[‘Ick wil my gaen vermeyden’]
Een nieu Liedeken, en gaet op die wyse. Fortuyne wilt v keeren en
vallet my niet soo suer.
- Ick wil my gaen vermeyden
- In Iesus lijden groot
- Van daer en wil ick niet scheyden
- Int leuen noch in die doot
- Het is een prieel met bloemen
- Bedaut met soo menighen traen
- Och mocht ic daer in comen
[p. cxxxvi]
-
- Mijn trueren waer al gedaen.
-
- Men hoorden den nachtegael singen
- Al onder den scherpen doren
- Sijn herteken was vol van minnen
- Diet belieft die maecht gaen hooren
- Een liet heeft hij geheuen
- Al aen den cruycen boom
- O vader willet hen vergeuen
- Sij en weten niet wat sij doen
-
- Die scheker bat om vreden
- En hij mach wel hebben prijs
- Den nachtegael sanc, ghij sult noch heden
- Wesen bij mij int paradijs,
- Vrouwe siet daer es dijn sone
- Ioannes die moeder dijn
- Ic hebse v beuolen
- Wilt haer behoeder sijn
-
- Hij riep wel alsoo hooge
- Mijn Godt waerom soo laetti my
- Sijn herteken en dat wert drooge
- Te drincken begeerden hij
- Men schanck hem daer te drincken
- Den galle met edic gemingt
- Sijn hoofdeken dat liet hij sinken
- En hij sprack, veruult is alle dinck.
-
- O Vader in uwen handen
- Beuele ic mijnen gheest
- Met alsoo soeten sange
- Voer hij in een ander foreest
- Hij liet die violette
[p. cxxxvij]
-
- Al onder des cruijcen boom staen
- Die hem te Nazarette
- Soo ootmoedelijck hadde ontfaen.
-
- Hij liet die open roose
- Aenden cruyce hanghen bloot
- Syn bladerkens syn neder gheresen
- Die nachtegael bleef daer van minnen doot
- Hy en is niet doot ghebleuen
- Dien edelen nachtegael fijn
- Den derden dach es hij verresen
- Iesus is den name sijn.
|