[‘Wie wilt hooren een nieu liet’]
Een nieu liedeken op de wyse. Een vrouken heb ick seer
bemint.
- Wie wilt hooren een nieu liet
- Dat sal ick singhen met desen
- Van een groot mirakel dat is gheschiet
- Nae dat Christus was verresen
- Al tot Godts glorie en onse leer
- Willen wij dit werck aenmercken
- Godt sij lof prijs en eer
[p. cxij]
-
- Nv en immermeer
- Van sijn hoochdadige wercken.
-
- Petrus en ses discipulen ontrent
- Sijn visschen gegaen bij nachten
- Heer Iesus en wasser niet present
- Daerom te vergheefs sij vrachten:
- Also als Godt het sijne niet daer toe en doet
- Laet visschen alle pastooren
- Bicht vaeders en predicanten goet
- Men doet geen boet
- Godt moet open doen die ooren.
-
- Smorghens vroech quam Iesus staen
- Opden oeuer, ons tot een leere
- En vraechden oft sij niet en hadden geuaen
- Sy antwoorden neen wij heere
- Hij sprack werpt het net ter rechter handt
- Werpt wt ghij en sult niet misschen
- Petrus worp wt, ende trock aent lant
- Sijn net daer hij in vandt
- Hondert en drijen vijftich groote visschen.
-
- Als Godt sijn benedictie stort
- Int herte der menschen coene
- Als dan sprinckt het Euangelie vort
- Als en spruijtken ionck en groene
- Als Godt wilt roepen tvercoren getal
- En in sijn dienaers preken
- Al sijnse verspreyt ouer al het swerels dal
- Niet een en sal
- Van haer mogen gebreken.
-
- Niet een onder soo grooten ghetal
[p. cxiij]
-
- En sal cleyn worden gheuonden
- Als Petrus ten oeuer trecken sal
- Sijn net al wt den gronden
- Sij sullen al sijn groot en perfeckt
- Als sij sullen comen te lande
- Diemen hier nv als cleyne versteckt
- Als dwaesen begeckt
- Met schimpen menigerhande.
-
- Doen Petrus vischten op een ander stont
- Betrouwende op Christus woorden
- Het schipken ginck by nae te gront
- Die visschen dat nette schoorden
- Die groote die beten de cleyne doot
- Dit en sachmen hier niet ghebeuren
- Hier en heeft Petrus geen sinckens noot
- Die visschen groot
- En doen het net niet scheuren
-
- Soo langhe als Christus opt twater leert
- Soo vancktmen visschen met hoopen
- Daer comender soo veel als ghij begheert
- Elck wilt hem laeten doopen
- Maer als sij in het net ghesloten sijn
- Beghinnense den stert te rueren
- Den grooten duncket te wesen pijn
- Gheuanghen te sijn
- Inder heyliger kercken mueren.
-
- Maer als den nacht sal sijn vergaen
- Den ioncsten dach opgheresen
- Sal Christus op den oeuer staen
- Met alle sijn wtgelesen
[p. cxiiij]
-
- Dan en sal wten net springen cleyn oft groot
- Want sij sullen de zee versmaeden
- Sij en sullen niet vreesen noch sieckte noch doot
- Want themels broot
- Dat salse van weelden versaeden.
-
- Prince houdt v stille in sint Peeters net
- En wilt niet springhen noch tieren
- Al woordy byde quade ghepackt verplet
- Alleen wacht v van haer manieren
- Schaut quade visschers bouen allen quaet
- Dat ghij van haer niet en wort geuanghen
- Want crijghen sij v bruylofts ciraet
- V gheloof door boosen raet
- Soo coomdy int eewich verstranghen.
|