[p. cxlij]
[‘O mensche wilt studeren’]
Dit nauolghende liedeken gaet op die wyse: Alle mijn ionck leuen
heb ick my, &c.
- O mensche wilt studeren
- Studeren ia studeren
- Al aen den boom des cruycen
- Aenmerckt wie daer aen hangt
- Hij hinck daer om te leeren
- Den wech der salicheyden
- Hij hinck daer om te leeren
- Wt also vierighen brant
- Peyst op hem al v leuen lanc
- Ghij moghet hem wel weten danck
- Want hijt v wt minnen schanck
Peyst op.
-
- Hij heeft v daer gesconcken
- Ghij meucht wel worden droncken
- Hij heeft v daer geschoncken
- Al van sijns hertsen bloet
- Sijn liefden es hem ontfoncken
- En es nederwaerts gesoncken
- Sijn liefden es hem ontfoncken,
- In alsoo grooten ootmoet
- Hij es soo wtermaten goet
- Het is zyn minne diet hem doet
- Hier op soo draeg ick mijnen moet.
Hij es.
-
- Hoe mocht hij meer gelijden
- Om ons van sonden te vrijden
- Hoe mocht hij meer gelijden
- Dan hij wt minnen geleec
- Hij heeft hem laeten besnijden
- In sijnen ionghen tyden
- Hy heeft hem laten besnijden
- In syn ionghe leden
[p. cliij]
-
- Hij is soo wter maten teer
- Sijn ledekens deden hem soo seer
- Nochtans soo woude hij lijden meer.
Hij.
|