[‘Wy moghen wel vreucht hanteren’]
Een geestelyck Liedeken, op die wyse. Ick had een
ghestaedich.
- Wy moghen wel vreucht hanteren
- En blijdelijck spelen gaen
- En alle vreemde dinghen
- Van ons verdrijuen saen
- Van Iesus eest vermaen
- Hij is ons Godt ons Heere
- Ons leuen en al ons eere.
- En om hem eest al ghedaen
-
- Twee vrouken vander steden
- Tot betanien wel bekint
- Rijck, edel, goet van seden
- Van Iesus wel bemint
- Hij was hen beste vrint
- Sij hebben hem ontfanghen
- Nae hem stont alle hen verlanghen
- En hij stont int herteken gheprint
-
- Iesus is gheganghen
- Int huys daer Martha was
- Seer neerstich onbeuanghen
- Om hem te dienen ras
- Magdaleenken es op dit pas
- Aen Iesus voeten gheseten
- Oprecht was allen haer vermeten
[p. cxxxiij]
-
- Want hijse van sonden ghenas.
-
- Sij hoorden sijn soete woorden crachtich
- Sijn minnelijcke leringhe soet
- Sij waren alsoo warachtich
- Dat sij verblijden haeren moet
- Sij en coos gheen ander goet
- Bij hem soo woudese blijuen
- In sijnder minnen beclijuen
- Hij is der sielen alsoo soet.
-
- Sij was in sijnder minnen
- Soo vierich ende vast
- Haer herteken en alle haer sinnen
- Hadde sij op hem ghepast
- Sij en dacht op gheenen last
- Op hem sij contempleerde
- Haer herteken iubileerde
- En hij was soo weerdighen gast.
-
- Martha seer sorchfuldich
- Sij en cost vergheten niet
- Sij was seer onuerduldich
- Dat haer Magdalena liet
- Sij seyde o heer nv siet
- Mijn suster en is niet werckende
- En sijdy dat niet merckende
- Segt haer dat sij v dient.
-
- Iesus onsen Heere
- Onser alder toeuerlaet
- Hij heeftse met sijnder seden
- Bescheeden als een aduocaet
- Hij seyde sij en doet gheen quaet
[p. cxxxiiij]
-
- Dan een voor alle dinghen
- Tis noot het sal v brenghen
- Tot eenen volmaecten staet.
-
- Magdalena heeft wtuercoren
- Dat alder beste deel
- In mij is sij herboren
- Van sonden es sij reen
- En sij peyst seer danckelijck
- Nv alle dinghen sijn wincken
- Die nv ter werelt blincken
- Sij sijn verganckelijck.
|