Hoofsheid is een ernstig spel


auteur: anoniem Hoofsheid is een ernstig spel


editeur: Theo Meder


bron: Theo Meder (samenst.), Hoofsheid is een ernstig spel. Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 1988.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 130]

Nawoord

‘Opstaan voor iemand misstaat niemand.’ Hierop worden we in bus en tram door middel van stickers attent gemaakt. Iemand met jonge benen hoort op te staan voor zwangere vrouwen en oude dametjes met zware boodschappentassen. Het feit echter dat er stickers nodig zijn om hierop te wijzen, kan erop duiden dat de beleefdheidsregel aan kracht begint in te boeten...

Hoe hoort het eigenlijk? Etiquetteboeken bestaan bij de gratie van deze vraag. De beleefde omgang met onze medemens is gebonden aan een aantal geschreven en ongeschreven spelregels.

Zonder daar steeds volop van bewust te zijn, tonen we door een hand te geven, dat we het met de ander goed menen. Het handen geven wortelt in een eeuwenoud gebruik: men laat de ander merken geen wapen achter de hand te houden en dus geen kwade bedoelingen te hebben. Wie een hand weigert, schept ook tegenwoordig nog opzettelijk een vijandige sfeer.

Dergelijke regels hebben alles te maken met beschaving. De ware gentleman treedt zijn medemens met respectvolle gemanierdheid tegemoet, laat de ander in zijn waarde en plaatst deze niet voor onaangename verrassingen. Hij is een heer; galant, hoffelijk en ridderlijk. Deze begrippen herinneren aan de middeleeuwen. Hoewel men - ten onrechte - wel geneigd is de middeleeuwen te beschouwen als een donkere periode van ruwe barbaarsheid, gaan veel goede manieren terug op de hoofse zeden die toen in adellijke kringen werden ontwikkeld en onderhouden.

In die kringen vond een beschavingsontwikkeling plaats, waarbinnen het van goede manieren getuigde om eerst op de deur te kloppen voor men binnentrad, en als stuitend werd ervaren wanneer iemand zijn neus aan het tafellaken afveegde.

[p. 131]

Hoofsheid: ontstaan, bloei en neergang

Na het jaar 1000 leefde de middeleeuwse maatschappij in velerlei opzicht op: de landbouwtechnieken verbeterden, er kwam meer voedsel op de markt, er viel een sterke bevolkingsgroei te constateren, er werd langzaam aan steeds meer land gekoloniseerd en ontgonnen, men ging weer steden bouwen waar vrije burgers zich vestigden en zich op gespecialiseerde beroepen gingen toeleggen, binnen- en buitenlandse onrust nam af, en handel, nijverheid en industrie bloeiden op. De ruilhandel maakte plaats voor een stabiele geldeconomie, en overal nam de luxe toe. De communicatie over grotere afstanden verbeterde in de loop van de 12de en 13de eeuw, de aandacht voor de wetenschap groeide en universiteiten werden gesticht. Aan de adellijke hoven, centra van bestuur, ontstonden bureaucratische systemen.

Vanaf de 12de eeuw hebben dergelijke ingrijpende veranderingen gezorgd voor een lange periode van ongekende bloei in West-Europa. En omdat de maatschappij veranderde, was ook de tijd rijp voor nieuwe denkbeelden en nieuwe normen- en waardenpatronen.

Daarvoor vormden de hoven der vorsten de eerst aangewezen voedingsbodem. Het feodale systeem van leenheer en vazal bleek in de praktijk steeds gebrekkiger te functioneren, hoezeer men het in de letterkunde ook nog als ideaal afgeschilderd heeft. De grote leenmannen gingen zich allengs meer vorst in eigen territorium voelen en begonnen hun plichten ten opzichte van hun leenheer te verzaken. De piramidevormige maatschappijstructuur viel in fragmenten uiteen. De vorst ging zijn heil zoeken bij de gehoorzamer lagere adel, de vrije en de half-vrije mannen. In plaats van hen te belenen, nam hij hen tegen betaling in dienst als raadgevers en militairen: dit waren de ridders. Een deel van hen kwam bij de vorst aan het hof wonen. Met name de klasse der ridderschap steeg zo enorm in

[p. 132]

aanzien, dat de hoge adel ook tot de ridderschap toetrad.

De algehele economische opbloei, de sociale verschuivingen, de eerste contacten met de luxueuze en beschaafde cultuur der Moslims via kruistochten en handel, en de hang naar een nieuwe wijze van leven en denken, zorgden aan de adellijke hoven voor het ontstaan van de hoofse cultuur. Deze hoofsheid stond in nauw verband met de snel opgeklommen en prestigieuze ridderschap met z'n dienstidealen: dienst aan de heer, dienst aan de uitverkoren dame en dienst aan de kerk.

Vanaf de 14de eeuw, wel de crisis van de late middeleeuwen genoemd, nam de maatschappelijke invloed van adel, hof en ridderschap langzaam af. Men verloor zich in twisten en oorlogen, terwijl kerkscheuring, misoogsten, natuurrampen en epidemieën de crisis nog verergerden. Adel en ridderschap verloren allengs hun greep op het landsbestuur, want de vorsten hadden - door de nood gedwongen - in de machtige steden nieuwe bondgenoten gevonden. Daar zat nu het kapitaal, en de steden konden bovendien veel soldaten en geschoolde mensen leveren. Daarbij namen de steden graag deel aan het landsbestuur om hun eigen belangen zo goed mogelijk te kunnen behartigen.

De maatschappelijke macht kwam zo meer en meer aan de nieuwe burgerstand; cultureel gaf de adellijke elite nog voor korte tijd de toon aan, alhoewel de burgers zelf ook een eigen literatuur begonnen te schrijven.

 

Het hoofse ideaal

Het begrip hoofs is globaal te omschrijven met de termen: beschaafd, fijn van manieren, welopgevoed, wellevend, beleefd. De hoofsheid was, kortom, een beschavingsverschijnsel. En de woorden hof, hoffelijk en hoofs zijn niet zonder reden met elkaar verwant.

Tegelijk met de 12de-eeuwse opbloei en het intensiever wor-

[p. 133]

dende hofleven, kwam er ook een verfijnde hoofse literatuur tot stand. Deze hoofse letterkunde weerspiegelde de idealen, normen en waarden die aan het hof gecultiveerd werden.

Het begon allemaal in Frankrijk. Eind 11de, begin 12de eeuw vingen in het zuiden de troubadours aan hun hoofse lyriek te dichten, terwijl in het noorden - tegelijkertijd of kort daarop - de trouvères hun hoofse lyriek en de romanciers hun hoofse romans schreven. De beroemde romancierChrétien de Troyes ( ± 1135-1190) zorgde voor de grote doorbraak van de hoofse letterkunde.

Vanuit Frankrijk verspreidde zich het hoofse cultuurgoed van hof tot hof over West-Europa. De hoofse letterkunde werd aan de hoven in opdracht van de adel beoefend. Tot het hofpubliek - de primaire consumenten van hoofse literatuur - moeten we globaal gezien rekenen: de vorst met zijn familie, de leden van de vorstelijke raad met hun aanhang, de geletterde klerken (ambtenaren van de kanselarij, hofkapelaans), ongehuwde (jonge) ridders, hofpersoneel en allerhande adellijke, geestelijke en burgerlijke gasten.

De hoofse letterkunde, waarbinnen het thema van de hoofse liefde regelmatig domineert, ging meer en meer de adellijk-ridderlijke idealen verwoorden. Hoofse teksten zijn derhalve bij uitstek mentaliteitsdragers. De adellijke dame kwam in hoger aanzien te staan. En een ridder moest zijn geliefde vereren; hij moest haar onderdanig en volgens de regels der wellevendheid dienen, naar analogie van de ‘feodale’ dienst die de ridder aan zijn heer verplicht was, en hij kon haar slechts met veel geduld en moeite voor zich winnen. De verfijnde liefde voor de vrouwe, hoe verheven ook, behelsde overigens geen platonische relatie; de vriendelijke benadering van de dame beperkte zich niet steeds alleen tot een hunkering op afstand, maar droeg ook de mogelijkheid van lichamelijk contact in zich. Maar ook als de uitverkoren (jonk)vrouwe hopeloos onbereikbaar was, mocht de ridder niet aflaten zijn diensten aan te bieden. De

[p. 134]

liefdesdienst, die vaak inspireerde tot het ondernemen van avonturen en het verrichten van dappere daden, bezat naast een veredelende werking bovendien een sacraal karakter en mocht niet ontheiligd worden door loslippigheid of snoeverij.

Hoofsheid was onverbrekelijk verbonden met de adel en dus pasten luxe en luister binnen de hoofse gedachtenwereld. Het lezende en vooral luisterende publiek kon geen genoeg krijgen van de beschrijvingen van grote hoffeesten, overdadige maaltijden, fraaie interieurs, mooie jachtpartijen en luisterrijke toernooien in de hoofse teksten.

Maar de hoofse belevingswereld ging verder dan liefde en luxe. Tot de adelscode behoorden verder bijvoorbeeld het vermijden van wrijvingen onderling, het bewaren van de zelfbeheersing en het respecteren van elkanders privé-sfeer; en dat was op een soms overvol hof wel nodig!

Verder moest een hoofse ridder - zowel in de literatuur als in de werkelijkheid - deugden bezitten als dapperheid, gematigdheid, rechtvaardigheid, vrijgevigheid en trouw. De hovelingen moesten aanstoot-geven zien te vermijden en dienden de regels der etiquette, bijvoorbeeld aan tafel, in acht te nemen. Iedereen moest zijn plaats kennen, zijn meerderen respecteren en hulde brengen.

Enerzijds had men zich te conformeren, anderzijds kon men zich in verfijnde manieren onderscheiden; al was het maar door iemand te laten voorgaan als blijk van hoogachting. Men diende voorts modieus gekleed te gaan, had te zorgen voor een onberispelijk uiterlijk en moest in staat zijn tot het voeren van aangename en kiese conversatie. De minnaar diende voorts bedreven te zijn in hofmakerij en een ieder moest blijk kunnen geven van kunstzinnigheid. Bovendien behoorde men bekwaam te zijn in sport (de jacht met valken of honden, het toernooi) en spel (schaak, triktrak, kaartspel).

De vorsten begunstigden de hoofse literatuur die deze idealen verbeeldde, want het veraangenaamde het hofleven als de

[p. 135]

hovelingen zich aan deze idealen spiegelden en zich in de hoofse gedragscode oefenden. Het is waarschijnlijk, dat ook juist de adellijke dames de hoofse literatuur een warm hart toedroegen en begunstigden; niet alleen vanwege hun sterk ontwikkelde literaire smaak, maar ook omdat die literatuur de vriendelijke omgang met vrouwen voorstond.

Naast het feit dat de hoofse literatuur en het onderhouden van auteurs een statussymbool was voor de kunstbeschermende vorst - de maecenas -, vervulde de hoofse letterkunde voor het hofpubliek twee functies. In de eerste plaats bood zij amusement; men had een overschot aan vrije tijd, die op aangename wijze moest worden doorgebracht. In de tweede plaats verschafte de literatuur lering: de ideale ridders - gehoorzaam aan de vorst, altijd bereid om het gevaar te trotseren, dapper, schier onoverwinnelijk, rechtvaardig, knap van uiterlijk, vol vertrouwen op God, uiterst beleefd in de omgang - en de ideale jonkvrouwen - kuis, oppassend, verstandig, tot oordelen kundig, welbespraakt, beminnelijk, buitengewoon mooi - dienden als lichtende voorbeelden. De levensstijl der ideale romanfiguren werd het publiek voorgehouden, opdat ieder op zijn eigen niveau kon proberen het ideale model te benaderen. Niet alleen in de romans en verhalen overigens, maar ook in de (minne)lyriek, de moraliserend-didactische teksten, het wetenschappelijke werk en de geschiedschrijving speelde de hoofse code lange tijd een rol van betekenis.

Die hoofse code stelde het hofpubliek mede in staat om zich tegen andere groepen in de samenleving af te zetten: de geestelijkheid, die haar eigen, religieuze, ethiek en esthetiek had, en de boeren en burgers, die meer dan eens afgeschilderd worden als kinkels zonder gevoel voor hoofse beschaving.

De nabloei van de hoofse cultuur loopt tot in de 16de eeuw door, maar het hoofse literaire genre was in de 14de eeuw al op zijn retour: men produceerde steeds minder en reproduceerde veelvuldiger in de vorm van kopiëren en hervertellen. De rol

[p. 136]

van de adel raakte uitgespeeld en de burgerij diende zich aan als nieuwe ster aan het economische en politieke firmament.

Aanvankelijk probeerden de rijk geworden burgers de adel en zijn letterkunde te imiteren bij gebrek aan een eigen culturele identiteit: ze imiteerden wat ze zagen aan het hof. Na verloop van tijd ontwikkelde de burgerij echter haar eigen literatuur waarin haar eigen normen- en waardensysteem werd ondergebracht. Na 1450 werd de verspreiding van een ‘burgerlijke’ literatuur bevorderd door de uitvinding van de boekdrukkunst. De adel trok zich langzaam aan terug uit het maatschappelijke leven, al beriep hij zich in zijn literatuur nog een tijdje op zijn onmisbaarheid. De edelen bleven de kunst ondersteunen, maar voor de rest was het vergane glorie. In de burgerlijke literatuur en moraal is een deel van de adellijke hoofsheid blijven hangen, soms enigszins aangepast of onbegrepen; een ander deel is echter verloren gegaan.

 

De hoofse teksten

De eerste vertaling uit dit boekje, De burggravin van Vergi, is een juweeltje van vroeg-14de-eeuwse vertelkunst, bewerkt naar het Franse La chastelaine de Vergi. Het verhaal is in feite een illustratie van één belangrijke raadgeving uit de hoofse gedragscode: je moet je liefde geheimhouden. Het was in de middeleeuwen een bekend literair motief, dat er in de liefde altijd kapers op de kust waren, die er - meestal uit afgunst - behagen in schiepen de liefdesrelatie te gronde te richten. En in het werkelijke hofleven zullen jaloezie en roddel ook zeker een realiteit van alledag zijn geweest.

Het thema van de geheimhouding wordt in dit verhaal uitgewerkt aan de hand van een driehoeksverhouding. Het moet de lezer niet verbazen dat de getrouwde burggravin er een minnaar op nahoudt, noch dat een eveneens gehuwde hertogin een minnaar wil nemen. Men moet bedenken dat de adellijke hu-

[p. 137]

welijken in de middeleeuwen gearrangeerde verstandshuwelijken waren: het huwelijk werd niet uit liefde gesloten, maar uit economische, politieke, territoriale en dynastieke overwegingen (het zorgen voor een erfopvolger). Het werd derhalve in hofkringen oogluikend getolereerd dat men er voor zijn plezier een liefje op nahield, zolang dat maar niet algemeen bekend werd. (De kerk heeft zich overigens heftig verzet tegen dergelijke ontheiligingen van het huwelijkssacrament.) Het verstandshuwelijk was kortom realiteit, de hoofse liefdesrelatie het (na te streven) ideaal, dat in het geval van overspel door de kerk werd veroordeeld. Onder invloed van de christelijke moraal hebben (geestelijk geschoolde of religieus bewogen) auteurs in de literatuur wel naar compromissen gezocht: resultaat waren de (voor de hand liggende) hoofse liefdesrelatie tussen twee ongehuwde geliefden en het marriage d'amour, het huwelijk uit liefde. Met name dit laatste was natuurlijk weer een ideale voorstelling van zaken.

Het exemplarische van het Vergi-verhaal zit hem niet alleen in de moraal van de geheimhouding, maar ook in het gedrag en karakter van de hoofdpersonen.

Het meest hoofs is de sympathieke burggravin, de ideale geliefde, die uiteindelijk sterft aan een gebroken hart. Ook de ridder bezit voldoende hoofse kwaliteiten, trouw als hij is aan zijn geliefde en zijn heer, maar hij begaat een beoordelingsfout door zijn belofte van geheimhouding te verbreken. En als de geheime liefde eenmaal bekend wordt - of dreigt bekend te worden - dan komen de emoties los, op middeleeuwse wijze enigszins uitvergroot. Dan begint zelfs de meest onversaagde ridder te trillen als een espeblad, dan biggelen ook bij hem de tranen over de wangen. Het zal nu met zijn levensvreugde, die de liefde hem zo zichtbaar schonk, gedaan zijn.

Ook de hertog laat zich in z'n onvoorzichtigheid overhalen zijn gelofte van geheimhouding te breken, zodat hij en de twee geliefden het slachtoffer worden van de listen van de hertogin.

[p. 138]

Uiteindelijk laat de hertog het recht zegevieren, maar hij kan niet nalaten zichzelf verwijten te maken.

De hertogin staat voor de pseudo-hoofsheid. Zij tracht de schijn op te houden, maar is in feite doortrapt, houdt zich opzettelijk niet aan haar belofte en geeft toe aan haar allesverterende afgunst, een van de zeven hoofdzonden.

De burggravin van Vergi is niet alleen een unieke tekst vanwege de scherpe karaktertekening, de adequate uitwerking van het thema der geheimhouding en het motief van de problematische keuze tussen de dienst aan de dame en de dienst aan de heer, het verhaal is bovendien, samen met het beroemde verhaal van Tristan en Isolde, een van de weinige middeleeuwse teksten met een tragisch slot.

 

Het boekje van goede zeden is het oudste Nederlandstalige etiquetteboekje dat we kennen. Het is een bewerking van een Latijns werkje (het Liber faceti docens mores hominum, een vervolg op de Disticha van Cato) dat een honderddertigtal zedenlessen bevat, gegoten in een compacte versvorm. Het Latijnse boekje werd in de middeleeuwen gebruikt als schoolboekje, om de grondprincipes van de Latijnse grammatica uit te leren en te oefenen, terwijl de leerlingen - die de tekst uit hun hoofd moesten leren - er meteen wat wijsheid uit konden opsteken.

Met de Middelnederlandse vertaling ervan, kwam de nadruk volledig op de belerende functie te liggen. De oorspronkelijke doelgroep van het Latijnse werkje bestond uit schoolgaande kinderen. Gezien de inhoud zullen hiertoe waarschijnlijk ook zoontjes van edellieden en (zeer) bemiddelde burgers gerekend moeten worden, die voorbestemd waren om later de wat hogere functies in het wereldlijke leven te gaan bekleden, variërend van bode of bediende in hoofse kringen tot invloedrijk edelman.

Maar het boekje werd vervolgens in vertaling ook buiten de schoolmuren aan de hoven der edelen en in de huizen van de

[p. 139]

patriciërs zelf gebruikt, bedoeld om een ieder die in die kringen moest verkeren in de etiquette in te wijden, of om de kennis op te frissen.

De algemene levenswijsheden en gedragsregels worden hier niet verpakt in de vorm van een aangenaam verhaal met een moraal. De lezers en luisteraars worden ditmaal direct onderwezen in de hoofse code: tafelmanieren, regels met betrekking tot ieders plaats in de maatschappelijke hiërarchie - waarvan iedereen zich bewust diende te zijn -, nuttige wenken voor op reis of bedevaart, tips voor het dagelijkse leven. Het merendeel der wenken staat in het teken van het vermijden van ongepast gedrag en schande en het nastreven van aangepast gedrag en eer, wat zoveel betekent als het onderhouden van de goede naam voor het oog van de buitenwereld. Kortom: het boekje levert een aantal basisprincipes waarmee jongelingen en oningewijden het hoofse wereldse leven tegemoet kunnen treden.

De onbekende vertaler die Het boekje van goede zeden uit het Latijn in het Middelnederlands omzette, heeft geen letterlijke vertaling voortgebracht, maar een persoonlijke selectie gemaakt en de Latijnse inhoud in zijn eigen bewoordingen weergegeven.

Soms heeft hij wat weggelaten, toegevoegd of gewijzigd, hetgeen in de middeleeuwen geen ongebruikelijk procédé was. De auteur heeft bijvoorbeeld verschillende op de Bijbel geïnspireerde raadgevingen toegevoegd.

Een treffend voorbeeld van een wijziging is de raad om te gaan verhuizen als je overhoop ligt met je buren. In het Latijnse werkje stond: ga echtscheiden van een weerspannige echtgenote! Deze raadgeving kon de auteur kennelijk niet in overeenstemming brengen met zijn katholieke geweten: uitzonderingen daargelaten was (en is) echtscheiden volgens de katholieke leer onwettig.

Over de gang van zaken rond de maaltijd volgt hier nog enige toelichting voor een juist begrip van de verschillende raadge-

[p. 140]

vingen. Met name aan het hof was het gebruiken van de maaltijd een gecultiveerd groepsgebeuren. Tegen etenstijd werden er schragentafels in de grote zaal geplaatst, waar tafellakens overheen gingen. De hovelingen werden naar rang en stand aan de tafels ingedeeld. Eerst gingen dan de wasbekkens en de handdoeken rond om zich de handen te wassen. Daarna kwamen in verscheidene gangen de spijzen ter tafel. Men at gewoonlijk twee aan twee van één bord, en dronk ook wel uit één beker. leder had een servet en een mes, terwijl het gebruikelijk was dat één van de twee disgenoten de porties van de op tafel staande spijzen (veelal vleesgerechten) afsneed en voor beiden op het bord legde. Het spreekt dus voor zich, dat het gebruiken van de maaltijd in beschaafde kringen enkele ‘hygiënische’ en beleefdheidsregels kende. En ook na afloop van de maaltijd waste men zich de handen.

Het boekje van goede zeden illustreert soms hoezeer onze etiquette en belevingswereld een geëvolueerd produkt vormen van de middeleeuwse beschaving, terwijl het anderzijds af en toe wat meer van ons inlevingsvermogen vergt. Men denke wat dit laatste betreft bijvoorbeeld aan het advies om niet bij roodharige mensen te overnachten. Aan mensen met rood haar werden duivelse eigenschappen toegekend, aangezien zij onder invloed van duivelse inblazingen in zonde waren verwekt, namelijk - zo meende men - tijdens de menstruatieperiode van de vrouw.

 

Het verhaal Over het feest, een bijzondere samenspraak is geen vertaling, maar een oorspronkelijke Middelnederlandse tekst, waarvan we de auteur echter wederom niet kennen.

Het verhaal behoeft op twee punten toelichting. In de eerste plaats is daar de klerk (Middelnederlands ‘clerc’), die zeker geen kantoorklerk is in de moderne zin van het woord. Het probleem is evenwel dat de benaming klerk in het Middelnederlands een scala aan betekenissen omvat, zoals: geestelijke,

[p. 141]

geleerde, geletterde, schoolmeester, ambtenaar, dichter en raadsman. Mogelijk hebben we in dit geval (onder andere gezien zijn aanwezigheid op het feest) te maken met een klerk in dienst aan het hof van een wereldlijk heer. Hij zal dan wel een schrijvende functie hebben bekleed in de kanselarij, de administratie van het hof. Zoals menige klerk zal hij een zekere theologische scholing hebben gehad, zodat hij in elk geval goed kon lezen en schrijven, het Latijn beheerste en thuis was in een aantal wetenschappelijke disciplines. Mogelijk behoorde onze klerk tot de lagere wijdingen, was hij derhalve niet strikt gebonden aan het celibaat en had hij zijn deskundigheid niet in dienst gesteld van de kerk, maar - zoals meer van zijn collega's - aangeboden in een adellijk-wereldlijk milieu. Blijkbaar had onze klerk naast zijn bezigheden als ambtenaar op de kanselarij (zo hij dit was) nog tijd over om wetenschappelijke boeken over de liefde te bestuderen. En wellicht was hij in zijn vrije tijd zelfs dichter, wat niet geheel ongebruikelijk was voor dit soort ambtenaren.

In elk geval was onze klerk interessant genoeg, om voor het voortreffelijke hoffeest geïnviteerd te worden. De tekst blijft daarover niet lang duister: de klerk suggereert dat de hoofse gemanierdheid van de jonkvrouw voortkomt uit de veredelende werking der liefde. De jonkvrouw wil weten wat liefde is, en de klerk ontpopt zich als een autoriteit op dit gebied. Hij blijkt aangenaam gezelschap te zijn en een verfijnd causeur (typerend voor de hoofse mens), die met veel kennis van zaken over de edele liefde kan spreken. De complexe gedragscode rond de hoofse liefde passeert nu de revue.

Aldus wordt deze literaire samenspraak tegelijkertijd een ‘handleiding’ voor hoofse minnaars die de ideale liefde nastreven en haar wezen en werking willen doorgronden.

Daarmee zijn we aanbeland bij het tweede punt dat om uitleg vraagt: de middeleeuwse temperamentenleer speelt in deze tekst een belangrijke rol. De theorie der temperamenten, ruim vóór de middeleeuwen ontwikkeld door Hippocrates, begint in

[p. 142]

feite bij de vier oerelementen aarde, water, lucht en vuur. Deze elementen, waar ook de mens uit is opgebouwd en die hij in de vorm van voedsel tot zich neemt, dragen een combinatie van de vier tegenstellingen (koud, warm, vochtig en droog) in zich. Vuur is warm en droog, lucht is warm en vochtig, water is koud en vochtig en aarde is koud en droog.

De vier oerelementen en tegenstellingen vinden we in de mens terug als vier lichaamssappen of humores, die door een bepaalde mengverhouding het karakter (de natuur, het temperament, het humeur) van de mens bepalen. Volgens de middeleeuwse medische opvatting was het zo, dat als een der lichaamssappen overheerste, er ook een bepaald humeur of temperament overheerste. Van invloed hierop waren onder andere het voedsel dat men at, de werking der diverse organen, de stand van sterren en planeten, het jaargetijde en de leeftijd van desbetreffende persoon. Men onderscheidde aldus:

1. Het sanguïnische temperament: warm en vochtig. Het overheersende lichaamssap is bloed (sanguis). Mensen met dit temperament noemen we warmbloedig en opgewekt. Een arts kon tot aderlating besluiten indien het sanguïnische temperament kritieke vormen ging aannemen. Het was daarbij wel raadzaam van tevoren de horoscoop van de patiënt te trekken, om te zien of het moment voor aderlating wel gunstig was.

2. Het cholerische temperament: warm en droog. Het overheersende lichaamssap is gele gal (cholos). Een cholericus is opvliegend, heetgebakerd en snel driftig. Dit temperament treffen we vaker bij mannen aan en openbaart zich het duidelijkst in zuidelijke streken en in de zomer.

3. Het flegmatische temperament: koud en vochtig. Het overheersende lichaamssap is slijm (phlegma). Een flegmaticus is bedaard, bijna ongevoelig kalm. We treffen dit temperament vaker bij vrouwen aan. Flegmatische types komen we het meest tegen in het noorden en in de winter.

4. Het melancholische temperament: koud en droog. Hier

[p. 143]



illustratie

Schematische weergave van de temperamentenleer
Bron: R. Jansen-Sieben: De vrouw in de medische literatuur, p. 162


[p. 144]

overheerst de zwarte gal (melas cholos). De melancholicus noemen we zwaarmoedig, zwartgallig. Dit temperament openbaart zich het duidelijkst in westelijke streken en in de herfst. De melancholicus kan men trachten te genezen middels muziek, liefde en andere aangename zaken, al moet men zich realiseren dat echte melancholici hopeloze gevallen zijn.

In Over het feest worden aan de temperamentenleer bepaalde, wetenschappelijk gefundeerde, consequenties verbonden. Zo blijkt, dat alleen mensen met hetzelfde temperament op elkaar verliefd kunnen worden. Verder blijken de sanguïnische types de meest hartstochtelijke minnaars te zijn. Ja, de leer biedt zelfs een verklaring voor een even hachelijke als interessante kwestie: het verschillende gedrag van man en vrouw in de liefde! Zo neigen de veelal vurige, cholerische mannen bijvoorbeeld tot het maken van slippertjes, terwijl de vrouwen door hun kalme, flegmatische complexie minder impulsief en veel getrouwer in de liefde zijn. De tekst steekt in dit oordeel positief af bij diverse vrouwonvriendelijke teksten van onhoofse signatuur, die de middeleeuwse vrouw een immer wellustige en overspelige inborst toedichten.

Zie verder voor de complexiteit van de, hier versimpelde, temperamentenleer de schematische weergave hiervoor. Overigens is ook dat schema nog een vereenvoudigde voorstelling van zaken met betrekking tot de veelzijdige visie op de micro- en macrocosmos van de middeleeuwse wetenschap.

Onze huidige medische wetenschap hecht geen waarde meer aan de opvatting dat het temperament zou berusten op de mengverhouding van de vier lichaamssappen. Maar aan de terminologie en indeling heeft men in de psychologie, ter typering van de overheersende gemoedsgesteldheid van personen, tot op de dag van vandaag vastgehouden.

 

De bron van Het verhaal van Cassamus is een grote Franse roman, waarin een langdurige oorlog wordt beschreven: Les

[p. 145]

voeux du paon ou le roman de Cassamus. Blijkbaar was het de Middelnederlandse auteur niet te doen om een complete vertaling, maar om een aantal specifiek hoofse episodes uit deze roman. Slechts deze episodes vertaalde en bewerkte hij naar eigen inzicht. Daardoor heeft de tekst weliswaar een duidelijk begin, doch een ‘open einde’.

Een voorganger van deze onbekende auteur had dit al eens precies zo gedaan: zoals we hierna zullen zien bewerkte Segher Diengotgaf episodes uit de complexe Troje-stof tot drie hoofse verhalen, die binnen de Troje-historie op zichzelf staan. Opvallend daarbij is dat Seghers ‘trilogie’ en Het verhaal van Cassamus beide in de klassieke oudheid spelen.

Het verhaal van Cassamus, geschreven in de eerste helft van de 14de eeuw, speelt ten tijde van de machtige Alexander de Grote, die men in de middeleeuwen tot de negen allerbeste strijders ter wereld rekende; aan hem mocht iedere edelman zich spiegelen - in dit verhaal ook zeker op het gebied van hoofsheid.

Door de bewerkingstechniek van de auteur is de nadruk op de oorlog in de Franse roman verschoven naar een nadruk op de hoofse cultuur. In de compactere Middelnederlandse tekst vermengt de dichter op subtiele wijze drie belangrijke aspecten van de hoofsheid: de strijd, de liefde en het spel.

De strijd speelt zich op drie niveaus af. In de eerste plaats is daar de reële strijd, de oorlog tussen de familie-oudste Cassamus met zijn bondgenoten en Clarijs met zijn leger. In de strijd kan de hoofse ridder zijn moed tonen, en als hij dapper vecht, vergroot hij daarmee zijn aanzien. Door strijd te leveren wordt hij nog deugdzamer en hoofser. Een gevecht kon voor de adel een soort sportevenement zijn: men genoot van een mooi steekspel of zwaardgevecht.

In de tweede plaats tekent zich een ‘verbale strijd’ af in het zogenaamde koningsspel. Dit was een hoofs gezelschapsspel, waarin iemand met een strohalm symbolisch (een feodaal ge-

[p. 146]

baar) tot koning werd gekozen. Deze koning moest vragen stellen over allerlei liefdeskwesties, die de aanwezigen zo eerlijk mogelijk moesten beantwoorden. Vervolgens ondervroegen de anderen dan de koning. In het verhaal wordt zodoende ieder in de kamer van Venus onderworpen aan vragen over de liefde. Er wordt met spitsvondigheden geschermd. Paren vormen zich (Edea en Casseel, Ydorus en Bettijs) en er blijven twee eenlingen over: Cassamus is te oud voor de daadwerkelijke liefde, Phesonie vooralsnog te hooghartig. Met name de jaloerse Phesonie doet laatdunkend over de liefde en spot met de geliefden.

Op het derde niveau vindt er een strijd plaats op het schaakbord: twee legers van schaakstukken trekken tegen elkaar ten strijde onder leiding van Phesonie en Casseel.

De liefde domineert het hele verhaal. Telkens wordt benadrukt dat ridders op het slagveld tot bovenmenselijke prestaties in staat zijn als zij een geliefde hebben. Het was de middeleeuwse opvatting dat de hoofse liefde een veredelende werking bezat; en een ridder die in hoofsheid, edelheid en perfectie groeide, streed ook dapperder en met meer succes. Dit is dan ook de enige reden waarom Cassamus voor de aanvang van de strijd aan Edea vraagt of zij zijn geliefde wil zijn. Na afloop van de strijd geeft hij niet voor niets toe, dat hij eigenlijk te oud is voor de liefde. Maar in de strijd stond de inspirerende kracht van de liefde hem bij.

Niets staat Edea vervolgens in de weg om verliefd te worden op Casseel, wat zijn beslag krijgt in de kamer van Venus. Daar blijkt evenzeer dat Ydorus en Bettijs elkander toegenegen zijn.

Ook tijdens het schaakspel tussen Phesonie en Casseel blijven de toespelingen op de liefde - als een soort nasleep van het koningsspel - niet achterwege.

Het derde motief in het verhaal is het spel. De oorlog is in zekere zin een spel tussen hoofse ridders, gebonden aan bepaalde gedragsregels; men daagt de vijand uit, maakt hem verwijten, snoeft over eigen kunnen, valt aan en vecht volgens de

[p. 147]

regelen der kunst. De uitspraak van Cassamus is ondubbelzinnig: ‘oorlog is een spel met wisselende kansen.’ En Alexander zei daarvoor al over de oorlog: ‘het is een spel zonder pardon.’ Een spel is het, een ritueel spel tussen de lijnen van het speelveld, mooi om naar te kijken zelfs, alsof het ging om een vriendschappelijk toernooi. Als de vijand Casseel eenmaal krijgsgevangen is genomen gaat men hoofs en vriendelijk met hem om, want buiten het strijdperk is hij geen vijand meer. Casseel is ook niet de gewetenloze schurk van de tegenpartij, maar evenzeer een knappe, dappere hoofse ridder, op wie Edea best verliefd wil worden.

De liefde is ook een spel. Cassamus en Edea zijn slechts geliefden voor de duur van de strijd; het is maar schijn. En in de kamer van Venus wordt de hoofse conversatie over de liefde in de vorm van een koningsspel gegoten. Een dergelijk gezelschapsspel werd ook in werkelijkheid aan de hoven wel gespeeld.

Het derde spel dat gespeeld wordt, is het schaakspel, een populair spel aan de hoven. Goed beschouwd is niet alleen het conversatiespel een koningsspel; het schaakspel en de reële, geformaliseerde oorlog zijn dat evenzeer. Het schaakspel verbeeldt de echte oorlog tussen twee vorsten binnen het kader van vierenzestig velden. De twee koningen worden in hun strijd bijgestaan door schaakstukken die in naam dicht bij de middeleeuwse maatschappij staan: koningin, raadsheer (= loper), ridder/ruiter (= paard), kasteel (= toren) en boer (= pion).

Met de dooreenweving van de drie motieven strijd, liefde en spel op drie niveaus, lijkt de dichter ons te willen vertellen dat alles spel is. Kortom; hoofsheid is spel, een levenshouding met beschaafde spelregels. Maar... hoofsheid is een ernstig spel en iedereen speelt het met overgave, behalve Clarijs, die zich niet aan de spelregels houdt door de liefde van een jonkvrouwe met geweld te willen afdwingen.

[p. 148]

Hoofsheid is een serieus spel dat in het dagelijkse hofleven gespeeld werd, maar het was toch vooral een literair spel. En de dichter van Het verhaal van Cassamus was er een grootmeester in.

Naast de subtiele verbanden die hij tussen strijd, liefde en spel weet aan te brengen, blijkt zijn kunstenaarschap ook uit de beschrijving van de hoofse conversatie. Die diende per definitie vriendelijk, speels, verfijnd, bezonnen, spitsvondig en vol indirecte toespelingen te zijn. Dit brengt de auteur het duidelijkst naar voren tijdens het koningsspel (ook wel tijdens het schaakspel), waarin veel uitspraken een dubbele betekenis hebben en waarin men spreekt over essentiële kenmerken van de liefde.

Het was in de middeleeuwse letterkunde gebruikelijk dat verhalen die in de klassieke Oudheid speelden toch een overwegend middeleeuwse sfeer ademden - en dus sterk anachronistisch van karakter waren. Dit opdat het publiek zich gemakkelijker kon identificeren met het verhaalgebeuren en dus ook de lering die de tekst bood direct kon plaatsen. De klassieke sfeer werd slechts met behulp van enkele typische gegevens opgeroepen, zoals in dit verhaal onder andere: figuren als Alexander de Grote, diens leermeester Aristoteles, Alexanders veldheren, het geloof in goden met één oppergod (per abuis soms de oorlogsgod Mars in plaats van Jupiter), het afwijkende gebed, de namen van personages en steden, de Indische troepen van Clarijs en de titels emir en sultan.

Rest nog de vraag hoe het oorspronkelijke Franse verhaal afloopt. Liefde en strijd blijven elkaar nog geruime tijd afwisselen, tot en met de laatste en beslissende veldslag, waarin Alexander twee zonen van Clarijs doodt, terwijl Cassamus Clarijs zelf op de knieën dwingt. Even dreigen Alexander en Cassamus zelf het onderspit te delven, maar ze komen met hun bondgenoten tenslotte als overwinnaars uit de strijd. Er wordt vrede gesloten en Alexander behandelt zijn gevangenen humaan. De trotse Phesonie, die intussen ontdooid was bij het zien van

[p. 149]

Porrus, ontvangt deze jongste en dapperste zoon van Clarijs als echtgenoot, uit handen van Alexander. Niets staat de liefde nu nog in de weg. Casseel van Baudre ontvangt Edea tot verloofde en Bettijs wordt aan Ydorus uitgehuwelijkt. Gadifier tot slot krijgt de jonkvrouw Lidone.

 

Het prieel van Troje is het eerste verhaal van een korte ‘trilogie’, geschreven door de 13de-eeuwse Brabantse auteur Segher Diengotgaf (een verdietsing van Segher Theodorus). Het tweede en derde deel van de trilogie verhalen respectievelijk van de onderhandelingen en de grote strijd tussen de Trojanen en Grieken. Baseerde Segher zich hiervoor op de beroemde Roman de Troie (circa 1155) van Benoît de Sainte-Maure, voor het eerste verhaal gebruikte hij deze roman niet als bron. Het prieel van Troje is een oorspronkelijk Middelnederlandse tekst van Segher, want het verhaal gaat evenmin terug op De excidio Troiae historia van Dares Phrygius, alhoewel Segher dit beweert. In feite beroept Segher zich slechts op Dares om zijn verhaal een schijn van geloofwaardigheid te geven, aangezien Dares in de middeleeuwen als autoriteit gold. Men meende (overigens ten onrechte) dat hij als Trojaan ooggetuige was geweest van de oorlog tegen de Grieken, die gevoerd werd tussen 1294 en 1284 voor Christus.

Alhoewel Het prieel van Troje, net als Het verhaal van Cassamus, in de Oudheid speelt, is de toonzetting wederom duidelijk middeleeuws. Het verleden werd deels naar de actuele situatie toe vertaald om de mogelijkheid tot identificatie van het publiek met het verhaal en de personages te vergroten.

De middeleeuwers stonden voor wat betreft de overlevering van de geschiedenis van de Trojaanse oorlog niet in de Griekse, maar volledig in de Romeinse traditie. Men koos onvoorwaardelijk partij voor de Trojanen. Vergilius beschreef reeds hoe Aeneas met een aantal Trojanen wist te ontkomen aan de vernietiging van Troje, en hoe hij en de zijnen zich na vele om-

[p. 150]

zwervingen in Italië vestigden. Allengs ging men de Trojanen beschouwen als de mythische stamvaders van Westeuropese volken en vooral Westeuropese vorstenhuizen. Iedere zichzelfrespecterende dynastie liet zijn bloedlijn teruglopen tot de Trojanen en liet zich een legendarische held als stamvader toedichten.

Ook in onze lage landen sprak dit tot de verbeelding. Men neemt aan dat Segher zijn trilogie heeft geschreven voor Brabantse hofkringen. Een van de bedoelingen achter Seghers werk zal zijn geweest de relatie te leggen tussen het Brabantse hertogshuis en zijn Trojaanse voorouders. Dat Segher werkelijk de voorvaderen van zijn eigen publiek wilde beschrijven, lijkt bewezen te worden door het feit dat Hector, later in de trilogie, het Brabantse wapenschild voert.

De behandeling van zijn stof duidt erop dat Segher voor een publiek van ingewijden schreef: hij doet immers geen enkele moeite om zijn gehoor in de materie van de Trojaanse Oorlog in te voeren, maar veronderstelt voorkennis hieromtrent aanwezig. Hij kan derhalve midden in het derde jaar van de oorlog beginnen met zijn verhaal. Hij zegt niets over de twistappel op het huwelijk van Peleus en Thetis, niets over Paris' keuze voor de godin Venus als de schoonste, niets over Paris' schaking van de gehuwde Helena of de woede van haar Spartaanse echtgenoot koning Menelaus, en niets over het leger van Griekse helden dat vervolgens voor Troje het beleg sloeg, onder aanvoering van Agamemnon. Segher gaat er voorts vanuit dat men wist wie er bedoeld werd met de auteur van het Franse verhaal (Benoît), en wie met Dares. Van personages als Helena, Hector, Polyxena, Andromache, Hecuba en Priamus verwachtte de dichter dat zijn publiek ze gemakkelijk kon plaatsen.

Tenslotte heeft zijn trilogie ook een open einde: de dichter rept met geen woord over de Griekse list met het houten paard en over de uiteindelijke verwoesting van Troje.

Waar het de auteur om te doen is geweest, is niet om Troje in

[p. 151]

zijn zwakte of ondergang, maar juist in zijn volle grandeur, schittering, kracht en beschaving te tekenen. Segher schildert Troje als de ‘hoofse modelstaat’, hetgeen vanuit Brabants perspectief gezien ook de voorkeur zal hebben genoten boven de schildering van de vernietiging ervan.

In Het prieel van Troje treffen we het toppunt van hoofse verfijning aan in het idyllische tafereel in het prieel: de subtiele dialogen in de lieflijke groene oase van rust. Het prieel was zowel in de literatuur als in realiteit het decor waarin de hoofsheid bij uitstek gecultiveerd kon worden.

Een van de kernpunten van de hoofsheid is het voorzichtig omspringen met andermans gevoelens: men behoort de persoon van de ander te respecteren en niet onnodig te kwetsen. De drie vrouwen die een aanzoek krijgen, staan voor deze opgave. Ze zijn geen van drieën gediend van een hoofse liefdesrelatie (of in elk geval nóg niet) en moeten dat hun mannelijke gesprekspartners duidelijk maken zonder hen te krenken. Overigens houden de vrouwen de boot niet af uit puriteinse preutsheid, maar eerder omdat zij gewoon (nog) niet bereid zijn hun gunsten te schenken aan hun aanbidders; zeker niet bij zo'n eerste aanzoek, want dit zou slechts een vreemd licht werpen op de reputatie van de vrouwen. Bovendien moet hoofse liefde lang rijpen en een louterend proces van afwijzing en hunkering doormaken om haar optimale veredelende werking te hebben. In feite zal een afwijzing de aanbidders uiteindelijk sterker binden aan hun geliefden en stimuleren om zich nog meer te onderscheiden in de liefde en de strijd.

Polyxena gaat niet duidelijk in op het aanzoek van haar aanbidder Mennoen. Ze wijst hem niet met zoveel woorden af, maar paait hem met de uiterst vage toezegging dat men nooit weet wat de toekomst nog zal brengen. Polyxena moet in het bijzonder omzichtig te werk gaan, om te voorkomen dat deze waardevolle vorst met zijn leger zou terugkeren naar vaderland en verloofde. Met omzichtige bewoordingen bindt zij Men-

[p. 152]

noen aan zich en bovenal aan Troje. Overigens was Mennoen evengoed geraffineerd te werk gegaan in zijn aanzoek: hij ontlokte Polyxena eerst een reactie op een algemeen liefdesprobleem, om haar op haar aandringen te kunnen bekennen dat zij zelf het object van zijn liefde is.

Menfloers pakt het probleem vrij direct aan: hij bekent Andromache zonder veel omhaal lief te hebben, doch geen wederliefde te verwachten. Dit behoeft ook niet te bevreemden als we bedenken dat Andromache getrouwd was met Hector, de grootste held aan Trojaanse zijde. Het is Menfloers voldoende als Andromache weet dat hij van haar houdt. Menfloers gaat in zijn directe bewoordingen evenwel te ver, en Andromache geeft hem dit ook te verstaan.

Directheid is in de hoofse conversatie uit den boze; een goed gesprek kenmerkt zich door voorzichtige, aftastende toespelingen. Dit wordt ons getoond in de sublieme dialoog tussen Helena en Pollidamas, gezeten onder een egelantier (wilde roos), een hoofs liefdessymbool. Eens te meer blijkt hier dat het in de hoofse conversatie nauw luistert. De onversaagde ridder beeft van angst naast Helena en alles wat hij weet uit te brengen is ‘genade, vrouwe’. Plagerig neemt Helena zijn woorden letterlijk en vraagt naar zijn misdaad, al begint het haar al snel te dagen dat Pollidamas op haar verliefd is. Als hij dit eenmaal bekend heeft, kan zij zich er niet vanaf maken door iets te zeggen als ‘ik ben er niet van gediend’, maar moet zij hem uit de netelige situatie redden en zijn gevoelens sparen. Zij staat voor de opgave om hem af te wijzen zonder hem echt een blauwtje te laten lopen. Ze neemt daartoe haar toevlucht tot een even inventief als indirect argument: Pollidamas zou in zijn slaap gepraat hebben. Er is geen sprake van dat Helena hem hier werkelijk voor de gek houdt of dat Pollidamas haar werkelijk gelooft. Helena komt hem tegemoet, zodat hij zich uit de pijnlijke situatie kan redden; ze biedt haar aanbidder een elegante ontsnappingsmogelijkheid. En Pollidamas, die beseft dat hij in

[p. 153]

feite afgewezen wordt, maakt uiteindelijk dankbaar gebruik van haar handreiking. Het praten-in-de-slaap wordt aanvaard als stilzwijgende overeenkomst, waarin beiden weten waar ze aan toe zijn, maar niemand het gezicht heeft verloren.

Het moge uit Het prieel van Troje duidelijk zijn geworden dat van de beide seksen de vrouw de hoogste positie inneemt in de hoofse hiërarchie, en dat de relatie tussen vrouw en aanbidder gelijk is aan de feodale relatie tussen leenheer/vrouwe en vazal.

 

De laat-14de-eeuwse tekst Eerbaarheid als hoogste liefdesdeugd behoort tot het zogenaamde sproken-genre. Een sproke is een kort gedicht met een veelal moraliserende strekking, bedoeld om voorgedragen te worden door een rondreizende spreker. Dat de tekst inderdaad door een sprookspreker gemaakt is, blijkt uit de inleidende woorden, waarin de dichter omzichtig tracht zijn hoofse publiek tot een milde beloning voor zijn werk te verlokken. Wie deze sprookspreker was, weten we niet, maar we weten wel dat de sproke in Holland een zekere faam genoot. Althans twee vooraanstaande Hollandse literatoren, namelijk de sprookspreker Willem van Hildegaersberch en de dichter Dirc Potter, geven er blijk van deze sproke te waarderen.

In de sproke staat de ‘scamelheit’ centraal, wat in de middeleeuwen een ruim begrip was. Eerbaarheid is nog wel de beste vertaling, indien men bedenkt dat dit woord betekenissen als eerzaamheid, zedigheid, kuisheid en schandebesef incorporeert.

In het verhaal speelt de vrouwe een dubbelzinnig spel van aantrekken en afstoten met de jonge impulsieve ridder, met de bedoeling hem een lesje te leren en een dieper besef omtrent eer en schande bij te brengen. Ook eer en schande zijn centrale begrippen: de hoofse mens diende te allen tijde de eer (deugdzaamheid, goede naam en faam) na te streven en behoorde iedere schande te vermijden. De middeleeuwse elitecultuur

[p. 154]

was niet alleen een hoofse cultuur, maar ook een schaamtecultuur, waarin men groot belang hechtte aan de eigen reputatie in de ogen van anderen.

Inhoudelijk mag Eerbaarheid als hoogste liefdesdeugd beschouwd worden als de tegenhanger van De burggravin van Vergi: wordt in laatstgenoemd verhaal de (heimelijke) buitenechtelijke relatie geïdealiseerd, in de sproke wordt overspel nadrukkelijk van de hand gewezen. Deze paradox vindt - zoals reeds opgemerkt - zijn verklaring in het naast elkaar bestaan van twee stromingen binnen de hoofse letterkunde. De alledaagse christelijke moraal veroordeelde overspel onder alle omstandigheden. Desondanks werd in hoofse kringen de overspelige relatie oogluikend getolereerd en in de literatuur geïdealiseerd. Dit laatste gebeurde op kleine schaal in verhalende teksten en op grote schaal in de hoofse minnepoëzie. De dichter was echter wel aan bepaalde morele grenzen gebonden. Hij behoorde de overspelige aard van de relatie te verbloemen en het belang van de geheimhouding te benadrukken. Dit constateren we dan ook in De burggravin van Vergi: de dichter verzwijgt zoveel mogelijk dat de vrouwe gehuwd was met de burggraaf van Vergi.

Eerbaarheid als hoogste liefdesdeugd moet daarentegen gezien worden als een reactie op deze rekkelijke hoofse moraal, ten gunste van de dagelijkse christelijke moraal, die daarom nog niet minder hoofs is. De jonge voortvarende ridder, die wellicht wat te veel ‘overspelige’ minnedichten had gehoord en in ieder geval niet precies besefte hoe men in de minnedienst binnen de grenzen van het betamelijke behoort te blijven, wordt door de rijpere vrouwe speels op zijn nummer gezet. En niet alleen de ridder heeft hiervan geleerd. Ook het hoofse publiek was weer een ervaring rijker, verzot als het was op dergelijke ethischhoofse kwesties.

 

[p. 155]

Het gedicht Ik zag nooit zo'n rode mond van hertog Jan I van Brabant (regeerde 1268-1294) is traditionele minnelyriek in optima forma. Het bezingt in twee strofen en een terugkerend refrein de liefde en een aantal kwaliteiten van de uitverkoren dame, aan wie de dichter zich onderwerpt. Aan zulke gedichten mag geen bijzondere autobiografische waarde gehecht worden. Hoofse lyriek was in de middeleeuwen namelijk zeer stereotiep van inhoud en vorm. Inhoudelijk trachtte de dichter telkens zo subtiel mogelijk te variëren op een vast arsenaal van traditionele begrippen, beelden, thema's en motieven. Hierdoor keert in de hoofse minnelyriek in feite steeds dezelfde imaginaire geliefde terug; in het geval van het lofdicht de ideale geliefde. Ook de toestand waarin de minnedichter zich bevindt, wordt steeds in dezelfde trekken afgeschilderd. Het vervaardigen en zingen van minnelyriek fungeerde in hofkringen dan ook als een verfijnd gezelschapsspel. Niet de individuele liefdeservaring stond centraal, maar juist de liefde in het algemeen, die voor ieder lid van de hofgemeenschap herkenbaar was.

De volgende drie laat-middeleeuwse gedichten zijn op het eerste gezicht hoofs, maar vertonen bij nadere beschouwing vreemde trekjes. Alle drie de minneklachten gaan net iets verder dan de traditie wil en overschrijden de hoofse grens.

De hoofse ridder in Vaarwel heeft afgezien van verdere liefdesdienst aan zijn dame; zij is zijn toewijding niet waard gebleken. Als de ridder nu alleen bij de omringende natuur om sympathie had gevraagd voor zijn betreurenswaardige lot, dan was er niets mis geweest. Maar hij gaat de perken van het hoofstoelaatbare te buiten, als hij de natuurelementen vraagt zich tegen zijn vrouwe te keren en haar het leven zo zuur te maken dat zij nooit meer gelukkig zal worden!

In Ongevoeligheid klaagt de dichter dat hij zijn geliefde niet kan doorgronden. Hij smacht, maar zij blijft ongevoelig. Als hij tenslotte zijn nood bij haar klaagt, krijgt hij een wel heel zonderlinge en weinig meevoelende reactie. Was dit slot van het

[p. 156]

gedicht een grappige vondst van de dichter of neemt hij in feite de hele hoofsheid op de hak?

Het meisje met de mooie vlechtjes begint typisch hoofs: de dichter betreurt dat hij zijn geliefde kwijt is (nota bene: een meisje, geen jonkvrouw) en begint haar uiterlijke schoonheden en haar deugden op te sommen. De opsomming weerspiegelt het middeleeuwse schoonheidsideaal: rode lippen en wangen (de rest van het gelaat diende bleek te zijn; alleen boerenkinkels waren bruin van het werken op het land!), witte tanden, sprekende ogen, lange slanke handen, het lichaam blank en slank, kleine ronde borstjes... Maar dan gaat de dichter, die daarvoor de mond nog vol had van hoofsheid en dienstbaarheid, te ver. Hij zondigt tegen de hoofse regels door het geslachtsdeel van zijn liefje te roemen. Konden we er bij het vorige gedicht nog aan twijfelen, in dit gedicht wordt overduidelijk een loopje genomen met die gewichtige hoofse liefde. Het hoofse masker wordt afgerukt, de goede hoofse manieren worden te kijk gezet. De dichter lijkt te suggereren: ‘Waar komt het bij die verheven hoofse liefde uiteindelijk toch op neer? De seks! Achter die hele façade van mooie woorden en goede manieren tegenover de vrouw schuilt slechts één oogmerk: de koffer in!’ De hoofse code zwijgt hier veelal uiterst deftig over, of doet er in bedekte termen heel geheimzinnig over, maar deze dichter neemt geen blad voor de mond. Bij hem klinken de woorden ‘verlangen’ en ‘begeerte’ plots niet meer zo verheven! Het ernstige spel dat hoofsheid heet, wordt ontmaskerd als louter spelletje. En dat maakt Het meisje met de mooie vlechtjes tot een parodie op de hoofse minnelyriek.

 

De laatste tekst, Vrouwenlist, is een laat-middeleeuwse boerde, een verhaaltje om te lachen, alhoewel niet geheel pretentieloos. De hoofdpersonen zijn geen edelen, maar stedelingen, burgers, voor wie hoofsheid eerder een begrip dan een ware levenshouding was. Het thema is wederom de liefde, maar erg hoofs kan

[p. 157]

men de hele gang van zaken niet meer noemen, al valt het woord ‘hoofs’ wel enkele malen.

Het is niet geheel duidelijk voor welk publiek dergelijke boerden bestemd waren: de adel of de burgerij? De laatste tijd denkt men voor beide. Veel boerden zullen tot het repertoire van rondreizende voordrachtskunstenaars behoord hebben en op deze wijze moeten ze zowel de adel als de burgerij ter ore zijn gekomen. De adel zal bij dit verhaaltje vooral gelachen hebben om het feit dat de vader (een nouveau riche) een edelman voor zijn dochter wil strikken, terwijl de dochter haar vader en een sukkelige bedelmonnik bedriegt om een onbemiddelde jongen van haar eigen stand aan de haak te slaan. Immers: soort zoekt soort. Het burgerpubliek zal er niets vermakelijks in hebben gezien dat de vader zijn dochter ‘omhoog’ wilde laten trouwen. De typisch vrouwelijke listigheid waarmee de dochter haar ouders en de monnik een rad voor ogen draaide, was wel amusant, maar geïnterpreteerd vanuit de middeleeuwse burgermoraal behelst het verhaal toch vooral een waarschuwing: ‘vaders let op je dochters’. Voor de burger is de vader wel een sukkel, maar de dochter géén heldin; haar gedrag is af te keuren en haar vader had haar nog beter in de gaten moeten houden.

 

Zo is de weg der hoofsheid in vogelvlucht afgelegd: begonnen aan een hertogelijk hof en geëindigd op een Haarlems meisjeskamertje.

 

Literatuur

Voor de vertaling van de Vergi-tekst is gebruik gemaakt van De borchgravinne van Vergi, editie R. Jansen-Sieben en F.P. van Oostrom (Utrecht, 19853). De tekst van Het boekje van goede zeden berust op Van zeden, uitgegeven door W.H.D. Suringar (Leiden, 1892). Aan de tekst Over het feest ligt Van der feesten een proper dinc ten grondslag, in 1972 uitgegeven door een

[p. 158]

werkgroep van Groningse neerlandici, en in 1981 door H. Vekeman (Nijmegen). Eelco Verwijs verzorgde in 1869 een editie van het Cassamusverhaal onder de titel Roman van Cassamus (Groningen). Het eerste deel van de Troje-trilogie van Segher Diengotgaf is vertaald naar de uitgave van Tprieel van Troyen door G.C. de Waard en G.Ch. Dupuis (Den Haag, 19794). Eerbaarheid als hoogste liefdesdeugd is te vinden onder de titel ‘Dat scamelheit thoechste poent es van minnen’ in het tweede deel van het Vaderlandsch museum (Gent, 1858, pp.201-208). Voor meer informatie over deze sproke en over het belang van eer en schande in de middeleeuwse cultuur verwijs ik hier direct naar het artikel met dezelfde Middelnederlandse titel van A.M.J. van Buuren in de bundel Ic ga daer ic hebbe te doene onder redactie van J.J.Th.M. Tersteeg en P.E.L. Verkuyl (Groningen, 1984, pp.127-147). Het minnedicht van Jan van Brabant is diverse malen uitgegeven, maar de vertaling berust op het diplomatische afschrift door Frank Willaert in zijn artikel ‘Over {qqIc sac noit so roden munt” van hertog Jan I van Brabant’, dat verschenen is in De nieuwe taalgids 79 (1986) 6, p.481-492. Naar dit artikel zij tevens verwezen voor nadere informatie omtrent dit gedicht en het stereotiepe karakter van de hoofse lyriek in het algemeen. De oorspronkelijke titel van Vaarwel luidt ‘Orlof’ en dit gedicht kan gevonden worden in het transcriptie-deel van Die Haager Liederhandschrift, in 1940 gepubliceerd door E.F. Kossmann (Den Haag, zie p. 34). In dezelfde editie (p. 63) staat ‘Onghenate’, hier vertaald als Ongevoeligheid. Tot slot zijn Het meisje met de mooie vlechtjes en Vrouwenlist afkomstig uit De Middelnederlandse boerden, die werden verzameld en uitgegeven door C. Kruyskamp ('s-Gravenhage, 1957). De teksten heten daar respectievelijk ‘Dmeisken metten scone vlechtken’ (pp.22-24) en ‘Wisen raet van vrouwen’ (pp.25-31).

Uit de omvangrijke hoeveelheid secundaire literatuur doe ik hier slechts een kleine greep. Algemene informatie over de

[p. 159]

Middelnederlandse letterkunde vindt men in het eerste deel van het Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde van G.P.M. Knuvelder. Voor wat betreft de hoofsheid in de middeleeuwen en in het bijzonder de Middelnederlandse letterkunde verwijs ik naar de bundel Hoofse cultuur, Studies over een aspect van de middeleeuwse cultuur, verschenen onder redactie van R.E.V. Stuip en C. Vellekoop (Utrecht, 1983). Aanbevelenswaardig zijn hieruit de artikelen van W.P. Gerritsen, ‘Wat is hoofsheid? Contouren van een middeleeuws cultuurverschijnsel’ (pp.25-40), F.W.N. Hugenholtz, ‘De achtergrond van de hoofse cultuur’ (pp. 11-24), F.P. van Oostrom, ‘Hoofse cultuur en litteratuur’ (pp.119-138) en J.M. van Winter, ‘Ridderschap en hoofse cultuur’ (pp.41-54). Van belang zijn voorts de publikaties van J.D. Janssens over ‘Hoofsheid en het gesproken woord in de ridderroman’ (pp.41-70) en F.P. van Oostrom over ‘Maecenaat en Middelnederlandse letterkunde’ (pp.22-40) in de bundel Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij (Brussel, 1982). Verder moet gewezen worden op ‘Vues sur les conceptions courtoises dans les littératures d'oc et d'oïl au XIIe siècle’ van J. Frappier, verschenen in zijn bundelAmour courtois et Table Ronde (Genève, 1973. pp.1-31). De interpretatie van hoofsheid als serieuze spelvorm is goeddeels geïnspireerd op J. Huizinga's Herfsttij der middeleeuwen. In dit meesterwerk heeft hij ook aandacht besteed aan de hoofse conversatiecultuur, evenals later U. Peters in haar artikel ‘Cour d'amour-Minnehof’ in het Zeitschrift für Deutsches Altertum und Deutsche Literatur 100 (1972), pp.117-133. Over de middeleeuwse ridderschap en haar idealen worden we geïnformeerd door J.M. van Winter in haar boek Ridderschap, ideaal en werkelijkheid (Haarlem, 1981). R. Schnell heeft in het belangwekkende artikel ‘Grenzen literarischer Freiheit im Mittelalter’ aandacht besteed aan de al dan niet overspelige aard van de hoofse liefdesrelatie. Men zie hiervoor het Archiv für das Studium der neueren Sprachen und Literaturen

[p. 160]

133 (1981), pp. 241-270. Over de temperamentenleer schreef R. Jansen-Sieben in ‘De vrouw in de medische literatuur’, te vinden in het tweede deel van de bundel Middeleeuwers over vrouwen (redactie R.E.V. Stuip en C. Vellekoop. Utrecht, 1985. pp.160-178). W. Keesman publiceerde in Literatuur 4 (1987) 5 over ‘Troje in de middeleeuwse literatuur, Antiek verleden in dienst van eigen tijd’ (pp.257-265). En tot slot zij hier vermeld het artikel over ‘De moraal van de boerden’ van de hand van F.J. Lodder in De nieuwe taalgids 75 (1982) I, pp. 39-49.

 

Verantwoording

Bij het vertalen is getracht het midden te vinden tussen een zo letterlijk mogelijke weergave van de originele tekst en een vlot leesbare tekst, waarin de moderne lezer tegemoet wordt gekomen.

Van zeer complexe of ondoorzichtige passages is waar nodig een meer interpretatieve vertaling gemaakt. Fouten en bedorven passages in de originele teksten zijn, voor zover mogelijk, stilzwijgend hersteld. Hiaten in de teksten zijn, indien dat doenlijk was, zonder meer opgevuld.

De verhalende teksten zijn omgezet in modern proza, maar bij teksten die aanwijsbaar lyrisch van toon waren, is een poetische notatiewijze gehandhaafd.

De raadgevingen uit Het boekje van goede zeden zijn in drie delen tussen de teksten door geplaatst en bovendien gerangschikt in een eenentwintigtal rubriekjes, waarvan de opschriften van mijn hand zijn. De witregels in Het verhaal van Cassamus en Het prieel van Troje zijn eveneens door mij aangebracht.

Tenslotte wil ik op deze plaats prof. dr. F.P. van Oostrom bedanken voor zijn waardevolle adviezen en kritiek.