[‘O Iesus minne wat hebdi ghemaeckt’]
Een gheestelyk lieden op die wyse. Het viel op eenen
donderdach.
- O Iesus minne wat hebdi ghemaeckt
- Wat hebdi nv bedreuen
- Ghij hebt v seluen aent cruyce naeckt
- Om onsent wil ghegeuen.
-
- U leste auontmael hebdi bestaen
- Ghij ginckt die voeten wasschen
- Ghij hebt soo grooten deucht gedaen
- Om ons arm wormkens van asschen.
-
- Int auontmael hebdi om ons ghedacht
- Een om ons salich leuen
- Wie had oyt sulcke minne verwacht
- Ghij hebt ons v seluen gegeuen.
-
- Ten hofken gingdi corts daer nae
- Den strijdt gingdi beginnen
- In bedinghe gaefde v aldaer
- Met alsoo grooter minnen.
-
- Ter aerden laechdi gestrect al plat
- V knien gingdi booghen
- Van bloedich sweet wordi al nat
- Ghij hadt die passie voor ooghen.
-
- U herteken was in grooten noot
- Want ghij hebt selue ghesproken
- Ick ben bedroeft al totter doot
- Bij nae waest herteken ghebroken.
-
- Uan daerde sijdy opghestaen
- Als ghij saecht comen die Ioden
[p. cxlviij]
-
- Ghij sijt hen int ghemoet ghegaen
- En hebt hen v seluen geboden.
-
- Iudas quam daer onbeschamt
- Ghegroet sijdy sprack hij meester mijn
- Al cussende hebdi hem ghenaemt
- Met soete woorden v vrint te sijn.
-
- Och Iuda dief wat hebdy gevrocht
- Wat hebdi nv bedreuen
- Al cussende hebdi mijn lief vercocht
- Om xxx. penningen gegeuen.
-
- Die schaer quam binnen inden hoff
- Ghij vraechden wie sij sochten
- Sij riepen Iesus van Nazareth
- Soo luyde als sij mochten
-
- U Godtlijcke stemme was seer groot
- Ick bent sprack uwen soeten mont
- Sij vielen alle ter aerden als doot
- Ghij maectense wederom gesont.
-
- Wt minnen hebdy v laten vangen
- Voor ons wordy gebonden
- Sij smeten v aen v soete wangen
- Gelijck verwoede honden.
-
- Ghij liet v binden als een dief
- En al wt charitaten
- Dus wordy gesleypt mijn soete lief
- Al lancx die buyten straeten.
-
- Sij stieten, sij trocken v metten haer
- Tot dat sij v by Annas brochten
- Van v verlossinghe hadden sij vaer
- Om valsche getuygen sij sochten
[p. cxlix]
-
- Bloetgierich liepen sij wt den huys
- Tot Caiphas sijdy ghesonden
- Om uwen doot was haer concluys
- Twee quade getuyghen sij vonden.
-
- Uan blasphemien spraken sij v verwijt
- Sij verbonden v ooghen claere
- Sij smeten, sij riepen met grooter spijt
- Segt ons wij smit v daere.
-
- Haer spotten haer spouwen en lieten sij niet
- Het scheen sy souden v verbijten
- Van allen den nacht en sliepen sij niet
- Sij vochten omt voorsmijten.
-
- Des daechs storfdi voor mij die doot
- Snachts waerdy voor mij gesmeten
- Die minne is wter maeten groot
- Hoe soudickse moghen vergeten,
-
- Sij leyden v tot des richters hoff
- Sij trocken v met den baerde
- Al die v smeten, die spraken sij loff
- Och volck van quaeden aerde.
-
- Pilatus excusatie en hielp al niet
- Sij en wilden v niet quijt laeten
- Cruyst hem, Cruyst hem wats gheschiet
- Riepen die principaten.
-
- Sij doorgeesselden v soete lijf
- Een croone hebben sij gevronghen
- V bloet liep als beken wt
- Als sij was inne ghedrongen
-
- Pilatus verwees v gelijc een dief
- V cruys moestij selue dragen
[p. cl]
-
- Ic wil v volgen mijn soete lief
- En loochenen alle mijn magen.
-
- Der hemelen glori wert daer begect
- Des allen die Inghelen treurden
- Mijn lief wert daer opt cruys gereckt
- Dat alle sijn aderkens scheurden.
-
- Hij heeft ghesproken met herten coen
- So hij hinck aent cruys verheuen
- O vader sij en weten niet wat sij doen
- Wilt hun dit doch vergeuen.
-
- Ghedinct mijns sprack die scheker met desen
- Ghij sprackt met goeden aduijse
- Noch heden suldi met mij wesen
- Al in den paradijse.
-
- Gelijc het seyl hangt inden wint
- Soo hinc des werelts behoeder
- Doe sprack hij, wijf siet hier v kint
- Ioannes siet hier v moeder.
-
- Mij dorst riept ghij het was doch waer
- Al nae mijn salichede
- Gal en edick gauen sij v daer
- Met groote nijdichede.
-
- Ten lesten riep Iesus met grooter cracht
- Daer ick ben om ghesonden
- Het is nv altemael volbracht
- Ick heb mijn bruyt gheuonden.
-
- Nv beuele ick mijnen gheest
- O vader in uwen handen
- Hier leedt die sone Gods aldermeest
- Met perssen en met banden.
-
[p. cli]
-
- O vader, o Godt, o Iesus lief
- Wilt mijns doch nv ontfermen
- Beschermt mij voor den helschen dief
- Brengt mij in uwen armen.
-
- Iesus passie en sijn bitter doot
- Dat is nv mijn diuyse
- Iesus helpt mij wt alder noot
- En bringt mij inden paradyse.
|