[p. clxv]
[‘Ryck Godt wie mach ick clagen’]
Op die wijse alsoot begint.
- Ryck Godt wie mach ick clagen
- Dat heymelijc lyden mijn
- Dat mij dit vleesch doet dragen
- Brengende den geest in pijn
- Ic vinde mij bedrogen
- Om dat ick mij op menschen verliet,
- Daer ic alleen moeste plogen
- Te stellen alle mijn vermoghen
- In Iesus Christus swaer verdriet.
-
- O vleesch vol auontueren,
- Suldi van mij niet gaen
- Dat mij troost mach ghebeuren
- Door Godts geest soet bystaen
- Mach ick gheenen troost verweruen
- Soo blijft mijn siel in swaren druck,
- Moet ick Godts gratien deruen
- In wanhope sal ic steruen
- En lijden dat eewich ongeluck.
-
- O Iesu Godt van minnen
- Helpt mij in desen noot
- O waerheyt troosterinne
- Ic bid v met herten deuoot
- En laet mij niet verloren
- Staet mij by want wel sijn mach
- Tgene dat ick hadde vercoren
- Doet mij in drucke versmoren
- Dat clage ic nacht ende dach.
-
- O Christelijcke gheesten
- Die gheerne Godts woort hantiert
- Als ghij van dien maect feesten
[p. clxvi]
-
- Dat ghij v soo niet en regiert
- Ghelijck dees drinckers stercken
- Die altijt rellen van Godts woordt cracht
- Verachtende alle wercken
- Oordeelen alle clercken
- Door des drancx wijsheyt qualijck bedacht
-
- Die dit liedeken dichte
- Swerelts vrinden sijn hem ontgaen
- Al houden sij hem voor slichte
- Noch heeft hij wijsheyt gedaen
- Al heeft hij nv verloren
- Alder werelt vrintschap en macht
- Een ander heeft hij vercoren
- Door wien hij alle thoren
- Ontvliet, ende alle vreucht verpacht.
|