Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1849


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 21 Junij 1849 in het Lokaal De Vink bij Leiden. J.G. la Lau, Leiden z.j.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 129]

Levensberigt van David Pierre (Giottin) Humbert de Superville(1).

Hij was van vaderszijde gesproten uit een aanzienlijk Zwitsersch geslacht(2), en stamde van moederskant uit Fransche vlugtelingen (Refugiés) af(3). Den 18 Julij 1770 zag hij te 's Gravenhage het licht, alwaar zijn vader zich met schilderen onledig hield. Deze had in zijne jongere jaren zelf als mentor, met twee kweekelingen eene reis naar Italië gedaan en met de schoonheid van dit land beide in natuur en kunst zich bekend gemaakt. In den Haag was hij met mannen, als Joan Meerman en anderen bevriend geworden. Geen wonder dat hij kunst en wetenschap als benijdenswaardige zaken voor zijne kinderen beschouwde. Aan David, den oudsten derzelve, opgevoed met de zorg, welke het kerkgenootschap waartoe hij behoorde, gewoon was te kenmerken, werd dus eene wetenschappelijke opvoeding geschonken, en deze, behalve met de nieuwere talen, ook met de Grieksche en Latijnsche bekend gemaakt(4). Doch reeds

[p. 130]

zeer vroegtijdig openbaarde zich in den zoon, naar 's vaders voorbeeld, eene overhellende neiging tot de teekenkunst. De wanden van het ouderlijk huis en van zijne kamer droegen er de bewijzen van. Eenmaal toen de achtjarige jonge David, op een groot portaal zijner woning de geschiedenis van David en Goliath met zwart krijt, in levensgrootte op den muur geschetst had, was zulks met zoo veel kracht en juistheid tevens gedaan, dat de verbaasde ouders hierin een wenk vonden, hem in dit vak tot iets hoogers op te leiden. Dit geschiedde vervolgens met zoo gelukkigen uitslag, dat men den sedert tot jongman gerijpten kweekeling gaarn, gelijk zoo menig Nederlandsch schilder vóór hem te beurt gevallen was, in het buitenland, vooral in Italië, aan de beoefening der schilderkunst naar de schoone modellen daar voorhanden, wilde laten deelnemen. Doch zijn vader, met de zorg voor een groot gezin belast, was tot zulke opofferingen onvermogend. Daartoe baande echter een hoogachter en beschermer der kunst, de Heer W.A. Lestevenon van Berkenrode, die in vorige jaren aan 't Fransche hof Ambassadeur geweest was, en bij herhaling Italië bezocht had(1), hem den weg. Hij zag 's jongelings kunstzin en talent, en had vooruit, door zijne betrekkingen in 't laatstgenoemde land, voor Humbert alles gemakkelijk gemaakt. In den jare 1789 vertrok deze, nagenoeg 20 jaren oud, te scheep naar het begeerde land. Eene gevaarvolle overtogt toefde hem op zee. Eenmaal in Italië gekomen, werd hij door enkele Nederlandsche schilders die zich te Rome

[p. 131]

met der woon ophielden, vooral door den schilder H. Voogd (n. 1766, † te Rome 1839), met genegenheid ontvangen, en woonde jaren lang met dezen te zamen. Daar ter plaatse nam hij, om zich in de kennis van het naakt te oefenen, bij eenen heelmeester onderwijs in de anatomie des menschelijken ligchaams. Met hoeveel vrucht, kunnen zijne nagelatene schetsen en aanteekeningen getuigen, die, van eene andere zijde, ook weder in de drapering zijne verdiensten en de studie, door hem van zijne voorgangers gemaakt, aan den dag leggen. - Ook knoopte hij later, met den Engelschen kunstkenner W. Young Ottley, in onze dagen door het handhaven der eere van onzen L.J. Koster bij ons zoo bekend geworden, hechte banden aan. Deze toch, met afbeeldingen van Italie's schoone bouw-, beeldhouw- en schilderwerken zich willende verrijken, had niet zoodra den jongen H., in 't klooster te Subiaco stukken kopiërende, leeren kennen, of hij spoorde hem aan om zich bij hem te voegen en hem op zijne reizen door den Kerkelijken Staat, Toscanen en het Milanesche te vergezellen. Gereedelijk wist de gegoedde Engelschman zich van H's juist oog en meesterlijk teekenstift te bedienen. In 1798 was hij met hem in Toscanen(1). Sints veroorzaakten ongeregeldheden in O's leven eene scheiding. Jaren later vond H. in een van O's kunstwerken tien zijner eigene schetsen, naar de beste meesters der 13e-15e eeuw vervaardigd, in plaat gebragt weder(2). Onder de schilders te Rome gevestigd, boeide den levendigen Humbert vooral de Franschman Wicar, die, na jaren verblijfs, aldaar Directeur der Fransche Teeken-Academie of van het Collegie van Fransche kunstenaars werd. H. schaarde zich destijds zoo zeer aan de zijde dezer natie, dat toen deze zich, op het eind dier eeuw (1797, 98) van Rome trachtten meester te maken en daartoe zich tegen de Pauselijke magt kanteden, H. een oogenblik zijn eigen per-

[p. 132]

soon en zijne stille kunsten vergat on dienst nam in een corps vrijwilligers dat met de Franschen de Pauselijke zaak bestreed. Doch voor hem met zeer ongunstigen uitslag. De troepen waarbij hij zich bevond en den rang van Sergeant-Majoor bekleedde, werden geslagen en meerendeels gevangen gemaakt; hij, gewond zijnde, viel mede in 's vijands handen, en werd naar Civita Vecchia gevoerd, alwaar hij meer dan vier maanden in krijgsgevangenschap doorbragt, veel aan zijne wond lijdende en aan niet weinig ontbering onderworpen. Intusschen sprak hij later nog met veel genoegen van eenen lotgenoot aldaar, zekeren Abt N. Gagliuffi van Ragusa, een man van veel oordeel en die hem door gemeenschappelijke studie der Ouden en door kunstkennis den treurigen tijd hielp korten(1). Nog bestaan er eenige teekeningen door hem in die gevangenschap vervaardigd.

Hij schijnt in Maart 1800 in eene uitwisseling van krijgsgevangenen begrepen te zijn geweest en werd toen met zijn lotgenoot over zee naar Frankrijk gevoerd. Doch nu in vrijheid gesteld, had hij den lust tot een langer verblijf in Italië verloren. Want inmiddels waren alle zijne verzamelde en vervaardigde kunstzaken, boeken, schilderijen, teekeningen en gemaakte aanteekeningen, die hij, bij het opvatten der wapenen aan zijn' vertrouwden huiswaard te Rome in bewaring gegeven had, na diens dood door deszelfs aanverwanten te zoek gemaakt en in vreemde handen gekomen. Vele jaren later eerst gelukte het hem het voornaamste hiervan, door zijne Romeinsche vrienden ingekocht, weder te bekomen(2).

[p. 133]

Over H's verblijf in en terugkeer uit Italië heerscht steeds zekere duisterheid, daar de levendige en geniale, maar nederige man uiterst weinig over zich zelf en wat hem betrof, met zijne vrienden sprak. Dit alleen nog hier, ten bewijze van de hooge schatting, waarin hij bij zijne Romeinsche kunstbroeders stond: dat hij daaraan zijn derden voornaam Giottin verschuldigd was. Even als toch Pellegrino Tibaldi in de 16e eeuw door Annibal Caracci om zijne verdiensten geheeten werd il nostro Michel-

[p. 134]

Angelo reformato(1), zoo noemde men Humbert naar den Florentijnschen schilder en bouwmeester der 14e eeuw, Giotto, om zijne groote naauwkeurigheid en veelzijdige verdiensten, Giottino, of il reformato Giotto. Hij gevoelde zoo zeer al het vereerende van dezen bijnaam, dat hij dien alleen in de twee laatste jaren zijnes verblijfs in Italië, ja althans tot in den jare 1809 op zijne teekeningen voerde (zich steeds Giottino H. teekenende), en dien later in Nederland, bij het schrijven van zijnen naam, aan zijne doopnamen toevoegde, en bestendig tot zijnen dood toe heeft blijven voeren.

Wij gaan over tot de tweede helft zijns levens.

In zijn vaderland en bij zijne bloedverwanten keerde hij in 1803 terug(2). Gedurende eenigen tijd schijnt hij toen te Amsterdam in de teekenkunst onderwijs gegeven te hebben. Doch zijne kunstvrienden aldaar, waaronder Dk. Versteegh en anderen, trokken zich zijner aan; men meent dat hunne bemoeijing en de zorg van een der leden van het Uitvoerend Bewind, den Heer Gockinga, in 1805 bewerkten, dat bij de oprigting der Kadettenschool te Fijenoord bij Rotterdam, voor de opleiding van Zeeofficieren bestemd(3), H. voor zijne vakken bijzonder in aanmerking kwam. Althans hij zag er zich aangesteld als onderwijzer in het teekenen, de bouwkunst, de aardrijkskunde en de Italiaansche taal, met den titel van Professor of Hoogleeraar en den rang van Luitenant ter zee. Aangenaam en hoogst nuttig beide was steeds zijne leerwijs. Hij had veel takt van onderwijs; en wanneer men zijne woorden niet vattede, had hij terstond de schetsen ter hand, om zijne gedachten als in beelden en vormen te kleeden(4). Menig

[p. 135]

ervaren Zeeofficier van later dagen had aldaar veel aan hem te danken, gelijk, onder meer, de Oudministers, J.C. Baud en J.C. Rijk, de S.B.N. Arriëns en de Heer Röntgen te Rotterdam zouden kunnen getuigen(1). H. geraakte hier in kennis met zijn ambtgenoot, den geleerden en wijsgeerigen J.F.L. Schröder, later te Utrecht Hoogleeraar geworden, met wien hij eene vriendschap sloot, slechts door laatstgenoemdens dood verbroken. Hij bestudeerde, met S., en welligt onder diens leiding, de Kantiaansche wijsbegeerte en zette zijne mathematische studiën voort. Dat de beoefening dier wijsbegeerte veel invloed op zijne latere vorming had, bleek uit vertrouwelijk geuitte oordeelvellingen. Toen later (1808) de school te Fijenoord door Koning Lodewijk tijdelijk naar Enkhuizen verplaatst werd, heeft ook H. in die verplaatsing gedeeld. Doch toen, met Lodewijks vertrek, alle die vorstelijke plannen, welke tot behoud van Neêrlands zelfstandigheid strekken moesten(2), in rook verdwenen, werd ook deze school opgeheven. En H. was de man niet, om gelijk sommige zijner Collegen aldaar, zich zeer met het huldigen der nieuwere Fransche hoogere ambtenaren bezig te houden. Onze toenmalige Minister van Marine beloofde een en andermaal voor hem te zullen zorgen, en vleide hem met goede uitzigten; maar.... vergat hem.

Nu zochten zijne vrienden, hem die zich andermaal van alle inkomen verstoken zag, iets anders te verschaffen of liever van zijne groote talenten voor de teekenkunst partij te trekken. Van de Leidsche Teeken-school of academie Ars aemula

[p. 136]

naturae(1) werd hem het Directeurschap en de leiding van geheel het onderwijs opgedragen, waarin hij weder met zijne gewone ijver en naauwgezetheid bezig was: ook hier toch gold het, wat wij boven over zijne leerwijze aanmerkten. Toen de fondsen dezer inrigting bij later veranderde omstandigheden aan 't kwijnen sloegen, verzocht en verkreeg hij in den jare 1823 zijn eervol ontslag.

Doch een ander uitzigt had zich sedert eenigen tijd voor hem geopend. Koning Lodewijk, - tot wien wij nog even terugkeeren - had, hetzij uit zich zelf, hetzij op aansporing van Humbert en diensgelijken, het volslagen gemis doorgrond dat in Nederland destijds bestond aan eene verzameling van gipsen voorwerpen van oude kunst. In Parijs, waar H. de heerlijkste kunststukken gezien had, die Napoleon's roofzucht tijdelijk uit alle oorden had zamengesleept, werden die stukken voor betrekkelijk geringe geldsommen in gips afgegoten. Hieruit werd nu, op 's Vorsten last, eene keus gedaan en zulks naar Nederland opgezonden. Doch, de Koning vertrok plotseling uit den lande en alles bleef te Amsterdam opeengestapeld en vergeten. Naauwlijks echter had H. ze daar bespeurd of hij doorgrondde terstond het veelzijdig nut daaruit te trekken. De zaak bleef echter rusten tot aan de omkeering van zaken in 1813.

Hij trachtte nu te verkrijgen, en bewerkte in der daad, door bemiddeling van zijnen vriend, den Hoogl. Kemper, eene splitsing tusschen deze voorwerpen; en, terwijl hij gereedelijk een deel aan de kunstenaars der hoofdstad gunde, erlangde hij het overige ten behoeve der studerende jeugd, opdat deze, bij de grondige kennis der klassieke schrijvers over oude kunst, die kunst ook praktisch, door haar na te teekenen en te bestuderen, zoude kunnen beoefenen. En hij, te Leiden gevestigd, verwierf zulks ook gereedelijk voor die hoogere kweek-

[p. 137]

school. In 1815 werden hem voor die afgietsels eerst in het dusgenaamde Hof van Zessen twee kleine vertrekken ingeruimd: later, bij de geheele verbouwing van dit gesticht, op nagenoeg denzelfden grond, twee geheel aan elkander sluitende zalen der academielokalen in de Houtstraat. Daar toonde hij zijnen fijnen kunstsmaak, gevormd door wat hij buitenlands gezien had. Doch de beschrijving hiervan heeft, lang voor ons, de oud-Voorzitter onzer Maatschappij, de Hoogl. Siegenbeek ontworpen in de Geschiedenis der Leidsche Hoogeschool, hoofdstuk: Museum van fraaije Kunsten, waarheen wij den belangstellenden verwijzen(1). - H. had hier intusschen geenszins een bestendig verblijf. De reusachtige uitbreiding des Rijksmuseums van Natuurlijke Historie noodzaakte hem die vertrekken voor een ander, wel van buiten grootscher, maar innerlijk minder geschikt en meer gesplitst, te verruilen aan de zuidzijde des Rapenburgs, alwaar hij met de nu verdeelde ruimte woekerde zoo veel hij konde. Dit was te moeijelijker omdat nog eene tweede, geheel andere kunstzaak hem sints den jare 1823 werd opgedragen.

Wij bedoelen het legaat van geteekende en gegraveerde kunstvoorwerpen van den Heere J.A. Royer(2). Zulks was door Curatoren, der Leidsche Hoogeschool, en vooral door Baron Collot d'Escury, zelf een ijverig kunstkenner en kunstverzamelaar, onder zijn opzigt gesteld geworden. Hetzelve te schikken, te beschrijven, aan te vullen, vereischte eene voortdurende werkzaamheid. Voor zooverre de beperkte middelen reikten, is deze verzameling, vooral met een blik op hare kunstwaarde, sints naar vermogen door hem verrijkt geworden. Steller dezes kan de kunstmatige schikking des geheels, de bereidvaardigteid zoowel als de belangrijke wenken des Directeurs, vaak door blijken van zijn vernuft treffend afgewisseld, uit eigene vrij langdurige ondervinding niet genoeg roemen. Een

[p. 138]

volledige lijst van het voorhandene, waarop de boven vermelde beschrijving hoop gaf(1), en die voor den gebruiker behoefte is, heeft men nog van H's waardigen opvolger, den tegenwoordigen Directeur(2) te verwachten. Van de gipsverzameling had H. zelf reeds voor jaren eene beredeneerde lijst vervaardigd, onder den titel van Catalogue des plâtres antiques de l'université de Leide, 1re partie, 1817. fol. Zij is in bijzonderheden beschreven in het meergemelde werk(3) en zoude nog door eene meer uitvoerige, met afbeeldingen verrijkte lijst gevolgd zijn, indien die onderneming door eene gunstige inteekening ware bekroond geworden(4). In de jaren 1821 en 22 hield hij ook nog voor eenige leerlingen der Hoogeschool, die smaak voor de schoone kunsten gevoelden, aan zijne woning geregeld voorlezingen hierover, met afbeeldingen opgehelderd.

Doch niet alleen aan Leiden viel het te beurt, de vruchten zijner kunstkennis te mogen plukken. De Vierde Klasse toch van het Kon. Nederl. Instituut benoemde hem, bij deszelfs aanvang tot Correspondent, en in 1822 tot Lid, en die inrigting erlangde van zijne werkzaamheid meer dan ééne proeve. Behalve een straks te melden opstel, betrof zulks vooral treffende gedeelten uit zijn, in het Fransch geschreven hoofdwerk Essai sur les signes inconditionnels dans l'art(5), tot welks in 't licht verschijning Koning Willem I de behulpzame hand verleend had. Een van H's. vertrouwdste vrienden, de Heer J. de Vos Wz., Secretaris zijner Klasse, liet zich hierover aldus in een openlijk Verslag uit: ‘Het thema zou welligt dus kunnen omschreven worden: den mensch, als physiek,

[p. 139]

intellectueel en zedelijk wezen, te midden eener zigtbare wereld, te onderzoeken, te doorgronden; ten einde daardoor aan de kunst de wijze te leeren, om tot dien mensch eene steeds verstaanbare, steeds edele en hem waardige taal te spreken, door de aanduiding der teekenen eener zoodanige taal, aanwezig in den mensch zelven, in de hem omringende natuur, en in de meesterstukken door het genie voortgebragt.’ enz.(1). De rijke schat in dit werk begrepen, eene niet gemakkelijke taak, ontwikkelt dezelfde spreker verder meesterlijk(2).

Ten zelven dage droeg H. in die Openlijke Zitting zijne beschouwingen voor over den Vaticaanschen Apollo, dien van het Belvedère geheeten, een stuk, waarmede het gemeld verslag verrijkt is(3). Van andere uitvoerige mededeelingen in zijne Klasse is ons niets gedrukt voorgekomen; doch uit hare geschrevene Handd. zou men veelligt in een en ander rapport over voorwerpen van kunst, zoo vele bewijzen kunnen vinden van zijnen smaak en zijn gevoel(4). Wanneer de Klasse in het aanstaande voorjaar zijn verlies in hare te verwachten openbare Zitting vermeldt, kan men daarop geredelijk hopen. - Aan dezelfde inrigting heeft hij zijne geheele Boekerij, (niet alleen zijne gedrukte werken, maar ook zijne Hdss. en belangrijkste teekeningen) bij uitersten wille vermaakt.

Eene andere inrigting in dezelfde hoofdstad des Rijks, de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, wier medelid hij bij hare oprigting in 1822 werd, had zich niet minder over hem te beroemen. Zij reikt, als bekend is, om de twee jaren in één der vier vakken van Bouw-, Beeldhouw-, Schilder- en Graveerkunst geldelijke belooningen aan jonge verdienstelijke kunstenaren uit, om eenigen tijd buitenslands de kunsten te gaan bestuderen. Humbert, die uit eigene erva-

[p. 140]

ring wist, hoeveel waarde zulks heeft, en die 't gemis van dusdanige inrigting in zijne jeugd ondervonden had, beijverde zich steeds, hieringeraadpleegd zijnde, - en men nam in al die vakken zijn' raad in - om de talenten der onderscheiden jongelingen te helpen toetsen en naar de strengste regelen van billijkheid zijn oordeel uit te brengen. Menig ontluikend, 't zij reeds gestorven, 't zij nog levend talent, was hieraan zijne ontwikkeling verschuldigd.

Vraagt men nu of er nog bewijzen overig zijn van hetgene waarin, en de wijze waarop hij zelf kunstbeoefenaar was: hij schijnt geportretteerd te hebben(1), althans zeer enkele voorbeelden bestaan hiervan(2). Maar, teekeningen waren zijn hoofdwerk. Hij ontwierp met zijn levendig genie grootsche voorstellingen en werkte die met crayon, O.I. inkt of wat hem ter hand stond, op. Zij hadden, behalve het grootsche nog een onderscheidend kenmerk. Hij had, namelijk, een sterken afkeer van het overladene der kunstvoorstellingen onzer dagen. Zijne groepen bestonden uit zeer weinige personen, soms uit ééne enkele; en lieten veel te denken over. Om deze laatste reden trokken hem voorstellingen 't zij uit den vroegsten tijd onzer vaderl. geschiedenis(3), 't zij bovenal uit de H. Schrift, ten sterksten aan. In dezen laatsten karaktertrek kon hij veel-

[p. 141]

ligt met Raphaël (om deszelfs loges) vergeleken worden. Ten doorslaande bewijze hiervan strekken eenige weinige groote teekeningen van tafereelen uit de gewijde Schriften geput(1), thans in bezit zijnde van den bovenvermelden. Heer v.d. Berch van Heemstede, en door dezen, uit deszelfs kostbare kunstverzameling nu in het Akad. Plaatkabinet nedergelegd, zoo ter proeve van H's talent als ter bestudering voor kunstenaars. Wenschelijk ware het dat deze schetsen, al ware het dan slechts in omtrek, gegraveerd en zóó zijne concepten ter meer algemeene kennis gebragt werden.

Ook van zijne behendigheid in het etsen en in den steendruk zijn enkele proeven bekend: hij onderzocht trouwens praktisch elke oude en nieuwe uitvinding op het grondgebied der door hem beoefend wordende kunsten en zocht zich het goede er van eigen te maken. Ook in de perspectief was hij zeer kundig en gaf er onderwijs in. In de vakken van Beeldhouw- en Bouwkunst maakte hij meermalen belangrijke opmerkingen(2). Tot de monumenten van Brugmans en Kemper in de Pieters Kerk te Leiden gaf hij gepaste denkbeelden aan de hand.

Boven gewaagden wij van zijne groote ervarenis in de Fransche taal; ook met de Italiaansche was hij door eene tienjarige inwoning daar te lande dermate vertrouwd geworden, dat geboren Italianen, lang na zijne terugkomst in zijn vaderland, van hem verklaarden, nimmer eenen vreemdeling die taal zoo goed te hebben hooren spreken. Geen wonder dus dat hij in d.j. 1815, door Koning Willem tot Lector in beide deze talen aan de Leidsche Hoogeschool benoemd, en daardoor nog met een naauweren band aan haar verbonden werd. - Wij moeten hier ook nog op eene proeve wijzen van zijnen Fran-

[p. 142]

schen stijl, bijzonder in het vak van poezij: doch tevens een bewijs opleverende zijner geheel vrije zienswijze. Wij bedoelen zijn drama, Jésus getiteld. In 1812 verscheen hiervan een fragment met taalkundige en aesthetische aanteekeningen(1). In 1815 gaf hij dit zijn stuk geheel uit, onder denzelfden titel, doch nu voor twee derden vermeerderd(2). Het werd, ik beken het, bij deszelfs verschijning, zeer uiteenloopend beoordeeld, naarmate der meer of minder vrijzinnige denkwijs des beoordeelaars: en ook wij zouden het volstrekt niet, onbepaald, willen voorspreken(3), tenzij alleen van de zijde der kunst en der aesthetiek. Intusschen gaf het aan een' van H's vrienden en medeleden zijner Klasse, den eerwaardigen H.H. Klijn, aanleiding, om, jaren later (1836) een gedeelte daarvan in krachtige Nederduitsche verzen over te brengen; een gedeelte dat zooveel wij weten, dusver onder 's mans poëzij nog niet het licht zag; doch waarvan het oorspronkelijk Hds., door H., eenigen tijd na zijne benoeming (1842) tot lid onzer Maatschappij van Letterkunde, aan onze Boekerij, met een verpligtend schrijven, heuschelijk ten geschenke gezonden werd en in onzen Catalogus aangeduid wordt(4). - Ook tot over de Joodsche oudheden strekte zich zijn onderzoeklust uit. In zijn laatste werk(5) vermeldt hij eene nieuwe verklaring die hij gewaagd had van de steenen in den Hoogenpriesterlijken ephod, en waarover eene korte memorie door hem was ingeleverd aan de IIIe Klasse des Instituuts, in d.j. 1836. - Onder de gewijde Schriften las hij met groote voorliefde tot in hoogen ouderdom het boek Job, had er veel studie van gemaakt en sprak er, met een' enkelen vertrouwden vriend,

[p. 143]

steeds met geestdrift over, als van een der grootste poëtische meesterstukken.

Wat zal men hier ten slotte over H. als mensch nog aan toevoegen? Een ander zijner medeleden des Instituuts, fijn karakterkenner, moge voor mij spreken, als die mij dezer dagen het volgende schreef: ‘Hij was een genie, een kunstenaar van hooge theoretische kennis, een enthusiast in de kunst. - Ik vond hem een lierdichter in de kunst, eenig in zijne soort. Zijne verhandeling over den Apollo, de kleuren in de kunst en andere uitgegeven of voorgedragen werken bewijzen zulks. Hij was vol vuur en zijn gezelschap was zeer onderhoudend’ - en verder: ‘Hij had heldere en grootsche, maar buitengewone en al te zonderlinge inzichten in de kunst. Er was in al zijne voorstellingen eenige waarheid. Hem na te gaan, te ontleden, zijne denkbeelden als over te halen (distilleren) was belangrijk en aangenaam tevens; altijd vond men er spiritus, nimmer doode stof (caput mortuum) in. Hij was een braaf, edel, maar in alles een zonderling mensch.’ Deze zonderlingheid had echter niet den minsten invloed op zijne minzaamheid en beminnelijkheid als mensch, daar hij een man was niet slechts van fijne beschaving, humaniteit, en schuldelooze scherts, maar ook van de warmste menschenliefde en van een zeer teeder gevoel omtrent des naastens eer en goeden naam. Het zonderlinge had veeleer betrekking zoo tot sommige zijner denkbeelden als tot eene zekere afgetrokkenheid in zijne latere jaren.

Tot dit zonderlinge hadden intusschen zijne vroegere en latere levensomstandigheden veel toegebragt. Steeds op zich zelf geleefd hebbende, in den vreemde slechts met enkele gemeenzaam omgaande, vaak in- en buitenlands teleurgesteld en van de middelen zijns bestaans grootendeels beroofd geworden, begaf hij zich in gevorderden leeftijd, ongeveer 47 jaren oud, in het huwelijk met Mej. A.E. Paradijs, eenig overgeblevene, scherpzinnige dochter van den Leidschen Hoogleeraar en Geneesheer van dien naam; doch deze band werd binnen het

[p. 144]

jaar plotseling verscheurd, daar zij, bij hare eerste bevalling, bezweek. Tweelingen sproten uit dezen echt: de één stierf jong; de ander, een zoon, groeide op en deszelfs opvoeding en ontwikkeling was, in de stille afzondering, waaraan de vader zich overgaf, zijne aangename bezigheid. Doch ook dezen zag hij, voor weinige jaren, in den bloei zijns leeftijds (24 jaren) aan hevige zenuwkoortsen weggenomen. Nu was nagenoeg de laatste schakel die hem hier bond verbroken; hij trok zich, zoo mogelijk, nog meer terug, en hij overleed, aan een spoedig verval van ligchaamskrachten, ofschoon nog helder van hoofd, in den nacht van den 9den Januarij dezes jaars, in den ouderdom van 78½ jaar. Zoo eindigde het leven van een der meest oorspronkelijke mannen in de kunst, die Nederland in onze dagen opleverde, te minder gekend, naar mate hij zich zelf minder op den voorgrond gesteld had. Zijn stoffelijk beeld is niet voor ons verloren: twee onderscheidene portretten, hem in zijn studeervertrek voorstellende, bestaan bij zijne vrienden; het is het penseel van zijn' laatsten ijverigen en dankbaren kweekeling, den voormaligen vriend zijns zoons, den Heer J.L. Cornet hier ter stede, bereids als voortreffelijk vaderlandsch historieschilder bij de kenners hooggeschat en die op dat vak H's eenvoudigheid en grootsche conceptie toepast, - waaraan we deze afbeeldingen te danken hebben. Het ééne derzelve, in 't bezit van den Heer de Gijselaar, stelt hem in zijne laatste dagen bij kaarslicht in een leuningstoel gezeten, allergelijkendst voor. Een derde, fraai geteekend, portret is elders voorhanden. - Ze zullen 's mans waardige en fijne gelaatstrekken getrouwelijk tot het nageslacht kunnen overbrengen en de herinnering aan zijne verdiensten helpen bewaren.

Het Lid, aan wien het leveren van dit levensberigt door de Maatschappij was opgedragen, zich verontschuldigd hebbende, is het bovenstaande grootendeels uit mondelinge berigten opgemaakt door

J.T. Bodel Nijenhuis.