Nadat de Voorzitter zijne rede heeft geeindigd, neemt de heer Campbell het woord, en richt namens de Vergadering tot hem het verzoek, zijne toespraak voor de Handelingen te willen afstaan. Alle leden zullen de inwilliging van dat verzoek ditmaal des te hooger op prijs stellen, omdat, zooals de Voorzitter uitdrukkelijk heeft gezegd, deze vergadering de laatste zal wezen, waarin hij het ambt van Voorzitter bekleedt. De heer De Vries verklaart zich gaarne bereid het verzoek der Vergadering in te willigen.
Volgens het voorschrift der Wet leest nu de Secretaris, Dr. A. Kluyver, het volgende:
MM. HH.
Een voorschrift der Wet vergunt mij Uwe welwillende aandacht te vragen voor het kort verslag van de voornaamste lotgevallen der Maatschappij in het afgeloopen jaar.
Sedert de vorige algemeene vergadering zijn de volgende veranderingen gekomen in het Bestuur. In plaats van Dr. A. Kuenen, die met 1 October 1886 als Bestuurslid moest aftreden, werd gekozen Dr. C.P. Tiele, en het ambt van Voorzitter werd in de vergadering van October opgedragen aan Dr. M. De Vries. Beide heeren hebben hunne benoeming aanvaard. Tot leden van de Taalkun-
dige en de Historische Commissie werden opnieuw benoemd de heeren Dr. H. Kern en Dr. R. Fruin, Dr. W.N. Du Rieu en Dr. P.L. Muller, die evenzeer aan het verlangen hunner medeleden gehoor gaven. Het ambt van Secretaris-Bibliothecaris werd in de vorige algemeene vergadering voor drie jaren aan den opsteller van dit verslag toevertrouwd.
Sedert 17 Juni 1886 heeft de Maatschappij den dood van 16 harer binnenlandsche leden te betreuren:
Dr. B. Glasius te Breda, (Lid sinds 1844).
A.W. Wijbrands te Leiden, (1877).
Dr. J.P. Stricker te Amsterdam, (1858).
C. Krabbe te Leiden, (1845).
Dr. A. Van der Boon te Haarlem, (1850).
J.J.F. Noordziek te 's-Gravenhage, (1844).
Dr. R.C.H. Römer te Deil, (1852).
M.E.C. Plemp te Maastricht, (1873).
F.L.A. De Jagher te 's-Gravenhage, (1872).
H. Frijlink te Amsterdam, (1859).
Dr. A.M. Ledeboer te Deventer, (1867).
Dr. P. Hofstede de Groot te Groningen, (1835).
P.J.B.C. Robidé van der Aa te 's-Gravenhage, (1870).
Dr. A.W.T. Juynboll te Delft, (1873).
J. Jongeneel te Heerlen, (1885).
J.D. Doorman te 's-Gravenhage, (1875).
Van de buitenlandsche Leden verloor de Maatschappij
Dr. L. von Ranke te Berlijn, (1843).
Het Bestuur is er reeds in geslaagd voor de meeste dier heeren levensbeschrijvers te vinden.
Ook dit jaar hebben weer enkele leden aanleiding gevonden om voor het lidmaatschap te bedanken. Daartegenover staat, dat allen, die het vorige jaar zijn gekozen, hunne benoeming hebben aanvaard.
Omtrent de voordrachten in de Maandelijksche Vergaderingen heb ik de eer U het volgende mede te deelen.
De bijeenkomst van November werd bijgewoond door den heer Verdam, die bij deze gelegenheid de afleiding van eenige Nederlandsche woorden besprak. Hij stelde in het licht, dat het Middelnederlandsche gespar, dat zoo dikwijls voorkomt in den zin van vijandig, evenzeer werd gebruikt in den zin van met iemand als vriend verbonden, en dat de oorzaak van die schijnbare tegenstrijdigheid daarin moet worden gezocht, dat gespar krachtens zijne afleiding niets anders beteekent dan met iemand in eenige betrekking staande, een algemeen begrip, waaruit zoowel eene gunstige als eene ongunstige opvatting kon voortvloeien. Verder betoogde de heer Verdam o.a., dat geeuwhonger door volksetymologie moet zijn verbasterd uit geehonger, waarin gee een wisselvorm is van het bnw. ga, in den zin van snel, heftig, zoodat geeuwhonger oorspronkelijk beteekent de heftige, plotseling overvallende honger. Deze mededeelingen zijn sedert gedrukt in den 6den Jaargang van het Tijdschrift der Maatschappij.
De heer Seipgens droeg eenige fragmenten voor uit een door hem geschreven drama, getiteld ‘De Ruwaard van Vlaanderen’, een stuk, waardoor de belangstelling der vergadering in hooge mate werd opgewekt.
De heer Acquoy sprak over ‘Nederlandsche straatliederen uit de laatste tweehonderd jaren’. Niet het minst door de zorgen van den heer Petit is de Maatschappij in het bezit van eenige verzamelingen straatliederen, die een denkbeeld kunnen geven van deze soort van literatuur. De heer Acquoy was niet in alle opzichten voldaan over de uitkomsten van zijn onderzoek. Enkele stukjes van bekende dichters zijn bij het volk in gunst geraakt, maar voor 't overige is deze literatuur wat den inhoud
betreft, zóó ongedwongen, en wat den vorm betreft, zóó kunsteloos, dat het zelfs moeilijk wordt groote fragmenten daaruit mede te deelen. Hooger beschaafden hebben soms pogingen gedaan om het volksgezang te veredelen, doch altijd te vergeefs.
In de bijeenkomst van Februari sprak de heer Ten Brink over den Franschen roman van den jongsten tijd, inzonderheid over de werken van J.K. Huysmans, waarbij het verschil tusschen hem en zijn leermeester Zola duidelijk werd in 't licht gesteld. Deze bijdrage is sedert gedrukt in het tijdschrift Nederland.
De heer Bijvanck gaf verslag van den inhoud van een handschrift te Oxford, bevattende Fransche gedichten, die nog niet zijn uitgegeven. Daaronder is een groot stuk over de tournooien van Chauvency, waarin personen optreden die ook in den slag van Woerinc voorkomen. De beschrijving is ongemeen levendig en aanschouwelijk, men leert daaruit veel omtrent het ridderwezen in de 13de eeuw. Behalve dit werk bevat het handschrift een groot aantal lyrische gedichten, sommige zeer kunstig van vorm, en waarvan de literarische waarde niet gering is te achten.
In de laatste vergadering, die van April, besprak de heer Muller een werk van den hoogleeraar Lorenz te Jena, getiteld: ‘Ueber einen natürlichen System geschichtlicher Perioden’. De schrijver, onvoldaan met de nog altijd gebruikelijke splitsing in oude, middeleeuwsche en nieuwe geschiedenis, tracht uit de natuur van den mensch zelve eene andere verdeeling af te leiden. Hij komt tot de slotsom dat men, beginnende met de geboorte van Christus, rekenen moet bij tijdperken van 100, 300 of 600 jaren: na verloop van zulk een tijdperk kan men telkens eene wijziging in den loop der geschiedenis waarnemen. Noch
de spreker, noch zijne medeleden waren bijzonder met deze denkbeelden van den heer Lorenz ingenomen.
Ten slotte moet nog melding gemaakt worden van een adres, dat de Maatschappij bij Z.E. den Minister van Justitie heeft ingediend, op voorstel van den heer A. Van Eck. De besprekingen die daartoe leidden, hebben plaats gehad in de vergadering van December. Bij gelegenheid van de behandeling eener wet op het notarisambt, achtte de Maatschappij het haren plicht den wensch uit te spreken, dat de oude notarisarchieven minder ontoegankelijk mochten worden voor den geschiedvorscher, dan tot nog toe het geval was. Een adres, daartoe strekkende werd, in overleg met den heer Van Eck, door de Historische Commissie ontworpen en door de Maandelijksche Vergadering goedgekeurd. Z.E. de Minister heeft het evenwel met eene afwijzende beschikking beantwoord.
Ik eindig onder dankzegging voor Uwe welwillende aandacht.