terug  begin  verder

II.

Van de voorgestelde Prijsvragen, uit de Klasse der Oudheid- en Historiekunde, wordt door de Vergadering de volgende ge-

[p. 12]

kozen, om beantwoord te worden voor den eersten van Louwmaand des jaars 1814.

 

‘In hoe ver kan men zich, met de meeste vrucht, bedienen van de overblijfselen der oude Romeinsche gedenkstukken, die in dit Land voorhanden zijn, tot opheldering van de Hollandsche Historie in de vroegste eeuwen?

terug  begin  verder