[‘Sal Christi bruyt noch langhe trueren’]
P.S. Een nieu Liedeken op de wijs. Winter somer euen
groen.
- Sal Christi bruyt noch langhe trueren
- Sal tschipken lange drijuen inden wint
- Sal ons gheen sueticheyt van troost gebueren
- Wij sijn toch al eens moeders kindt
- Wech alle verscheuringe en ketterye
- V voorspel es toch min dan hoy
- Hanct aen Christum en vliet alle fantasie
- En roepet altyts viue le roij
-
- Uiue le roij dat is nu int saisoene
- Het vloyt het groeyt nu ouer al
- Viue le geulx was ooc hier voormaels groene
- Tverdwijnt nv heel deur sijnen val
- Alle plantinghe die van Godt niet en es vercoren
- Moet corts vergaen al waer sij moy
- Keert toch in tijts ten es niet al verloren
- En roepet thaluen weghe viue le roy
-
- Wilt toch altyts aen Christum cleuen
- En aen den Coninck het edel bloet
- Soo mocht ghij naemels eewelijck leuen
- Teghen sijn ouerhoot steken en was noyt goet
- En wilt v moeders borsten niet verlaten
- Sijt ghij een schaep blijft in v coy
- De woluen die loopen lancx der straten
- Blijft thuys en roepet viue le roy
-
[p. clxxxvij]
-
- Onse sonden hebben ons dit bier gebrouwen
- Dat wij drincken nu alle ghemeyn
- Wie sach oyt tgeestelijc volck toch soo verflauwen
- En deerlijck ooc groot ende cleyn
- Laet ons ons toch keeren eer ons die doot beuangt
- Vleysch, werelt, sonde het is al soy
- En hoortse niet al blaest de helsche slange
- Bidt Godt en roepet viue le roy
Prince.
-
- Laet v die opden doolwech sijt gheseten
- Onderrichten met der schriften reyn
- Keert v, Christus en sal v niet vergheten
- Al waer v minst verstant niet cleyn
- Wt liefden willen wij bidden voor onsen broeder
- Al es ons oude beter dan sijn nieu
- Wie vielen oock waer Christus niet onse behoeder
- Wij roepen viue le roy en viue le dieu.
|