De rekening van den Penningmeester wordt nagezien en goedgekeurd. Uit dezelve blijkt, dat de ontvangst gedurende het laatste Maatschappelijk jaar bedragen heeft de som van vier honderd, twee en veertig Guldens en zeventien stuivers, en de uitgave die van drie honderd drie en zeventig Guldens, negen stuivers en twaalf penningen, blijvende er dus in kas een batig overschot van negen en zestig Guldens, zeven stuivers en vier penningen.
Vernomen hebbende, dat verscheidene Leden binnen den omtrek van het voormalige Holland wonende, sedert vele jaren, ach-
terlijk gebleven zijn in het betalen van hunne toelagen, besluit de Vergadering, bij deze gelegenheid, aan de Leden in het algemeen het vierde Artikel van het eerste Hoofdstuk der Wetten te herinneren, waarbij de Leden, buiten Leijden wonende, verpligt worden hunne toelagen vrachtvrij aan den Penningmeester te bezorgen.
Voorts ontvangt de Penningmeester van den Heer Mr. F.W. Boers zijne toelage voor het jaar 1812 en van den Heer Chaufepié die voor de jaren 1810 en 1811.