[‘Israel die dleuen groot en cleyne’]
Den lofsanck gesongen van Barach ende Debora, als die bloedighe
bij Sijsara versleghen was, Int boec der Rechteren. Cap. 5.
- Israel die dleuen groot en cleyne
- Vrijmoedich int perikel hebt gheleyt
- Looft Godt den heere nv int gemeyne
- Ghebenedijt sijn maiesteyt.
-
- O heere als ghij door Seir sijt ghetogen
- En door Edom dat roode sandt
- Die hemels douden en die wolcken vlogen
- Vol waters, deerde beefden aen elcken cant
-
- Die vroomheyt was wt Israel verloren
- Als Debora es cloeck op gestaen
[p. clxxxviij]
-
- Nieuwe vendelen heeft Godt vercoren
- En svyants poorten wech ghedaen.
-
- Schilden, hellems, swerden en speren
- En waren in Godts legher niet ghesien
- Es Godt met ons wie can ons deren
- Onsen vyant die moet voor ons vlien
-
- Die Coninghen sijn ghecomen om strijden
- Met den benden slands van Chanaan
- Wat batet sij en sullen niet verblijen
- Met ghelt oft roof wat hebben sij dan
-
- Wt den hemel es daer teghen geuochten
- Met den sterren in haren loop gestelt
- Die daer stonden in slachordens gevlochten
- En dreuen Sijsaram wt tvelt.
-
- Ghebenedijt bouen allen vrouwen
- En groot geacht sijt ghij Iahel
- Die met den naghel sonder flouwen
- Bringt Sisaram in sdoots gequel.
Prince.
-
- Prince dus sullen sij alle varen
- Godts vyanden seer fel en quaet
- Godts vrinden sullen naemaels openbaeren
- Als die son in den daegeraet.
|