kanden.
  
 Dat ick dus moet verscheyden sijn
 Dat en rout mij niet soo seere
 Als dat haer die edel ziele mijn
 Ghekeert heeft van onsen heere.
  
 Och edel ziel bedinct v wel
 En volcht den Gheest van binnen
 Blijft Godt ghetrow al ist vleesch rebel
 Hij salt v helpen verwinnen.
  
 Die werelt, die duyuel, en dat vleesch
 En allen mijns herten thoren
 Heeft die natuere al haren eesch
 Soo blijft die ziele verloren.
  
 Die Godt soo vrindelijck heeft verlost
 Gheroepen wtten sonden
 Keert v tot Godt, wat dat v cost
 Hij sal v openen sijn wonden.
  
 Daer ghij in moghet worden ghesont
 En rusten in grooter vreden
 O edel ziel tot alder stont


[p. xcv]

 
 Soeckt hier v salicheden.
  
 Hij en sal v niet begheuen
 Nv noch tot gheender stonden
 Nv troost v in Iesus minnelijck leuen
 En in sijn diepe wonden.