terug  begin  verder

[p. 1]

Mededeelingen gedaan in de vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1883-1884.

[p. 3]

[Aanvulling op het opstel van wijlen J.E.H. Hooft van Iddekinge over Johan van Nijenborgh, geplaatst in de Mededeelingen van 1883, door Mr. W.J.E. Berg van Dussen Muilkerk]

Uit het Verslag van de Lotgevallen der Maatschappij gedurende het jaar 1882-1883, bij de Handelingen en Mededeelingen dezer dagen ontvangen, blijkt, dat de Historische Commissie de verschillende uitgaven van Nyenborg heeft aangekocht uit den boedel van Hooft van Iddekinge, terwijl zij de verhandeling daarbij behoorende in de Mededeelingen heeft doen drukken.

Die verhandeling over Johan van Nijenborgh en zijne letterkundige nalatenschap is reeds vroeger voor het grootste gedeelte opgenomen in het 4de deel van de Bibliographische Adversaria door Martinus Nijhoff uitgegeven: althans wat zijne werken betreft, vindt men de opsomming daarvan woordelijk in de Adversaria terug.

Onder die werken worden er enkele vermeld, die aan H.v.I. onbekend zijn gebleven, en waaromtrent hij mededeeling verzoekt. Het is mij aangenaam omtrent een daarvan zijne bibliographische aanteekeningen te kunnen aanvullen; het zal te gelijk strekken tot verbetering van de biographische aanteekeningen.

 

Het komt voor onder XI, pag. 96 der Handelingen, doch de titel wordt daar gebrekkig opgegeven. Het exemplaar, dat ik bezit, luidt: Schoole der Wysheyd: ofte het Lof der Schoolen, met deselver nuttigheyt, voordere bedenckelyckheden, en toe-eygeningen. Berymt en

[p. 4]

voorgestelt door Johan van Nijenborgh. Het bestaat uit twee deelen, in 4o gedrukt te Groningen in 't jaar 1662; beide deelen hebben eene afzonderlijke pagineering: het 1ste deel heeft 80 pag., het tweede slechts 16 pag., terwijl de titel daarvan wat beknopter is: Het tweede deel der Wysheits-Schole, ofte van het lof der Scholen door Johan van Nijenborgh: het heeft de initialen van den drukker I.S. (Iacob Sipkes).

Uit de Voorrede, gedagteekend Groningen 8 Aug. 1661, bespeurt men, dat de schrijver, ofschoon hij reeds voorgenomen had zijne Musa voortaan wat te laten rusten, omdat ze de uitmuntende Rijmers zijner eeuw niet kon evenaren, noch ook een Orateurse in proza was, evenwel voor ditmaal deze gedichten en applicatiën van het Lof en Nuttigheyt der Scholen, reeds voor desen berijmt, heeft doen drukken om de overgroote belangrijkheid van het onderwerp; veranderingh van spyse, zegt hij, doet eten, en door nieuwe voorstellingen, voorvallen en invallende gedachten heeft hij de nieuwsgierigheyt in de materye, hoe (al)gemeen en welbekend ook, willen bestieren en leiden.

Dit is in het Lof der Scholen dan ook op de meest uiteenloopende wijze geschied. Wij meenen te kunnen volstaan met het opgeven der verschillende soorten van scholen door hem bezongen of vermeld.

Huys-schoole, Dochters-schoole, Werelt-schoole, Reys-schoole, Hof-schoole, Regiment-schoole, Gesontheyts-schoole, Berisp-school, Achterklaps-school, Medecyn-school, Tuyn-school, Planeet-school, Hoogheyts Spiegel-school, Minne-school, Wysheyt-school, Lyck-school, Graf-school, Christelyke Scherm-school, Geboorte-school, Trouw-school, Cruys-school, Bouw-school.

Zooals men ziet, elk wat wils, van meerder of minder

[p. 5]

gehalte, doch geen van allen zich verheffende boven de proeven door Hooft van Iddekinge in zijne bibliographische aanteekeningen aangehaald.

Gelijk zijne overige werken, zoo is ook dit Lof der Scholen, althans het eerste deel, geïllustreerd met houtsneden en koperen platen, meerendeels ook in andere werken voorkomende: men vindt er voorts een portret van den Leidschen Hoogleeraar Dominicus Baudius en van den Rechtsgeleerde Daniël Nijenborgh met het ook door Hooft van Iddekinge vermelde Grafdicht van Sibilla van Griethuysen. Het portret van Baudius wordt gevolgd door een Rouwdicht op zijn dood, 3 Aug. 1613; kennelijk is dit gedicht van een tijdgenoot, en daar Johan van Nijenborgh in 1621 geboren is, alzoo acht jaren na het overlijden van Baudius, heeft men het overtuigend bewijs, dat dit Rouwdicht van een andere hand is.

Nog een paar gedichten op Jan van Nijenborgh toen hij naar Emden reisde en van daar terugkwam, zijn onderteekend H. Swaan, Phil. Stud., terwijl verschillende een C. tot onderschrift hebben en vermoedelijk uit Cats zijn overgenomen. Men zoude geneigd zijn Johan van Nijenborgh van plagiaat te verdenken, ware het niet dat wij op den titel van het werk lezen ‘berymt en voorgestelt’; aan het oordeel van den lezer wordt daardoor overgelaten, om zelf uit te maken, wat door Nijenborgh berijmd is, wat uit andere schrijvers is voorgesteld tot Lof der Scholen.

Bij die onzekerheid omtrent het vaderschap van Nijenborgh aan deze gedichten, onthoude ik mij van eenige aanhaling, uit vrees van mis te tasten of omtrent anderen onbillijk te zijn.

Voor het inlasschen van de volgende regelen bestaat ondertusschen geen bezwaar, daar zij tevens strekken tot

[p. 6]

aanvulling van de biographische aanteekeningen van Hooft van Iddekinge.

Met betrekking tot zijne opvoeding zegt hij op pag. 17:

 
Eerst ben ick, in myn jeugt, by desen,
 
In de Duytse School onderwesen,
 
En quam daer na by het Latijn,
 
Doch dat en wild' niet lange zijn,
 
Myn Vader steld 't aen myn begeeren,
 
Of ick de Franse tael woud leeren,
 
Met de Schryf en Telkonst gelijck,
 
Dat dienstig was tot de Trafijck:
 
Ick, die myn eygen best niet konde,
 
En de verandering best vonde,
 
Verliet weerom het Latyn daer,
 
Out sijnde noch geen negen jaer,
 
En ging my van Groningen keeren,
 
En trock na Hollant, om te leeren,
 
Daer quam ick in de Beverwijck,
 
Leerend' Frans en schryven gelijck,
 
Waer na ben t'Amsterdam gekomen,
 
En heb daer na een School vernomen,
 
Daer leerd ick oock de Franse spraeck,
 
En Reecken-konst, en ander saeck,
 
Waer na ick my weer heb begeven
 
Na myn Vaderlandt voorschreven,
 
En heb by den Koophandel daer,
 
Geweest den tijdt van dertien jaer,
 
En 't is al vijftien jaer geleeden
 
Dat ick daer weer ben afgetreeden,
 
En onderwijl geoeffent my
 
In het Latyn en Poësy,
 
Met ander weetenschap en talen, enz.

Het volgende tot besluit, waaruit tevens naauwkeurig zijn geboortetijd blijkt:

Geboorte-Schole.
 
Gebooren worden heeft sijn tijt,
 
Gelijck als Salomon belijt,
 
Een tijt oock dat men sterven moet,
 
En ist eynd goet, so ist all goet.
[p. 7]
 
Doch 's menschen op en ondergangh
 
Valt d'eene soet en d'ander bangh.
 
Soo ben ick oock gebooren daer,
 
In 't sestienhondert twintighst jaer,
 
Op den vyftienden dagh April,
 
Dat doen op Paesch-avont gevil,
 
En heb gesien myn eerste licht,
 
Tot Groningen, met myn gesicht:
 
En heb nu jaren vier mael tien,
 
Met eenen meer, beneevens dien:
 
Doch hoe lange dat myn levens bal
 
Hier noch op aerden loopen sal,
 
Dat is alleen aen Godt bekent,
 
Die gun ons all een saligh endt.
 
Des menschen ingangh op dees aerdt,
 
En weerom, dat hy heenen vaert,
 
Is eenerley, ende gelijck,
 
Den armen soowel als den rijck;
 
't Onderscheydt is alleen in staet,
 
Soo langh hier duirt syn levens draet:
 
Die vernoegt, en 't beste eynde heeft,
 
Die is de rijckste die daer leeft.

Den Haag, 17 December 1883.

Mr. W.J.E. Berg van Dussen Muilkerk.

terug  begin  verder