In het vorige jaar kocht ik te Beirût in Syrië eenige Arabische handschriften, waaronder een werk van Ibno'l-Djauzî, den bekenden geschiedschrijver, die in 1200 overleed, waarvan mij het bestaan geheel onbekend was. Het behoort tot die klasse van geschriften, welke ten doel hebben, den rijkdom der Arabische taal aanschouwelijk te maken in verhalen, gesprekken en gedichten, en welke men Makâmât noemt. Het door Rückert's vertaling ook aan niet-Orientalisten welbekende werk van Harîrî is van deze soort van werken het beroemdste. De inleiding van Ibno'l-Djauzî bevat het volgende verhaal:
Ons heeft bericht Abu'l-Mon'im al-Ançârî zeggende: ons heeft bericht Dja'far ibn Ahmed as-Sarrâdj zeggende: ons heeft bericht Abû Mohammed al-Hasan ibn Mohammed al-Khallâl zeggende: ons heeft verteld Othmân ibn Ahmed ad-Dakkâk zeggende: ons heeft verhaald Ibrâhîm ibno'l-Walîd zeggende: ons heeft bericht Zakarîja ibn Jahjâ, de leerling van Alî ibn Âçim, op gezag van Dâwud ibn abî Hind, op gezag van as-Scha'bî, die zeide:
De leeuw was ziek, en al de wilde dieren kwamen hem bezoeken, doch alleen Abu'l-Hoçein (woordel. de vader
van het kasteeltje, d.i. de slimmert, die zich door zijne geslepenheid weet te beschermen) de vos bleef van hem weg. De wolf stond nu op en zeide tot den leeuw: ‘o heer der dieren, ziet gij wel dat Abu'l-Hoçein de vos U niet bezoekt met de anderen die U bezoeken, zoo gering schat hij het recht dat U toekomt.’ - De leeuw zeide: ‘gij hebt gelijk; herinner er mij aan, wanneer hij tegenwoordig zal zijn.’ - Dit kwam den vos ter oore. Toen nu alle dieren vergaderd waren, zeide de wolf: ‘o heer der dieren, hier is nu Abu'l-Hoçein tegenwoordig.’ - De leeuw riep: ‘o Abu'l-Hoçein!’ - De vos zeide: ‘tot uw dienst, o heer der dieren.’ - De leeuw sprak: ‘wee u! ik ben ziek geweest en gij hebt mij niet bezocht, uit geringschatting van het recht dat mij toekomt.’ - ‘Neen’ zeide de vos. - ‘Waarom dan?’ hernam de leeuw. - De vos zeide: ‘ik had vernomen dat gij veel pijn leedt, en ging voor u een geneesmiddel zoeken. Zoo heb ik ervaren, dat uw geneesmiddel een knobbeltje is, dat de wolf in zijn dij heeft.’ - De leeuw gaf daarop een slag op de poot van den wolf, die geducht aankwam. Ondertusschen sloop de vos weg. De wolf liep treurig en teleurgesteld heen. Een poos later kwam de vos hem tegen, terwijl hij nog droop van bloed, en riep hem toe: ‘hoor eens, mijnheer met de roode laars (daarmede zijn bloedende poot bedoelende), als gij later weer eens bij koningen zit, let dan op wat er uit uw bek uitgaat.’
De verhaler as-Scha'bî stierf in 723 in den ouderdom van 77 jaar. In dien tijd kan men nog niet denken aan invloed van Germaansche volken op het Oosten. Nu schijnt mij deze vertelling geheel in overeenstemming te zijn met de Reinaertsage. Men vindt er den koning leeuw, het antagonisme tusschen wolf en vos, waarbij de eerste door de slimheid van den vos zoo treurig van
zijne booze plannen afkomt, de bespotting van den wolf door den slimmert, welke trekken, als ik mij niet vergis, alle kenmerkend zijn. Is nu het verhaal zoo oud, als ons de ketting van overleveraars schijnt te waarborgen, dan mogen wij misschien besluiten, dat de Reinaertsage reeds in het Oosten eene gestalte had gekregen, die in de Middeleeuwen in Duitschland slechts werd aangevuld en toegepast. Ik moet echter de beslissing hieromtrent aan meer bevoegden overlaten.