Een gheestelyck Liedeken.
- Met vreuchdelijcken sinnen
- Singhe ick een vrolijck liet
- Al vander minnender sielen
- En van dat minnelijck een
- Maer het is een een
[p. clxxvi]
-
- Het is een een alleen
- Heer Iesus eest die ick meen
- Hij is dat minnelijck een
- Daer bouen al in dat hoochste
- Daer rust dat een alleen.
-
- Die siel die queelt van minnen
- Al nae dat eewich een
- En vraghet haren sinnen
- En sijdi niet dat een
- En sij antwoorden neen
- Maer het is een een
- Het is een een alleen
- Heer Iesus eest die ick meen
- Hij is dat eewich een
- Daer bouen al in dat hoochste
- Daer rust dat een alleen.
-
- Die siele die stert noch hooger
- Daer die sonne soo claer schijnt
- Sij vraecht der sonnen en maene
- En sijdi niet dat een
- En sij antwoorde neen
- Maer het is een een
- Het is een een alleen
- Heer Iesus eest die ick meen
- Hij is dat eewich een
- Daer bouen al in dat hoochste
- Daer rust dat een alleen.
-
- Die siel vlooch noch hoogher
- Bouen alle gheschapentheyt
- Daer vant sij alle Godt Ingelen
[p. clxxvij]
-
- In grooter vrolijckheyt
- Sij vraechden wt grooter minnen
- En sijdi niet dat een
- En sij antwoorden neen
- Maer soeckt dat een alleen
- O soeckt dat een alleen
- Heer Iesus ist die ick meen
- Hij is dat minnelijck een
Daer bouen &c
-
- Die ziel die vlooch noch hoogher
- Bouen alle gheschapentheyt
- Daer vant sij alle Godts heylighen
- Met grooter claricheyt
- Sij vraechden met grooter vreuchden
- En sijdi niet dan een
- Maer sij antwoorden neen
- Maer het is een een
- Het is een een alleen
- Och Heer Iesus eest die ick meen
- Het is dat eewich een
Daer bouen &c
-
- Die siel die vlooch noch hooger
- Bouen alle Cherubinnen
- Daer sach sij Maria die moeder Godts
- Met grooter bernender minnen
- Sij hadt met grooter ootmoedicheyt
- Doet mij dat een bekinnen
- Want ic begeer dat een
- Met ganscher herten reen
- Och Godt had ic dat een
- Dat een dat een alleen
- Heer Iesus eest die ick meen.
[p. clxxviij]
-
- Hij es dat eewich een
Daer bouen &c.
-
- O ziel ghij sult bekennen
- Dat hoochste minnelijck een
- Sonder beginsel en eynde
- Soo es mijn soon alleen
- In drij persoonen een wesen
- Maer een gewarich een
- Och Iesus es dat een
- In hem es vreuchde alleen
- O siel nu vint dat een
- Dat een dat een alleen
- Heer Iesus eest die ick meen
- Mint hem en anders geen
- Mijn soon die is dat een
- Nv suldi eewelijck leuen
- Al bij dat een alleen Nv
suldi.
-
- Iesus die nam die siele
- Met grooter minnelijckheyt
- Hij dructense aen sijn sijde
- Met grooter vrolijcheyt
- Die siel versmelte van minne
- Van grooter dancbaerheyt
- Och doen had sij dat een
- Met allen heylighen ghemeen
- Och doen had sij dat een
- Dat een dat een alleen
- Heer Iesus eest die ic meen
- Hij es dat minnelijck een
- Daer sal sij eewelijck leuen
- Al bij dat eewich een.
Daer sal.
|