Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1857


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden den 18 Junij 1857, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Leiden. J.G. la Lau, z.p., z.j.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 74]

Bijlage B. (Zie Handd. blz. 46.)

.… Het gedrukte gedeelte van het Charterboek is hoogst onvolledig. Van Mieris zelf erkende, dat hij eerst later toegang tot registers en stukken had bekomen, die in de vroegere afdeelingen van zijn werk hadden gepast. Bovendien werden van tijd tot tijd elders, ook buiten 's lands; Charter-verzamelingen uitgegeven, waarin stukken voorkwamen Holland betreffende, die hij niet had opgenomen. Uit later gedrukte en ongedrukte bronnen stelde hij alzoo in vier deelen een supplement te zamen tot op het jaar 1436, doch ook dit is verre van volledig. Nog onderscheidene registers op het Rijks-archief aanwezig bleven aan van Mieris onbekend. Later werden nieuwe oorkonden in het licht gegeven; men denke aan de werken van Kluit, van de Wall, Bondam en zoo vele anderen, om slechts van Nederlandsche, niet van buitenlandsche oorkondenboeken te gewagen.

Even onvolledig als het Charterboek met zijn supplement, even onvolledig is het vervolg daarop. Wat de regering van het Oostenrijksche huis betreft, is de verzameling van oorkonden naauwelijks begonnen: voor de Boergoensche regering zijn zij met meer zorg bijeengebragt, doch de belangrijke Charters, dier voor latere jaren zoo belangrijke regering, zijn op verre na niet uitgeput.

Completeren van den geheelen van Mieris is dus mijns inziens hetgeen allereerst gevorderd wordt.

Ten tweede: en juist dit maakt het opstellen zelfs van een naam- en personen-register hoogst bedenkelijk: de uitgegeven vier deelen van het Charterboek wemelen van fouten. Die fouten hebben tot de ergerlijkste, historische, geographische, taalkundige vergissingen aanleiding gegeven. Dik-

[p. 75]

wijls is het mij een raadsel geweest, hoe van Mieris de blijkbare goede lezingen in zijne varians lectio, de slechte daarentegen in den tekst gebragt heeft. Wat omtrent het uitgegevene geldt, is nog van ruimere toepassing op het onuitgegevene. Zal het Charterboek van van Mieris een degelijke grondslag worden voor onze geschiedenis, dan moet er aan eene doorgaande tekstzuivering worden gearbeid, waarvoor de hulpmiddelen voorzeker in de ruimte aanwezig zijn.

Aan beide eischen is naauw verwant eene derde: schifting en monstering van de stof door van Mieris verzameld. Er zijn blijkbaar valsche Charters opgenomen: nu en dan worden van Latijnsche stukken vertalingen medegedeeld, die geen officieel karakter hebben: andere malen worden transsumpten in extenso medegedeeld: het ontbreekt niet aan gelijkluidende charters voor verschillende personen of plaatsen, welke het genoeg ware met een mutatis mutandis aan te wijzen. Het grootste gedeelte der varians lectio kan, is eenmaal de tekst verbeterd, gerust ter zijde geworpen worden.

Als ik alle die eischen overweeg welke de tegenwoordige stand der wetenschap het regt heeft aan een Nederlandsch, zij het slechts een Hollandsch Charterboek te doen, dan ontstaat bij mij de vraag: of het niet beter ware de betrekkingen met van Mieris op te zeggen, zoo als hij dat zelf deed met de Handvesten-Kronijk van van der Houve, en de handen aan het werk te slaan voor een nieuw groot Charterboek.

Dat vordert tijd, werklieden en kosten, meer dan van eenig afzonderlijk genootschap kan worden gevorderd. Eene werkzaamheid van velen, waarbij aan elk zijne taak is voorgeschreven is, onmisbaar: de tusschenkomst en de ondersteuning der Regering kan alleen eene gelukkige uitkomst doen voorzien.

Willen Akademie van Wetenschappen, Maatschappij van Letterkunde, Provinciaal Utrechtsch en Zeeuwsch genootschap daartoe de handen in een te slaan, en eene werkzaam-

[p. 76]

heid voorbereiden, waaraan de regering als het ware zedelijk verpligt is hare ondersteuning te geven, dan zal men mij bereid vinden tot alle medewerkingen die van de mate mijner krachten kan worden gevorderd. Partieel bijwerken van van Mieris ook naar de voorhanden en door hem zelve bijeengebragte hulpmiddelen, schijnt mij noch aan de eischen van den tijd, noch aan die der wetenschap te beantwoorden.’

 

(w.g.) R.C. Bakhuizen van den Brink.