Van de Maandelijksche Vergaderingen, sedert de laatste Jaarlijksche Vergadering gehouden, wordt door den Secretaris het volgend verslag gedaan; die daar voor bedankt is.
Weledele heeren !
Het verslag van de voornaamste Handelingen der Maandelijksche Vergaderingen, 't welk ik de eer heb U, als naar gewoonte, aan te bieden, zal tot mijn leedwezen niet zoo rijk kunnen zijn in bijzonderheden, welke den bloei en luister dezer Maatschappij aanduiden, als Gij allen voorzeker dit met mij zoudt wenschen. Het mogt der Maatschappij niet alleen niet gebeuren op de Prijsvragen, door haar in den jare 1808 uitgeschreven, eenig antwoord te ontvangen, maar ook ziet zij zich te leurgesteld in hare hoop, om de Verhandeling in de laatst gehoudene Jaarlijksche Vergadering voor dadelijk bekroond, door derzelver kundigen Schrijver naar haar verlangen verbeterd en omgewerkt te zien, daar deze zich, bij een' beleesden brief, van die taak verschoond heeft. Daarenboven heeft de Maandelijksche Vergadering door het gering vertier van het I Deel der Verhandelingen dezer Maatschappij, en het onvoldoende der geopende inteekening niet kunnen slagen in haar oogmerk, om een II Deel daarvan ter perse te leggen, zoodat zij zich verpligt vindt de beraming van geschikte middelen, om tot dit wenschelijk doel te komen, aan Uwe wijsheid aan te bieden. Met de raadpleging over dit hoogst belangrijk punt staat in naauw verband een berigt, ons door den Secretaris der tweede Klasse
van het Koninklijk Instituut gegeven van het voornemen dier Klasse, om, onder toestemming van deze Maatschappij, eene Verhandeling van den beroemden Taalkenner N. Hinlópen , over het duistere in de Taal van Huijgens , weleer bij deze Maatschappij ingeleverd, onder hare Werken te doen drukken
Het tot hiertoe medegedeelde is in vele opzigten weinig bemoedigend. Ik haaste mij dus, om tot aangenamer berigten te komen. En wel in de eerste plaats mogen wij ons verheugen in de aanwinst van zoo vele kundige en verdienstelijke Leden, als in den verledenen jare daartoe verkoren werden, welke allen het hun aangeboden Lidmaatschap op eene verpligtende wijze aannamen, en wier getal de Maandelijksche Vergadering, gebruik makende van het haar toegestane regt, nog mogt vermeerderd zien met de Heeren E.A. Borger en W. Musketier Vergenst . Ook mogt de Maatschappij weder van verscheidene harer Leden grootere of kleinere boekgeschenken en daarin aangename bewijzen van genegenheid en achting ontvangen. De Heer Ackersdijk vereerde haar met een werkje, getiteld: Korte beschrijving van het Dorp Loemel en deszelfs omtrek, en zond in vervolg vantijd haar ook nog eene ongedrukte Verhandeling toe, behelzende: Aanmerkingen over de middelen, waardoor in de Nederlanden de slavernij langzamerhand vernietigd, de staat der dorps- of landluiden verbeterd, en de landbouw bevorderd is.
De Faneker Hoogleeraar Tijdeman bood haar ten geschenke aan zijne vertaling, en bewerking van Vezins geschiedenis der doodstraffen op het eiland Teneriffe en andere stukken tot hetzeisde onderwerp betrekkelijk, en de Heer van Westreene zijne Verhandeling over de uitvinding der Boekdrukkunst . Van den Heer M.J. de Bast onving zij het eerste Supplement op zijn vroeger toegezonden Recueil d'Antiquités. Romaines et Gauloises, en, van den Heer Ch. Pougens , eene Fransche Verhandeling over de Godin Nehalennia. Ook had zij het genoegen van het Haagsche Kunstgenootschap onder de Zinspreuk: Kunstliefde spaart geen vlijt, het VII Deel van deszelfs Nieuwe Dichtgewijde Mengelingen ten geschenke te ontvangen.
Eindelijk mogt het der Maatschappij ook in dit jaar gebeuren, wederom twee openbare Vergaderingen te houden. De eerste van dezelve werd door den Heer Prof. H. Tollius geopend met de voorlezing van een vergelijkend tafereel van den tegenwoordigen staat onzer Letterkunde met haren toestand omstreeks het midden der voorgaande
Het zij mij vergund dit verslag te besluiten met den hartelijken wensch, dat het volgend Maatschappelijk jaar mij of wie anders zich die taak zal zien opgelegd, eene veel ruimere stoffe tot aangename en belangrijke berigten moge aanbieden.
Naar aanleiding van dit verslag, brengt de Voorzitter in omvrage het verzoek der tweede Klasse van het Koninklijk Instituut tot uitgave eener Verhandeling van den Heer N. Hinlópen , voor vele jaren bij deze Maatschappij ingeleverd. De Vergadering was van oordeel, dat dit verzoek op de vriendelijkste wijze behoorde te worden asgeslagen, met kennisgeving, dat de Maatschappij ten oogmerk heeft, die Verhandeling, onder andere stukken, zoodra mogelijk, in het licht te geven.
Voorts geraadpleegd zijnde over de geschiktste middelen, om de uitgave van de Werken dezer Maatschappij voort te zetten, werd aan de Maandelijksche Vergadering de zorg aanbevolen, om zulks op de best mogelijke wijze uit te werken, en het beproeven eener voorgeslagene schikking aan den Secretaris opgedragen.