terug  begin  verder

I.

Van de Maandelijksche Vergaderingen, sedert de laatste algemeene Bijeenkomst gehouden, wordt door den Secretaris het volgend verslag gedaan.

 

Mijne heeren !

 

Ter voldoening aan het eerste punt van den brief van beschrijving heb ik de eer U te berigten, dat de Maandelijksche Vergaderingen, in dit jaar gehouden, wel geene bijzondere stoffe opleverden, om zich over den bloei en luister dezer Maatschappij grootelijks te verheugen, maar nogtans vele blijken gaven van den ijver en de welwillendheid harer Leden. In de eerste plaats mag ik hiertoe brengen het ontvangen van verscheidene boekgeschenken, door welker toezending de vervaardigers hunne achting voor deze Maatschappij aan den dag leiden. Zoo bood de Heer P.H. Marron derzelve een Exemplaar zijner Latijnsche dichtstukken aan, getiteld Carmina de Romae Rege sperato et nato. De Heer Mr. W. Bilderdijk voegde bij zijne vroegere talrijke geschenken dat van zijne Winterbloemen , en de Heeren IJpey en Ackersdijk zonden niet alleen der Maatschap-

[p. 11]

pij hunne Taalkundige Aanmerkingen over verouderde en min verstaanbare woorden in de Staten-overzettinge des Bijbels, maar vereerden haar insgelijks met de openbare opdragt van hunnen taalkundigen arbeid. Van den Heer W. Broes ontving de Maatschappij het tweede Deel zijner Leerredenen, en van den Heer P. Weiland een volledig Exemplaar van deszelfs Nederduitsch taalkundig Woordenboek, terwijl eindelijk de spreker het genoegen had, haar zijne Laudatio Jani Dousae cum subjunctis annotationibus aantebieden.

Niet weinig strekten verder de drie openbare Vergaderingen, welke de Maatschappij in het afgeloopen wintersaizoen wederom mogt houden, zoo ter handhaving van haren roem, als ten bewijze van den ijver van hare Leden. In de eerste dier Vergaderingen, gehouden op den 29sten van Slagtmaand des jaars 1811, voltooide onze geëerde Voorzitter zijne Verklaring van eenige echt Nederduitsche Spreekwoorden, waarna de Heer E.A. Borger eene Verhandeling voorlas, behelzende een onderzoek naar de redenen, waarom dezelfde zaken, door onderscheidene redenaars of schrijvers voorgedragen, eene verschillende uitwerking hebben op de gemoederen. De tweede Vergadering, welke op den 28sten van Sprokkelmaand dezes jaars plaats had, werd door den Heer Mr. J.W. van Vredenburch geopend met eene voorlezing over het vermogen der dichtkunst; waarna de Hoogleeraar H. Tollius eene Verhandeling voorlas over L. ten Kate Hermansz., als voortreffelijk Grondlegger onzer Nederduitsche Letterkunst. In de derde of laatste Vergadering eindelijk hield de Heer Mr. C.T. Elout de aandacht zijner toehoorderen bezig met eene Verhandeling, inhoudende eene en andere bijzonderheid, betreffende de lijfstraffelijke Wetgeving der Chinezen.

Ten besluite staat mij nog te melden, dat de Maandelijksche Vergadering, gebruik makende van de vrijheid haar door de Jaarlijksche verleend ter verkiezinge van Leden, binnen Leyden wonende, het genoegen mogt hebben, dat de Heer G.J. Schacht , Theol. Doct. en Predikant te dezer stede, aan hare uitnoodiging om zich bij de Maatschappij te voegen op eene verpligtende wijze voldeed.

terug  begin  verder