[p. cxci]
Een gheestelyck Liedeken.
- Hoort ghij mannen hoort, tsij arm oft rijcke,
- Den Coninck der glorien, heeft liberael
- Hoort ghij mannen hoort, voor een ijeghelijcke,
- Een croon op ghehanghen int tshemels sael
- Dees croon noyt mensch en sach,
- Met strijen men die winnen mach
- Alle daech machmen sonder schandt beginnen,
- Hoort ghij mannen hoort,
- Met vromelijck strijden is dees croon te winnen.
-
- Hoort ghij mannen hoort, dees croon sal euwelijcke
- Ist dat ghijse wint, v gegeuen sijn:
- Hoort ghij mannen hoort, het hemelrijcke
- Waer dat noch verdriet wesen sal, oft eenich pijn
- Maeckt v dan op die been
- Sijt ghij oft groot oft cleen
- Alle daech vernieut, na staet tbeminnen
- Hoort ghij. &c.
-
- Hoort ghij mannen hoort, wilt ghij nv weten,
- Met wijens dat v nv te strijen staet
- Hoort ghij mannen hoort, dees moeten sijn
verbeten
- Die werelt, het vlees, den vyant quaet
- Dees sijn altijt rebel,
- Ons Coninck { weet ghij wel }
- Om die croon tontfaen dus wilt beghinnen
- Hoort ghij mannen. &c.
-
- Hoort ghy mannen hoort die wil aenueerden
- Den strijt, hy en derff niet sijn versaecht:
- Hoort ghij mannen hoort, als sijn vermeerden
- Ruyters, den moet euen vrome draecht
-
[p. cxcij]
-
- Want den Coninck diet al siet
- Sijn hulpe altijt biet
- Die die croon om sijnen wil beminnen
- Hoort ghij mannen &c.
-
- Hoort ghij mannen hoort, wilt ghij sijn aengeschreuen
- V wert tbroot des leuens gegeuen op die hant
- Hoort ghij mannen hoort, Ghij moet u ouergeuen
- Als crijchslieden plegen, bereyt aen elcken kant
- Ghij moet swaer cleeden doen wt,
- Een harnas nemen dat sluyt
- Met den wille, te minsten beginnen
Hoort. &c
-
- Hoort ghij mannen hoort, schijnt dit te swaer te wesen
- Denckt in wiens dienst dat wert ontfaen
- Hoort ghij mannen hoort, sijn bloet ghepresen
- Heeft hij voor v gestort, die doot aenghegaen
- Het is ons Godt ons heer,
- Allen goet ist, wildy meer.
- Wilt die croon { tis v profijt }
beminnen. Hoort. &c
-
- Hoort ghij mannen hoort, soeckt ghij practijcken
- Hoe dat ghij dees vyanden, sult aengaen:
- Hoort ghij mannen hoort, met meest te wijcken,
- Met vierighe pijlen, sult ghij best bestaen
- Want wie vliet, haer ontgaet:
- Die Godt bidt tot sijnder baet,
- Seynt sijn Engels die ons saec beminnen
Hoort. &c
-
- Hoort ghij mannen hoort, dunckt v dit niet te
wesen
- Kenmerckt eens wat dat Elizeo is gheschiet:
- Hoort ghij mannen hoort, van Israhel wilt lesen
- Thobiam Mariam en Ioseph aensiet
[p. cxciij]
-
- Want som sijnde gheuliet
- Ontgaen sijn al tverdriet
- Door die Engels wilt dan stout beginnen.
Hoort. &c
-
- Hoort ghij mannen hoort, vint ghij nv tijtelijcke
- In strijden verdriet, v oogen eens opslaet:
- Hoort ghij mannen hoort, het eewich rijcke
- Hoe dat in den hemel die croon blinckende staet
- Siet hoe ghij moocht sijn gheeert,
- Salich wie dus strijden leert
- Niemant en can dees croon genoech
beminnen Hoort.
-
- Hoort Princen hoort, nv die croon is
opgehangen,
- Te velde doch coompt, eer v verrast die doot,
- Hoort Princerssen hoort, wilt oock met ganghen,
- Want uwen loon sal wesen euen groot,
- Wie ghij sijt neempt eenen moet
- Hout voor v deewich goet
- Sijt ghij groot oft cleyn wilt terstont beginnen:
- Hoort ghij mannen hoort
- Met vromelijck strijden is dees croon te winnen.
-
- Amen.
|