Een gheestelyck Liedeken
- Och Godt dat ic oyt sonde dede
- Dat mach mij nv wel rouwen
- Ick heb dese werelt soo lang gedint
- Sij scheen mij vrint
- Ick en vantse noyt ghetrouwe.
-
- Nv wil ic gaen de werelt laten
- Van sonden wil ic mij wachten
- Wat ick bestae sij volcht mij na
[p. cxxlvi]
-
- Waer dat ic gae
- Bij daghen en oock bij nachten.
-
- Dan comt die vyant en mijn vlees
- Sij quellen mij soo seere
- Hij brengt mij soo menighen swaren leys
- In mijn ghepeys
- Och helpt mij rijck Godt heere.
Rijck godt.
-
- Helpt mij dat ick verwinnen mach
- Och Iesus soete heere
- Al sijn mijn sinnekens nv verbaest
- Helpt mij o laes
- Ic hoop sij sullen noch keeren.
-
- Een cruys van xv. voeten lanck
- Heeft hij voor ons gedragen
- Ick en vanter geen trouwe in geenen man
- Meer dan in hem
- Dat en derf mij niemant vragen.
-
- Caluarien is een paleys soo schoon
- Daer wil ick mij gaen vermeyden
- En rusten mij al onder des cruycen boom
- En hij is soo schoon
- Mijn lief wil ic daer verbeyden.
Daer verbeyden.
-
- Die teeken die sijn wtgespreyt
- En die rooskens die staen open
- Myn liefken reyct wt sijn armkens bloot
- Aenden cruyce root
- In hem staet alle mijn hopen.
Alle mijn hopen.
-
- Op hem te dincken, op hem te peysen
- En es niet al verloren
- Mijn liefken draget een cranselijn
[p. cxlvij]
-
- Dat doet hem pijn
- Ten syn niet dan scherpe doren.
Scherpe doren.
|