[p. clxxix]
[‘Ontwaeckt ghij menschen ouer al’]
Een nieu Liedeken op die wyse: Te Mey als allen die vogelkens
singhen.
- Ontwaeckt ghij menschen ouer al
- Siet wat v Christus geuen sal
- Rijst wt den slaep der sonden
- Op dat wij mogen groot en smal
- Vrome campers sijn beuonden
-
- Wilt v bekeeren wt liefden soet
- Ende bidt altijt met grooten ootmoet
- Ende wilt lancmoedich wesen
- Op dat wij moghen sijn behoedt
- Van die leeren verkeerde wegen.
-
- Ghij sijt ons trooster ons toeuerlaet
- Dus willen wij doen nae uwen raet
- Ende ons van v niet keeren
- Op dat wij niet en comen te laet
- Metten den dwasen in veel oneeren.
-
- Hij roept ons allen groot en cleyn
- Comt tot dat leuende water reyn
- Om niet sal ickt v geuen
- Ghij sijt versoent door mij alleyn
- Waer voor wilt ghij dan beuen.
-
- Uan hem compt alle salicheyt
- Hij is den wech ende die waerheyt
- Die daer leydt totten leuen
- Comt allen tot mij soo Christus seyt
- Ick en sal v niet begheuen.
-
- Wilt v fonderen op Christus woort
- En wandelt in sijnder liefden voort
- En wilt daer niet aff scheyden
[p. clxxx]
-
- En laet ons houden eendrachtich accoort
- En laet v niet verleyden.
-
- Hij heeft ons gheroepen tot eenen lichaem
- Als kinderen tot sijnen dienst bequaem
- Soo Paulus schrijft warachtich
- Totten Ephesien vintmen staen
- Sijt dit altyts voordachtich
-
- Een ghelooue, een doopsel, ende een Heer
- Wacht v wel van verkeerde leer
- Die niet en ouer comen
- Met Christus woorden ende leer
- Want Godt salse verdoemen
-
- Wy moetense schouwen als fenyn
- Want wy van Christus schapen sijn
- Die hooren sijn stemme crachtich
- Dus volcht hem nae verstaet wel mij
- In syn weghen warachtich.
-
- Mijn iock is soet, mynen last is licht
- Spreckt altoos, Godts woorden niet en swicht
- Ende wilt daer aff vermonden
- Op dat wy niet ghelyck den knecht
- Versmoort en liggen in sonden.
-
- Christus heeft ons seer bemint
- Meer dan een moeder haer eygen kint
- Alsoomen mach aenschouwen
- Hij en verlaet ons niet diet wel versint
- Al die op hem betrouwen.
-
- Lof princelijcke heere ient
- Die ons die waerheyt maect bekent
- Door uwen gheeste van bouen
[p. clxxxi]
-
- Die ons van den vader is ghesent
- Ende wilt hem altijt louen
|