Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1866


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900


bron: Handelingen der jaarlijksche algemeene vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, gehouden op den 5den October 1866, in het gebouw der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen te Leiden. E.J. Brill, Leiden 1866  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 72]

II. De academische lijkredenen. Door Dr. W. Bisschop.

Al wie zich met de letterkundige Geschiedenis van vroeger tijd heeft bezig gehouden, weet bij ondervinding, hoe schaarsch de berichten omtrent den levensloop, de opleiding, de geschriften enz. der voorgeslachten zijn. Wij moeten rechts en links zoeken en eindigen dikwijls met niet te vinden. De levensberichten in de werken onzer Maatschappij zullen voor de volgende geslachten een allerbelangrijkste bron zijn, waaruit zij min of meer uitvoerige, in elk geval geloofwaardige bijzonderheden zullen kunnen putten. Toch bezitten wij iets dergelijks, wat de geleerden van vorige eeuwen betreft, in de lijkredenen op de hoogleeraren onzer Academiën gehouden1. Wat

[p. 73]

er met haar hulp gedaan kan worden, is bewezen door Vriemoet in zijne Athenae Frisiacae, door Bouman in zijne Geschiedenis der voormalige Geldersche Hoogeschool en nog onlangs door Boeles in de Levens der Groninger Hoogleeraren, achter Jonckbloets Gedenkboek. Had Siegenbeek ze gebruikt, het tweede deel zijner Geschiedenis der Leidsche Hoogeschool zou in volledigheid zeker veel gewonnen heb-

[p. 74]

ben. Doch, te zijner verontschuldiging moet het gezegd worden, die lijkredenen komen niet dagelijks voor. Zelfs op de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waar men ze, althans van de Leidsche professoren, in de eerste plaats zoeken zou, worden er zeer vele gemist. Men stelde er vroeger weinig prijs op; op verkoopingen werden ze meestal in pakketten gestopt en zoo stierven ze in kaas- en andere winkels een treurigen dood. Handelswaarde hebben ze dan ook niet; elk op zich zelf is weinig waard; alleen de menigte maakt ze belangrijk. Daarenboven staan lijkredenen in een slechten reuk; de spreuk ‘de mortuis nil nisi bonum’ werd meestal in zoo hooge mate toegepast, dat het geen lijk- maar lofredenen moesten genoemd worden. Slechts uiterst zelden heeft dan ook het nageslacht den overdreven lof, aan de gestorvenen toegezwaaid, bevestigd. Voor de beoordeeling der personen hebben zij dus geene waarde. Doch voor het nauwkeurig kennen hunner uiterlijke omstandigheden zijn zij van groot belang. Het zij mij vergund dit zoo beknopt mogelijk aan te toonen. Mijn plan is achtereenvolgens de geschiedenis en het nut der Academische Lijkredenen te behandelen. Het kwam mij niet ongepast voor, dit onderwerp juist op dezen tijd te bespreken, nu wij van de Historische Commissie eene lijst te gemoet zien van de Academische redevoeringen, die op de Geschiedenis van ons vaderland en van onze letterkunde betrekking hebben1.

Reeds spoedig na de oprichting der Leidsche Hoogeschool (en hetzelfde is ook van toepassing op de andere

[p. 75]

Academiën) werd de eeuwenoude gewoonte, om de verdiensten der gestorvenen door eene plechtige lijkrede te vereeren, ook hier gevolgd. De eerste, op wien er eene gehouden werd, was Franciscus Raphelengius † 1597. Vóór hem waren er reeds twee professoren overleden: Rembertus Dodonaeus in 1585 en Johannes Holmannus Secundus in 1586. De handelingen van den Academischen Senaat maken van het overlijden van deze twee geen gewag1: evenmin als zij het doen van Heurnius, Bredius, Tuningius, Swanenburg en anderen.

Zoodra een der hoogleeraren overleden was, werd er eene vergadering van den Academischen Senaat belegd en werd er beraadslaagd, aan wie het houden der lijkrede zou opgedragen worden. Slechts uiterst zelden bood zich iemand uit eigen beweging aan. In de Acta heb ik slechts een paar voorbeelden aangetroffen, o.a. bij den dood van Crusius in 1676, 't welk dus vermeld wordt: ‘Parentationem ultro in se lubentissime suscepit omnium cum applausu celeb. Böckelmannus.’ Meestal belastte de Senaat er den een of ander mede; de bewoordingen, waarmêe het in de Acta wordt uitgedrukt, zijn zeer verschillend. Dan eens is het ‘Decrevit Senatus orationem funebrem esse habendam a Cl. etc.’ of, zooals bij den dood van Heinsius, ‘Censuit Senatus ei parentandum a D. Thysio’ en zooals bij dien van Golius ‘oratio funebris in obitum D. Golii mandata a Senatu D. Gronovio.’ Deze uitdrukkingen moeten echter niet in den zin van een bevel op-

[p. 76]

gevat worden. Dit blijkt daaruit dat de Senaat dikwijls verzoekenderwijze spreekt en op de toestemming der aangewezen redenaars zijn hoop vestigt. Zoo vindt men bij den dood van Lindershausen in de Acta: ‘8 Julii 1645 cum Rector significasset obiisse Cl. Virum D. Joannem Linderhusium, visum est in obitum defuncti habendam esse orationem funebrem et quidem a D. Scotano: a quo omnes hoc petierunt’; bij dien van Trigland, 12 April 1654: ‘Senatus censuit orationem funebrem in obitum eximii et clarissimi Viri D. Jacobi Triglandi piae memoriae habendam esse a Cl. Viro D. Joanne Cocceio, qui rogatus id lubens in se suscepit’, en bij dien van Daniel Sinapius, 29 October 1638: ‘Quandoquidem Deo placuit, Cl. Virum D. Sinapium per mortem ex hac valle miseriarum evocare in requiem aeternam, visum fuit Senatui rogandum esse D. Boxhornium, ut funus ipsius publica aliqua oratione lugubri exornet, aut si ob debilitatem suam id praestare nequeat petendum esse a D. Thysio filio, ut eo honore defunctum afficiat.’ Toch had de aangewezen persoon vrijheid om zich te verontschuldigen. Dit maak ik op uit de woorden, waarmeê de dood van Sibertus Coeman wordt vermeld: ‘Cum dubitaretur an parentandum esset D. Coeman, cum numquam publicas habuisset lectiones, visum tamen illud esse faciendum, set obstante valetudine D. Böckelmanni et reluctante quodammodo D. Matthaeo, commissum illud D. Voldero’ etc. De Academische Senaat ging echter bij deze opdrachten niet geheel willekeurig te werk. Het schijnt, evenals vele andere eere- of lastposten, volgens een vasten rooster bepaald te zijn: althans het houden der lijkrede op Alb. Rusius werd opgedragen aan Böckelman ‘si Rector (Matthaeus) id declinet, cum ipsius essent vices.’ Een gevolg van zulk eene schikking bij beurten, was dan ook dat zich meer dan eens het geval heeft voorgedaan,

[p. 77]

dat de lijkrede werd uitgesproken door hem, die met den overledene in 't geheel niet op een goeden voet was geweest. Zoo hield b.v. te Franeker Sixtinus Amama de lijkrede op Sibrand Lubberti, tegen wien hij zich bij diens leven in zijne brieven allerlei uitvallen had veroorloofd. Ik ben het dan ook geheel eens met de woorden van Burman, geplaatst in eene aanteekening op een der brieven van Cunaeus: ‘Quis nescit saepe in has laudationes coactos et invitos descendere collegas et inter Theologos etiam passim reperiri, qui scenae inservientes collegis mortuis justa faciunt, quos viventes omnibus modis vexare non destiterunt! ut exemplis, quae vidimus nos et majores, ostendere liceret.’

Dikwijls was de Senaat van de moeilijkheid van het zoeken naar een redenaar ontheven, doordien de overledene zelf den persoon had aangewezen. Zoo leest men in de Acta: ‘20 Febr. 1635 Rogatus D. Cunaeus ut in obitum D. Burgersdicii, cum id petiisset defunctus, orationem funebrem haberet’; zoo had Lucas Schacht, de Volder; Perizonius, Schulting aangewezen enz. Ten einde het bezwaar te voorkomen, dat de Senaat het houden der rede aan eenen anderen ambtgenoot zou opdragen, dan de overledene had verlangd, had de opdracht dikwijls met voorbehoud plaats. Wij lezen dan ook; ‘20 Maii 1687 Defuncto D. Wittichio parentatio decreta, eaque provincia imposita D. Le Moyne, nisi forte defunctus alium designasset, aut fratri eius aliter videretur.’

Langzamerhand kwam dan ook, zoo hier als elders, de gewoonte in zwang, dat de Senaat tot redenaar den intiemsten vriend des overledenen aanwees. Zoo vermelden de Acta: ‘6 Martii 1664 Visum Senatui ut D. Cocceius d. van der Linden Prof. Med. amico veteri parentaret’.

Een onvermijdelijk bezwaar hiervan was, dat de rede-

[p. 78]

naar en de overledene dikwijls mannen van geheel verschillende vakken waren. Op Phil. Matthaeus b.v. een' Geneeskundige, werd de lijkrede gehouden door den bekenden Godgeleerde H.A. Roëll; die op den grooten Rechtsgeleerde Ulrich Huber door Vitringa, Theol. Prof. enz. Zij konden dus, het spreekt van zelf, over den wetenschappelijken arbeid der overledenen geen zelfstandig oordeel uitbrengen, maar moesten de woorden van Vitringa tot de hunne maken: ‘Labores ejus qui recensebo quorum plerorumque argumenta a me non intelliguntur.’

In weerwil dat door al deze bepalingen de keuze des redenaars eene zeer ruime werd, is het toch wel gebeurd dat geen der oudere collega's, die er in de ecrste plaats toe geroepen waren, zich met de oratie wilde belasten. Het opmerkelijkste geval, dat mij in dit opzicht is voorgekomen, zal ik eenigszins uitvoeriger meedeelen, vooral omdat het zeer bekende personen geldt. In 1614 stierf Bonaventura Vulcanius, Hoogleeraar in de Grieksche taal. Hij stond bij zijne tijdgenooten niet goed aangeschreven, wat zijne godsdienstige gevoelens betrof, sommigen hielden hem zelfs voor een atheïst. Petrus Cunaeus ten minste, die volstrekt niet was wat men in die dagen orthodox noemde, zegt in een brief aan Hogerbeets: ‘Novimus nos, noverunt caeteri Vulcanium, qui familiariter cum illo vixerunt. Quoties aliquis hominem extrema senectute ad mortis meditationem exhortaretur, vehementer irascebatur ille. Sermones vero aut de Christo aut de pietate, adeo nunquam ex sene audivimus, ut saepe mirati simus, quibus ille cogitationibus fessam aetatem solatus fuerit.’ 't Zij om deze reden, 't zij om eene andere, geen der Professoren wilde de lijkrede op hem houden. Eindelijk liet Cunaeus zich door den Senaat overhalen, om die laatste eer aan den overledene te bewijzen. Hiervan heeft hij

[p. 79]

vele onaangenaamheden gehad. Hij had te recht begrepen, dat hij alleen spreken moest over Vulcanius als geleerde. Maar zoowel binnen als buiten Leiden, werd er veel gepraat, niet zoo zeer over 't geen hij gezegd, als wel over 't geen hij niet gezegd had. Cunaeus beklaagt zich daarover dan ook zeer in zijne brieven aan Hogerbeets, aan V.D. Myle en anderen. Hierbij bleef het evenwel niet. De bekende geograaf Petrus Plancius, toen ter tijd predikant te Amsterdam, bracht het gebeurde ter sprake op den kansel en deed luide klachten hooren over de ongodsdienstigheid, die te Leiden heerschte; waarbij, gelijk men begrijpen kan, Cunaeus zelf in 't geheel niet gespaard werd. In de belangrijke briefwisseling van Cunaeus door Burman uitgegeven, leest men een zeer uitvoerigen brief (hij beslaat ongeveer zeven bladzijden) door Cunaeus over die zaak aan Plancius geschreven. Hij verdedigt daarin zijne lijkrede en zijn gedrag krachtig en flink, en deelt ten slotte de aanmerkingen mede, die hij zelf op Plancius heeft hooren maken. 't Is een staaltje van den preektrant in die dagen. ‘Ajunt illi, qui Amstelodamo veniunt, esse te concionatorem satis ridiculum. Persaepe fit illud, inquiunt, ut non satis bene meditatus adscendas suggestum. Ibi, relicto saepe orationis argumento, licenter ad ea evagaris, quae minime faciunt ad rem propositam, modo de Indiis et de novo orbe homo geographus, nescio quid facunde disseris; modo in siderum descriptione haeres et mathematicorum tuorum coelum perambulas. Tandem, ubi hoc quoque friget, ex stellarum orbibus subito ac derepente Leidam descendis et ad clepsydram probra jactas in Professorum ordinem; ac ne Curatoribus quidem, viris nobilissimis amplissimisque, parcere soles, quibus illustres Bataviae Ordines, quorum pars etiam ipsi sunt, Academiae tutelam mandaverunt.’

[p. 80]

Viel het moeilijk om ter vereering van Vulcanius één redenaar te vinden, er zijn voorbeelden dat er op een overledene twee lijkredenen gehouden werden. In Juli 1597 stierf Franciscus Raphelengius. De Acta vermelden: ‘Oratio funebris habita eo ipso die a filio Salomonis Geometrae, Postridie altera a Festo Hommio, Frisio.’ Nog eervoller is het volgende. In 1609 stierf een der sieraden van de Leidsche Hoogeschool, Josephus Justus Scaliger; door twee zijner ambtgenooten Baudius en Heinsius werden zijne groote verdiensten gehuldigd. Hiervan maken de Acta geen gewag; wel leest men er, wat een nieuw bewijs is van de groote achting, waarin Scaliger bij zijne tijdgenooten stond: ‘22 Jan. 1609 Visum est Senatui Academico, ut propter obitum illustris viri Josephi Scaligeri Professores non doceant ad diem usque huius mensis 29.’

Niet op alle Professoren werden lijkredenen gehouden; in de eerste plaats niet op hen, die buiten de Academiestad stierven en begraven werden. Dit was o.a. het geval met Merula, die te Rostock, met Stuart, die te Parijs overleed enz.; in de tweede plaats niet op hen, die in den vacantietijd stierven, of wier begrafenis des avonds plaats had. Zoo vermelden de Acta bij den dood van Heereboort: ‘17 Jun. 1661 Obiit D. Heereboort. Petierunt affines defuncti ut oratio funebris habeatur. Visum Senatui propter ferias id excusandum’, en bij dien van Colonius: ‘13 Jul. 1672, Quia Dan. Colonius vesperi sepultus est, nullus superfuit locus orationi funebri, quam faciendam susceperat D. Heydanus, vetus, stabilis et haereditarius defuncti amicus.’

Het spreekt van zelf dat in den regel geene lijkredenen gehouden werden op hen, die hun ambt hadden neêrgelegd, of die om de eene of andere reden van hunne bediening waren ontzet. Toch bestaan ook hierop uitzonderingen.

[p. 81]

Althans in 1627 werd Everardus Bronchorst door Cunaeus met eene lijkrede vereerd, ofschoon hij reeds zes jaar vroeger om redenen van gezondheid zijn ontslag had gevraagd en gekregen. Zelfs werd op Heidanus, die in 1676 was afgezet, in 1678 door Wittichius eene lijkrede gehouden en wel ‘ex decreto Senatus Academici.’

Somtijds had de overledene op zijn sterfbed gevraagd, of bij zijn laatsten wil bepaald, dat er geen lijkrede op hem mocht gehouden worden. De eerste van wien dit vermeld wordt, is A. Thysius, † 1665. Zijn voorbeeld vond navolging bij Valckenier, Noodt, Wesselius en vele anderen. Aan hun verzoek werd meestal gevolg gegeven; somtijds evenwel oordeelde de Senaat dat er geen termen waren om het in te willigen. Bij gelegenheid van den dood van Sylvius, in 1672, leest men in de Acta: ‘Postquam constitit defuncti D. Sylvii verba de Oratione funebri non habenda in delirio fuisse prolata nec umquam eum specialiter hac de re quicquam determinasse, censuit Senatus orationem funebrem esse habendam’. Langzamerhand nam het weigeren der lijkrede zoo toe, dat het bijna een vaste gewoonte begon te worden. De Curatoren wilden zich hiertegen verzetten en bepaalden in hunne vergadering van 8 November, 1719 dat de lijkredenen moesten gehouden worden ook ‘contra heredum voluntatem, quin et contra defuncti prohibitionem.’ Dit besluit lokte velerlei discussies uit, doch kon den meer en meer veld winnenden afkeer niet veranderen. De Professoren bleven de lijkrede weigeren, en eindelijk geraakte de oude gewoonte geheel in onbruik. Te Leiden is de laatste plechtige lijkrede in 1758 gehouden, door Lulofs, op J. van den Honert. Aan de andere Academiën hield ze langer stand. In 1800 sprak J. Mulder te Franeker ter nagedachtenis van G. Coopmans.

[p. 82]

Behalve bij den dood van Hoogleeraren werden er ook, vooral in de tweede helft der 17de en in de 18de eeuw, lijkredenen gehouden op de Vorsten en Vorstinnen uit het huis van Oranje. Uit de lijst, door de Historische Commissie uit te geven, zal men zien hoe rijk onze Academische literatuur in dit opzicht is.

De Curatoren der Hoogescholen werden slechts bij wijze van uitzondering met eene lijkrede vereerd. Vooral had dit te Franeker plaats. Bekend zijn inzonderheid die in 1604 te Leiden door Bertius op Jan van der Does gehouden; die van Zachar. Huber op W. van Haren, van Wesseling op Sicco van Goslinga enz.

De redenaars hadden in den regel volkomen vrijheid van spreken en werden daarin door geenerlei bepalingen beperkt. Alleen bij den dood van Arminius werd vastgesteld: ‘ut qui orationem funebrem esset habiturus in obitum D. Jacobi Arminii, nihil ei misceret, quod ad alicuius collegae contumeliam pertineat.’ Dat ook hij bijzonder in de achting zijner ambtgenooten deelde, blijkt uit de Acta. Wij lezen daarin: ‘25 Oct. 1609 D. Bertius post elatum funus habuit Orationem funebrem et Professores eo die non docuerunt.’

 

De lijkredenen werden uitgesproken in het Groot-Auditorium en bijgewoond door de Curatoren, de Professoren, de Studenten en verdere belangstellenden; bepaaldelijk ook door de naaste mannelijke bloedverwanten, die, inzonderheid de zonen, of gezamenlijk of elk afzonderlijk, werden toegesproken. Het spreekgestoelte en de banken waren met zwart laken behangen; de staven der pedellen in het sombere rouwfloers gehuld. Ten bewijze hiervan strekke de volgende plaats uit de rede van Schroeder op

[p. 83]

Cremer: ‘Moeret omnis Academia et publici luctus insignia, atratus suggestus, atratae sedes et subsellia et reliquae auditorii partes, quae alias lautis coloribus et aulaeis ornantur, splendens etiam argento Senatus Academici sceptrum nigro circumvolutum velamine, vel nobis tacentibus, immensum luctum testificantur et loquuntur.’ Men werpe mij niet tegen dat hier alleen van de Harderwijksche Academie gesproken wordt; wat het uitwendige betrof, waren al onze Hoogescholen op dezelfde leest geschoeid. Daarenboven kan men in de oratie van Voet op Matthaeus, van Mensinga op Oiselius enz. dergelijke bewijsplaatsen vinden. Ik heb Schroeders woorden aangehaald, omdat de bijzonderheden, die in andere redevoeringen verspreid staan, daar gezamenlijk vermeld werden.

De Professoren waren verplicht de begrafenis hunner ambtgenooten bij te wonen. Ook aan dezen plicht schijnen velen zich nu en dan te hebben willen onttrekken.

Dit blijkt uit hetgeen de Acta bij den dood van Burchardus de Volder vermelden. Wij lezen bij die gelegenheid: ‘Cl. Voldero defuncto decreta oratio funebris a Cl. Gronovio tunc absente, habenda. Eadem occasione decretum, ut si totus Senatus a Rectore ad funus Professoris evocaretur, omnes Professores deinceps, sub poena, togati in Academiam convenirent, Rectorem ad aedes defuncti comitarentur et funus sequerentur.’

De lijkredenen werden op den dag der begrafenis, onmiddellijk na den afloop der treurige plechtigheid, gehouden. Het spreekt van zelf dat er zich dikwijls omstandigheden hebben voorgedaan, die eene tusschenruimte van dagen, soms van weken vorderden; doch in die gevallen maakte de redenaar er altijd gewag van, deelde de oorzaken mede en verontschuldigde zich over het uit-

[p. 84]

stel. Zoo zegt Fred. Spanheim in zijn oratie op Hulsius: ‘Et conveniebat fortasse, Auditores, celebrari haec parentalia illo die quo elatae illataeque tumulo, rediturae in uterum terrae matris, Hulsiani corporis exuviae sunt. Et factum sane fuisset, nisi mihi ex interceptae pene vocis communi affectu, ubi impotens bruma et rauci Aquilones dominantur, tunc forte laboranti, deprecantique hanc dicendi provinciam, cum alias per se gravem et injucundam ac plerumque illaudatam, tum inprimis aegro afflictoque pectori minime congruentem, auctoritas academici Senatus, iteratis jussionibus, sed facta temporis et morae qualiscunque potestate, imperasset.’

Ook vermeldt Mensinga in zijne rede op Oiselius, dat de oorzaak van het lange uitstel in de op handen zijnde vacantie en in het niet aanwezig zijn van eenige leden der familie, gelegen was. Dit waren echter uitzonderingen. Gewoonlijk werd de lijkrede dadelijk gehouden. Hieruit blijkt, dat aan den redenaar dikwijls zeer weinig tijd ter bewerking gegeven was. Vossius b.v. sprak de rede op Erpenius uit, drie dagen na den dood des laatsten. Toch beslaat zij 46 bladzijden in quarto.

 

Heb ik tot hier toe het belangrijkste meêgedeeld, wat de geschiedenis der lijkredenen betreft, ten slotte zij het mij vergund in hoofdtrekken haar nut te schetsen.

Dat nut bestaat niet, ik heb het boven reeds gezegd, in de beoordeeling der personen. De redenaar mocht de waarheid wel zeggen, maar deed het gewoonlijk niet, althans wanneer ze voor den overledene minder vleiend zou geweest zijn. Hij moest gedurende een zekeren tijd spreken over den gestorvene en zijne levensomstandigheden. Het had zijne eigenaardige bezwaren, om veel te moeten zeggen over personen, die zeer weinig verricht

[p. 85]

hadden, wier leven kalm was verloopen, terwijl zij slechts zelden met de buitenwereld in aanraking waren gekomen. Nu had elk spreker, wel is waar, een zeker aantal vaste loopers, die bij voorkomende gelegenheden uitmuntende diensten bewezen. Een geleerde b.v., die niet had gewerkt of liever, die niets had uitgegeven, had natuurlijk al zijn tijd aan zijne lessen en zijne leerlingen gewijd, en dergelijke. Doch bovenal veroorloofde de redenaar zich menigvuldige uitweidingen, die met zijn onderwerp min of meer in verband stonden, en juist deze uitweidingen maken, buiten het eigenlijke levensbericht, dit spreekt van zelf, de lijkredenen voor ons belangrijk. Wij vinden er vele genealogische bijzonderheden in omtrent de familie des overledenen, zoowel van vaders als van moeders zijde. Met haar behulp zouden er b.v. van de Burman's en andere uitgebreide familiën vrij volledige stamtafels opgemaakt kunnen worden.

Wij leeren er een aantal geslachten uit kennen, die in den loop der zestiende eeuw om de geloofsvervolging de Zuidelijke Nederlanden verlaten en zich in de Noordelijke gevestigd hebben.

Zij deelen ons een aantal opmerkingen mede omtrent het schoolwezen in die dagen, vooral omtrent de geschiedenis der Latijnsche scholen; een veld, dat bij ons nog zoo veel onbebouwde plekken vertoont.

Menige bijzonderheid treffen wij er in aan, met betrekking tot de wetenschappelijke reizen en de voortreffelijke gewoonte van het voorgeslacht, om ook buitenlandsche Academiën te bezoeken. De invloed dus, dien vreemde geleerden op de vorming der Hollandsche gehad hebben, de betrekkingen tusschen buitenlandsche en Nederlandsche Hoogescholen, worden door de lijkredenen menigmaal opgehelderd.

[p. 86]

Dikwijls deelen zij ons belangrijke opmerkingen mee, met betrekking tot het land of de stad, vanwaar de overledene afkomstig was. Zoo is Venema b.v. in zijne rede op Huber zeer uitvoerig over Friesland, haar oudste geschiedenis en inwoners, karakter enz. Zoo vinden wij in Ypey's oratie op Willem Loré vele bijzonderheden omtrent de Friesche waterwerken, dijken enz. Loré was, gelijk men weten zal, door de Staten dier provincie met het toezicht daarover belast.

Te betreuren is het, dat in de lijkredenen gewoonlijk de geschriften niet opgegeven worden, vooral dezulke welke zonder naam zijn uitgekomen. Dat kan door de tijdgenooten en vrienden gewoonlijk zoo gemakkelijk gedaan worden en zulk eene opgaaf heeft voor de volgende geslachten groote waarde. Slechts zelden evenwel gebeurt het. Achter de rede op Fullenius wordt eene lijst meegedeeld, zoowel van zijne uitgegeven geschriften, als van die, welke bij zijn dood in HS. aanwezig waren. Dit heeft ook wel eens bij anderen plaats, doch het is eene uitzondering.

Aan het slot der lijkrede wordt meestal eene, soms zeer uitvoerige, historia morbi medegedeeld. Vooral geschiedt dit achter de oraties der Franeker Academie. Aan de Medici laat ik de beslissing over of die historiae voor hunne wetenschap van belang zijn. In elk geval zijn het de adviezen, teruggegeven met de eigen woorden der hoogleeraren in de Medicijnen. Dat betreffende Trigland Jr. b.v. is van Boerhaave.

 

Nog veel zou hier bijgevoegd kunnen worden. Die met de letterkundige geschiedenis van ons land en onze hoogescholen eenigszins van nabij bekend is, weet zulks. Doch 't is hier ter plaatse onnoodig. Het was slechts

[p. 87]

mijn doel om te wijzen op eene bron voor onze letterkundige geschiedenis, waaruit nog veel te weinig geput is. Wat men er in vinden zal, zijn op zich zelve altemaal kleinigheden. Doch ik zal hier niet behoeven te betoogen, dat eene schijnbaar geringe opmerking van een tijdgenoot den schranderen geschiedvorscher dikwijls den weg wijst. Alles hangt ook hier af van den geest, die ze opmerkt en verwerkt.

 

Leiden, Januari 1866.