[‘Een goet man had een dochterkijn’]
Een gheestelyk Liedeken van die verloren siele. Op die wyse: een
Ridder &c.
- Een goet man had een dochterkijn
- Die had hij wtuercoren
- Sij en wou hem niet ghehoorsaem sijn
- Dies had hij grooten toren.
-
- En dat was Godt den vader goet
- Hij maeckten smenschen ziel seer schoone
- Hij settese int dat paradijs
- Den Coninck vanden troone.
-
- Doen den vyant dat vernam
- Dat had hij alsoo noode
- Hij gaf der zielen dien raet
- Dat sij bracht tghebot van gode,
-
- Doen nv den vader dit vernam
- Dat alsoo was ghevaren
- Noyt mensche al in den hemel en quam
- Binnen vijfduysent iaren.
-
- Die sone Godts sprack vader mijn
- Ick heb soo grooten verlangen
- Nae die edel siele mijn susterkijn
- Die den vyant heeft ghevanghen.
-
- Die vader sprack sone mijn
- Wilt ghij daer nae gaen dalen
- Soo moet ghij lijden druc en pijn
- In alsoo grooter qualen.
-
- Och vader ick ben daer toe bereet
[p. cxliiij]
-
- Sprack hij wt rechter minnen
- Om haer te lijden druck en leet
- Mocht ickse wederom vinden.
-
- Tot Nazareth dat hij ierstmael quam
- Daer vont hij een maghet ghepresen
- Die ierste herberghe die hij daer nam
- Lof moet haer altijt wesen.
-
- Uan daer tooch hij tot Bethleem waert
- Met soeter vrolicheden
- Hij sochtse wel xxxiij. Iaer
- Omtrint Ierusalem der steden.
-
- Noch en vant hij die siele daer niet
- Dies had hij grooten dooghen
- Hij sochtse in alsoo grooten verdriet
- En met weenenden ooghen.
-
- Hij en vant die siel daer niet
- Die hij soo droeuich sochte
- Hij wilde ten berch van Caluarien gaen
- Oft hijse daer vinden mochte.
-
- Doen hij op den berch van Caluarien quam
- Hij en heeftse daer nelders vonden
- Des cruycen boom die hij opclam
- Tot dier seluer stonden.
-
- Hij riep met stemmen ouerluyt
- Och wtuercoren vrindinne
- Hoe mach dit comen, en hoe mach dit sijn
- Dat ick v nergens en vinde.
-
- Hij riep met stemmen alsoo hoogh
- En alsoo ouerlijcke seere
- Dat sij ontspranck, daer sij lach en sliep
[p. cxlv]
-
- Sij sprack o broeder, och heere.
-
- Och wat es doch den wille van dij
- Gheminde broeder vercoren
- Niemant en mach doch behoeden mij
- Want ick moet blijuen verloren.
-
- O lieue suster dat doet mij pijne groot
- Nv hoort nae mijn verclaren
- Al sou ic voor v steruen die bitter doot
- Soo moet ghij met mij varen.
-
- Och heere ic ben in alsulcken noot
- Ick ben in alsulcken lijden
- Ten sij dat ghij sterft voor mij die doot
- Soo en mach ick mij niet verblijden.
-
- Och suster seyde hij dats geerne gedaen
- Doen riep hij met stemmen schoone
- Och vader het is nv al voldaen
- Ontfanckt ons in uwen throone.
-
- Aldus wert des menschen siel verlost
- Van Iesus onsen Heere gepresen
- Het heeft hem sijn dierbaer bloet ghecost
- Loff moet hem altijt wesen.
|