De rekening van den Penningmeester opgenomen en goedgekeurd zijnde, bleek het dat de ontvangst dit jaar bedragen heeft eene som van een duizend en drie Guldens, vier stuivers en tien penningen; de uitgave daarentegen eene som van zeshonderd en zes Gul-
[p. 11]
dens, drie stuivers en twaalf penningen, blijvende er dus in kas een batig overschot van driehonderd zeven-en-negentig Guldens, en veertien penningen.