terug  begin  verder

[p. 26]

Levensbericht van Joannes Josephus Habets.

Het is zeer moeilijk om voor hen, die niet bekend zijn met de eigenaardige verhouding, waarin zich het tegenwoordig hertogdom Limburg ten opzichte van de politieke indeeling vóór 1794 bevindt, onbekend ook met de lotgevallen, die de archieven van dit gewest gedurende de laatste honderd jaren, vooral in het veel bewogen tijdvak 1794-1815 hebben ondergaan, de verdiensten van den overleden Rijksarchivaris Joannes Josephus Habets in het licht te stellen. Want juist in de overwinning van de bezwaren daaruit ontstaan, zooverre ze zijn taak bemoeielijkten, ligt zijn hoofdverdienste als archivaris. Hij toch heeft wat heinde en ver was verspreid, en waarvan niemand dan hij soms de bewaarplaats kende, bijeengebracht en door zijne geschriften een leiddraad verstrekt, zonder welken het in vele gevallen uiterst moeilijk, zoo niet bijna onmogelijk was, zelfs maar aan een plan tot ordening en betere regeling onzer archieven te denken. Geen provincie in ons land, noch ook in België, is zoo nieuwerwetsch in die hoedanigheid als Limburg, wanneer men haar als een geheel beschouwt; geen provincie bestaat uit zulke heterogene bestanddee-

[p. 27]

len, zoowel uit het oogpunt van een vorige politieke indeeling van haar grondgebied, als ook wat gewoonten, in den uitgebreidsten zin des woords - daaronder ook rechtsgewoonten, costuimen, niet op de minste plaats - betreft. Zelfs de naam, waarmede in 1814 of in 1815 ons gewest werd gedoopt, was fonkelnieuw voor elk der onderdeelen waaruit het toen bestond, geen gehuchtje zelfs, nòch van Nederlandsch, nòch van Belgisch Limburg heeft ooit deel uitgemaakt van het oude hertogdom van dien naam. Meer dan de helft van het grondgebied onzer tegenwoordige provincie behoorde tot de hertogdommen Gulick, Cleve, Gelder - 't overkwartier van Roermond, sinds 1580 een afzonderlijk hertogdom onder den Koning van Spanje en in 1713-1715 versnipperd tusschen Pruisen, Oostenrijk, de Staten-Generaal en den hertog van Gulick. - Het overige deel onzer provincie was verdeeld tusschen den Prins-bisschop van Luik, de Staten-Generaal als hertog van Braband en heer van een deel van Valkenburg, Daelhem en 's Hertogenrade, drie landen in de 13de en 14de eeuw bij Braband gevoegd en waarvan de Koning van Spanje, krachtens het partagetractaat in 1661, later de keizer van Duitschland, de andere helft bezat. Voegt daar nog bij, of liever voegt er hier en daar tusschen eenige vrije-Rijksheerlijkheden en men heeft een klein denkbeeld van den ingewikkelden politieken toestand vóór 1794. Wat de leenen betreft was ons grondgebied nog meer verbrokkeld: Loonsche, Hornsche, Brabantsche, Geldersche, Keur-Keulsche, Valkenburgsche en nog andere soorten van leenen of achterleenen trof men er aan en tal van aanzienlijke abdijen in de Rijnprovincie of in het tegenwoordige Belgisch Limburg hadden er haar leen- of laathof. Nog grooter moeilijkheden voor een grondige regeling berokkent de

[p. 28]

algeheele verspreiding der archieven tijdens de Fransche heerschappij van 1794 tot 1814. Verschillende bezitters der vrije-Rijksheerlijkheden toch, namen ze als hun eigendom mede bij hun vlucht naar Duitschland; soms ook kwamen die archieven in handen van hun rentmeesters en ontvangers; de overigen werden door de Franschen verdeeld in historische archieven (Pauselijke-, Bisschopsen Keizersdiplomen en cartularia!) die naar Parijs werden gevoerd; domaniale archieven die den directeur der domeinen werden toegewezen, om er geld uit te slaan voor den Staat, door ze dienstbaar te maken aan het ontdekken van goederen, kapitalen en renten, en in rechterlijke, leen-heerlijke en notariëele archieven, die naar de arrondissements-rechtbanken moesten overgebracht worden, doch voor een groot deel in 1883 nog op de raadhuizen in een hopelooze wanorde met de gemeentearchieven dooreen lagen, terwijl onder het Fransch bestuur van tijd tot tijd nog aanzienlijke hoeveelheden documenten als scheurpapier werden verkocht, waardoor natuurlijk, daar dit op de verantwoording van onkundige ‘préposés au triage’ geschiedde, aanzienlijke leemten in alle mogelijke categorieën van archieven ontstonden. Dat er nog van al die archieven zooveel terecht kwam in ons dépôt, dat onze verzamelingen, die in 1883 in een zevental kasten waren geborgen, thans, met inbegrip van de archieven van het Fransch departementaal bestuur en de Préfecture meer dan 70 kasten kunnen vullen is grootendeels het werk van Pastoor Habets. Hij kende zoo goed de afstammelingen der oude archiefbezitters: hier een kleinzoon van een rentmeester, ginds van een leengriffier of een secretaris, een neef van een der laatste capitularissen of kloosterlingen; hier wist hij nog archieven te liggen op een ouden kerktoren, raad-

[p. 29]

huis- of pastoriezolder, daar in een schoolgebouw of in een oud kasteel. Het was alsof hij de geëmigreerde geestelijken en heerlijkheids-bezitters, met hunne archieven vluchtend, tot in hun laatste schuilhoeken over den Rijn, in Brabant of elders gevolgd was. Behalve tal van Limburgsche gemeenten, bezocht hij, om onze oude archieven terug te bekomen of copieën regesten, minstens een inventaris er van in ons archief te kunnen neerleggen: Keulen, Aken, Dusseldorp, Essen, Parijs, Brussel, Hasselt, Luik en Mechelen.

Hij deed meer dan verzamelen wat verspreid was, en zoo er ooit een orde komt in dien vreeselijken chaos van losse stukken, zooals hij gekscherend met die vage uitdrukking, ze noemde, dan is het gedeeltelijk nog aan hem te danken, aan zijn geschriften, aan zijn zoo helder en bondig overzicht, bijvoorbeeld, van de politieke indeeling van Limburg (in dl. I zijner Geschiedenis van het bisdom Roermond), zijn werk over de Loonsche leenen in Limburg, over de leenen van Valkenburg, over de gouverneurs van Limburg, en over tal van Limburgsche heerlijkheden, abdijen en kloosters (meestal verschenen in de Publications du Limbourg), zijne verzameling van Limburgsche wijsdommen enz. Voor vele dier werken heeft hij ook gebruik gemaakt van archieven elders berustende, die leemten in onze verzamelingen aanvullen, van mondelinge overleveringen en van zijne inderdaad bewonderenswaardige topographische kennis van dit gewest. Van Eysden tot Weert kende hij nauwkeurig alle wegen, kasteelen en merkwaardige gebouwen. Van deze kennis gaf hij vooral bewijzen bij zijne talrijke opgravingen van Romeinsche, Germaansche of Frankische oudheden, beschreven grootendeels in de ‘Publications du Limbourg’, ‘Bulletins de la Commission Royale d'hist.

[p. 30]

et d'archéologie de Belgique’ en de ‘Verslagen der Nederlandsche Koninklijke Akademie’ van 1881 tot 1892. Het zou mij echter te ver voeren Pastoor Habets in zijn oudheidkundige onderzoekingen en bemoeiingen te volgen, ik beschouw hier vooral den archivaris en wijs liever nog op wat hij deed voor de kennis van de zoo ingewikkelde kerkelijke toestanden van dit gewest, een kennis voor den archivaris zoo onmisbaar. Het archief van het bisdom Roermond werd door hem geordend en verstrekte hem stof voor zijne uitgebreide geschiedenis van dit bisdom, welke kostbare inlichtingen behelst, die, behalve het groote nut dat zij hebben voor de wetenschap, rechtstreeks kunnen dienen bij de ordening onzer archieven van kerkelijken aard. Bij al dat werk en zijne zeer omvangrijke correspondentie, vond hij nog den tijd om bijna twee lijvige octavo-deelen van den inventaris der archieven van de abdij Thorn uit te geven. Al mogen sommige critici eenige, deels ongegronde, aanmerkingen op zijn appreciatiën van sommige charters hebben gemaakt, zoo blijft zijn werk nochtans ontegenzeggelijk allerverdienstelijkst voor de wetenschap. Ik wil van de mij toegestane ruimte geen misbruik maken en spreek dan ook niet van wat hij deed voor de oudheidkunde en de kunst van zijn dierbaar Limburg, van zijne talrijke opgravingen te Meerssen, Heer, Valkenburg, Hoensbroek en, nog eenige maanden geleden, te Voerendael; slechts den mensch zij het mij veroorloofd hier nog eenige regels te wijden. Een zijner vrienden, hij had er zeer vele, noemde hem l'abbé Constantin; die naam is verdiend: hij was voor ieder goed, zelfs al te goed en volkomen onbaatzuchtig. Reeds zijn nederige kapellaanswoning te Bergh-en-ter-Blijt (bij Maastricht), meer nog zijn pastorie te Wilre in den Vroenhof was een gastvrije rustplaats

[p. 31]

voor tal van Nederlandsche, Duitsche en Belgische geleerden en oudheidkundigen; sinds hij archivaris was ging er bijna geen dag voorbij of hij ontving gasten.

Voor ieder was hij minzaam, zelfs voor de vele familiegenealogen en heraldici, die het ongeluk wil dat den naam dragen van een Limburgsche gemeente voorafgegaan door van, de of von en die beweren van adel te zijn. Dikwijls heb ik zijn onuitputtelijk geduld bewonderd. En toch kon hij heftig en geweldig zijn, zoodat men in hem moeielijk den bedaarden archivaris terug zou kennen: het was als hij Limburgs oudheden, kunstschatten, monumenten bedreigd zag of meende bedreigd te zien met vernieling, verkoop of verkwanseling, en hij achtte zich dan in geweten verplicht iedereen die zich op dat punt vergreep te bestraffen, ja publiek aan de kaak te stellen. Geen hooge rang of waardigheid vrijwaarde dan voor zijn geweldige bestraffing en in zijn ‘Publications’ hield hij er zelf een afzonderlijken schandpaal op na, met den titel ‘vandalisme’.

Zoo heb ik hem tien jaren gekend en met hem gewerkt; hij was in mijn oog onafscheidelijk verbonden aan ons archief, een eerbiedwaardige gothieke kloosterkerk, die pastoor-archivaris met zijne groote gestalte, forsch geteekende gelaatstrekken, dat breede voorhoofd; in zijn zwarte toga scheen hij mij een figuur uit lang vervlogen tijden, uit de middeleeuwen.

Nog in enkele regels eene korte biografie: Joannes Josephus Habets werd 27 November 1829 te Oirsbeek, waar zijn vader hoofdonderwijzer was, geboren, uit eene familie, die tal van geleerde en verdienstelijke mannen heeft voortgebracht, onder anderen den Akenschen geschiedschrijver Christiaan Quix, H.J. Beugels, hersteller der abdij van Postel, en den Luikschen kanonik Habets, die de lijdende menschheid door de stichting eener

[p. 32]

uitgebreide vereeniging van liefdezusters groote diensten bewees.

In 1843 begon Josef Habets de humaniora te Rolduc, in 1856 werd hij priester, was tot 1878 achtereenvolgens te Hunsel, Bunde en Bergh-en-ter-Blijt kapelaan, van 1878 tot 1881 pastoor te Wilre-Oudvroenhoven, tot dat hij in November 1881 tot Rijksarchivaris werd benoemd; den 14 Juni 1880 was hij reeds lid geworden der Koninklijke Akademie te Amsterdam en werd daarna nog door verschillende geleerde genootschappen tot lid benoemd, onder meer tot buitenlandsch lid der Koninklijke Vlaamsche Akademie; van het Oudheidkundig Genootschap in Limburg was hij president, in welke hoedanigheid hij de ‘Publications du Limbourg’ redigeerde, die hij grootendeels met eigen bijdragen vulde.

Met den schrijver dezes gaf hij nog het tijdschrift ‘ de Maasgouw’ uit, aan Limburgsche oudheden, taal en letterkunde gewijd, dat twee keer per maand verschijnt.

Een hartkwaal, die zich de laatste jaren steeds heviger openbaarde, was de oorzaak van zijn dood, die voorafgegaan door een allersmartelijkst lijden, den 22 Juni 1893 hem uit zijn werkzaam leven wegrukte.

 

Maastricht.

A.J. Flament.

 

(Overgenomen uit het ‘ Nederl. Archivenblad’).

[p. 33]

Lijst van de voornaamste werken en verhandelingen van Dr. J.J. Habets.

A. Werken en bijdragen verschenen buiten de Publications etc. du Limbourg.

In ‘Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Afdeeling Letterkunde.’ Amsterdam, J. Muller:

Over de ligging der post-statiën op de Romeinsche heerbaan van Tongeren naar Nijmegen. 2e Reeks Dl. XI (1881).

Twee Romeinsche gedenksteenen te Horne bij Roermond (1881) 2e Reeks Dl. XI.

Over twee fragmenten van een Romeinsch opschrift, gevonden te Odiliënberg bij Roermond. 2e Reeks Dl. XII (1882).

Over heelkundige instrumenten uit den Romeinschen tijd, onlangs te Maastricht en omstreken gevonden. 3e Reeks Dl. I (1883).

Over Romeinsche voorwerpen in eene begraafplaats te Gronsveld gevonden en over eene Romeinsche ara te Odiliënberg bij Roermond. 3e Reeks Dl. II. (1884).

Over de vraag of de Limburgsche mergelsteen door Plinius wordt besproken. 3e Reeks Dl. IV. (1887).

De overblijfsels van Romeinsche gebouwen met bad- en verwarmingstoestel te Hoensbroeck. 3e Reeks Dl. IV. (1887).

Twee voorhistorische doodenakkers in de nabijheid der stad Weert, in Limburg. 3e Reeks Dl. VII (1891).

Over oude (Romeinsche) mergelputten te Meerssen. 3e Reeks Dl. IX (1892).

Fragment van een Registrum beneficiorum van het land-dekenaat Hilvarenbeek in Noord-Brabant, uit het jaar 1430. 3e Reeks Dl. III. (1886).

[p. 34]

Over de echtheid van den stichtingsbrief der abdij Thorn uit het jaar 992. 3e Reeks. Dl. III. (1886).

 

In ‘Bulletin de la Société d'art et de d'histoire du diocèse de Liége.’

 

Note sur un Monument Romain, trouvé à Berg près de Tongres. Tome V. (1889).

 

In ‘Bulletin de la Commission royale d'art et d'archéologie’:

 

Une colonie Belgo-Romaine au Ravensbosch près de Fauquemont.

Une colonie Belgo-Romaine au Ravensbosch près de Fauquemont (2e article). Exploration de la villa de Billich.

Une colonie Belgo-Romaine du Ravensbosch (près de Fauquemont). I. Les substructions de Brummenkoul (Commune de Schimmert). II. Substructions du Steenland.

Lettre à M.M. les membres du comité du Bulletin de la Commission d'art et d'archéologie (1871). (Over Romeinsche inscripties).

Notice archéologique sur un cachet d'oculiste Romain, trouvé à Heerlen, entre Aix-la-Chapelle et Maestricht (1867).

 

In ‘Bulletin du Cercle archéologique de Mons.’

 

Notice sur quelques marques de poterie trouvées à Meerssen près de Maestricht.

 

In ‘Études archéologiques, linguistiques et historiques, dediées à M. le Dr. C. Leemans, à l'occasion du cinquantième anniversaire de sa nomination aux fonctions de Directeur du Musée archéologique des Pays-Bas.’ Leide, E.J. Brill 1888. 4o p. 233:

 

L'historien Ammien Marcellin et la station Romaine de Coriovallum.

 

In ‘de Dietsche Warande’:

 

De ligging der vesting Harburgum. Dl. VIII, p. 68.

 

In ‘Nederlandsche Kunstbode, Beeldende kunst en oudheidkunde, kunstnijverheid, onder leiding van Dr. Jan ten Brink’:

 

De kerken van Rotterdam en Venray. Dl. I, 193.

Opdelving van Romeinsche oudheden te Heer bij Maastricht. Dl. I, 261.

De bronzen drievoet in de villa te Backerbosch onder Heer bij Maastricht. Dl. II, p. 57-59. Met afb.

 

In ‘Almanak voor het arrondissement Roermond’:

 

Lijst der uitstekendste mannen die te Roermond zijn geboren of aldaar geleefd hebben. (Jaarg. 1856).

De veldmarschalk Godfried Huyn, graaf van Geleen en Amstenrade (Jaarg. 1857).

Jan Weert (een volkslegende uit 1636). Gedrukt (Jaarg. 1858).

Het voormalig Karthuizers-klooster Bethleëm te Roermond. (Jaarg. 1858).

Het voormalig domstift van Roermond. (Jaarg. 1860).

[p. 35]

De inhuldiging van een Leuvenschen primus. (Gijsb. Jos. Al. van der Vrecken). (Jaarg. 1861).

Eenige bijzonderheden vooral betrekkelijk het gewezen Annuntiatenklooster te Venlo, letterlijk overgenomen uit een Hs.: oorspronk, begin en bouwing der religieusen Annuntiaten van het klooster genoemd: Trans Cedron te Venlo. (Jaarg. 1862).

De voormalige abdij Kloosterraedt (Rolduc). (Jaarg. 1863).

Een inboorling van Grathem (de oudheidkundige Philip Houben). (Jaarg. 1866).

De voormalige kloosters van Roermond. (Jaarg. 1869 en 1871).

 

In ‘de Godsdienstvriend’ van Le Sage ten Broek, Arnhem, Josué Witz:

 

Het voormalig Karthuizer-klooster Bethleëm te Roermond. Dl. 83 (1858) p. 170.

Lijst der kanonikken van het voormalig domstift Roermond. Dl. 84. (1859), p. 145 en 307; Dl. 85, p. 90 en 262; Dl. 86, p. 40, 187 en 235; Dl. 87, p. 162.

De voormalige abdij Kloosterraadt (Rolduc.) (Dl. 91, p. 267).

Beknopte levensschets van den kanonik Herman Joseph Beugels. (Dl. 85, p. 283-298).

 

In ‘Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht’:

 

Was de Gorkumsche martelaar Govert van Mervel afkomstig uit Nederweert? (Jaarg. 1860).

 

In ‘de Amstelbode’:

 

Een strijdwoord over de geboorteplaats van den Gorkumschen martelaar Govert van Mervel. (30 April 1881).

 

In ‘Tijdschrift voor Noordbrabandsche geschiedenis, taal- en letterkunde’ van Aug. Sassen:

 

Over de rechten van het vorstelijk stift Thorn te Ginniken en over de novaaltiende te Ypelaar. 2e Jaarg. 1884, kol. 80-84, 95-101.

 

In ‘de levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden’ 8o:

 

Levensbericht van Martin Joseph Jansen (levensb. 1882-1883) Leiden E.J. Brill 1883.

Levensschets van Egidius Slanghen (levensb. 1882-1883) Leiden, E.J. Brill 1883.

 

In ‘Werken der vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude Vaderlandsche recht, gevestigd te Utrecht’ 8o:

 

Limburgsche wijsdommen, dorpscostumen en gewoonten, bevattende voornamelijk bank- laat- en boschrechten. (Eerste Reeks No. 12). 's Gravenhage, M. Nijhoff.

[p. 36]

B. Afzonderlijk verschenen:

Jan van Weert, generaal der Beijersche en Keizerlijke kavallerie; en Jan van der Croon, gouverneur van Praag en onderkoning van Bohemen; eene bijdrage tot de geschiedenis van den dertigjarigen oorlog. Roermond, J.J. Romen 1862 8o. Met 2 portretten.

De archiven van het kapittel der hoogadellijke Rijksabdij Thorn. Eerste deel charters en andere bescheiden van 966 tot 1550 te 's Gravenhage, Algemeene Landsdrukkerij, 1889. 8o.

(Het 2e onuitgegeven deel bevat de charters en bescheiden tot 1794, ook betreffende kapellanen en beneficianten, bestuur en kerkelijke aangelegenheden der dorpen, algemeen bestuur des lands en muntwezen).

Geschiedenis van het bisdom Roermond en van de bisdommen die het in deze gewesten zijn voorafgegaan. Roermond, J.J. Romen. 3 bdn. 8o

Dl. I. 1875. Het oude bisdom Tongeren-Maastricht-Luik tot op het einde der XVIIe eeuw. Historische schets van het aartsbisdom Keulen.

Dl. II. 1891. Het oude bisdom Roermond 1559-1801.

Dl. III. 1892. Het oude bisdom Roermond 1559-1801.

De genaderijke kapel van Onze Lieve Vrouw aan de Linden bij Thorn, beschreven in haren oorsprong, bloei en voortgang. Tweede verbeterde en merkelijk vermeerderde uitgave. Roermond, J.J. Romen. (1874) kl. 8o. (De eerste editie verscheen in 1869).

De studiebeurzen in Nederlandsch Limburg. Een historisch overzicht der privaatstichtingen van onderwijs. Venlo, Wed. H.H. Uijttenbroeck 1881. 8o.

Verder verschillende artikelen in het tijdschrift ‘de Maasgouw’ (zie hiervoor) Jaarg. 1882-1893.

C. Werken en bijdragen verschenen in de Publications du Limbourg.

Over de studie der oudheidkunde in verband met de Geschiedenis des Vaderlands. Lezing gehouden in de algemeene vergadering van 3 Jan. 1864, I, p. 7-18.

Chronijk van Maastricht en omstreken, van 1266-1517, I, 70-93.

Geschiedkundige aanmerkingen nopens de opkomst en den voortgang der stad Maastricht, I, 154-179; item, 225-261; II, 3-98; III, 3-40.

Nécrologie du poète Auguste Clavereau, I, 207-208.

Note sur la bulle d'or donnée à l'Eglise de St. Servais à Maestricht, par l'empereur Charles IV, I 213.

Manuscrits ayant rapport à l'histoire du Limbourg I, 214-219; 347-352; II, 263-267.

Een woord over Antoon Haeseck als pastoor te Geul, I, 337-346.

Compte-rendu de l'ouvrage de M. Nettesheim intitulé: Geschichte der Stadt und des Amtes Geldern, I, 352-356.

Compte-rendu d'une tragédie de Johan Carsten Hauch intitulé: Die Belagerung Mastrichts in 1579, I, p. 367-368.

[p. 37]

Een woord over Wynand van Elsloo en diens wonderbare reis naar Jerusalem, II, 145-159.

Notice sur quelques découvertes d'antiquités dans le duché du Limb., II, 202-259.

Nécrologie de Adam Jean Bernard de Roye de Wichen, numismate né à Heel, II, 267-268.

Kronijkje der stad Roermond van 1781 tot 1830, II, 370-412.

Chronique Limbourgeoise de 1129 à 1397, II, 435-437.

Nécrologie de Pierre Kersten publiciste à Liége, II, 444.

Codex diplomaticus Mosae-Trajectensis, III, 41-51; V, 22-78.

Exploration d'un cimetière Belgo-romain à Bergh-Terblijt, III, 185-215.

Over den wijnbouw in Nederlandsch en Belgisch Limburg gedurende vroegere eeuwen, III, 380-394.

Chronique du Limbourg de 1386 à 1477, III, 431-433.

Notice sur le retable en bois sculpté de Venray, qui se trouve actuellement à Tongres, III, 443-446.

Notice sur un cemitière Belgo-Romain situé à Broekhem près de Fauquemont, IV, 12-24.

De oude grensscheiding der dorpen Meerssen, Bergh, Heer en Bemelen, IV, 25-51.

Tot de geschiedenis van Jan van der Croon, IV, 154-158.

Het vrijdorp Neeritter, als eigendom der domkerk van Luik, gevolgd door aanteekeningen op Molenbeersel, Heel, Poll en Panheel, IV, 217-368.

Notes sur quelques objets funéraires, d'origine franque, trouvés à Heerlen, IV, 471-480.

Godfried Henschenius als medestichter der Acta Sanctorum, V, 197-250.

Bijdrage tot de geschiedenis der Heksen-processen in het land van Valkenburg, V, 250-262.

Middeleeuwsche klokken en klok-inschriften in het tegenwoordig bisdom Roermond, V, 313-346.

Exploration d'une villa Belgo-romaine au Rondenbosch à Houthem-St.-Gerlach, V, 347-393.

Terres allodiales du pays de Fauquemont, V, 446-447.

Trois documents sur Wittem au sujet des prêches réformées, V, 448-452.

Compte-rendu du livre intitulé: Historia provinciae Flandro-Belgicae Societatis Jesu, V, 452-453.

Note concernant les anciens régistres de l'état civile dans les communes du Limbourg, V, 455-458.

Vandalisme V, 459.

Houthem-Sint-Gerlach en het adellijk klooster aldaar, VI, 3-253.

Drie Chronijkjes van Ste-Agnetenklooster te Maeseyck, VI, 383-440.

Bijdragen tot de geschiedenis van de voormalige stad Susteren en van de adelijke vrouwen-abdij St-Salvator aldaar, VI, 441-567.

[p. 38]

Manuscrits à la Bibliothèque de la Haye concernant le duché de Limbourg, IV, 575-576.

Liste de ceux qui ont renié le duc de Bavière (1376), VI, 576.

Antoine Haeseck a-t-il été curé à Gouvy? VI, 578-579.

Mirage dans les airs à Sittard et à Fouron St-Pierre, VI, 579-580.

La procession de Wyck-Maestricht, dite de Cologne, VI, 580-581.

Vandalisme, VI, 582-583.

Chronijk der landen van Overmaas en der aangrenzende gewesten door een inwoner van Beek bij Maastricht (1275-1507), VII, 3-231.

Kluizen en kluizenaars in Limburg, VII, 351-362.

Notice archéologique sur un cachet d'oculiste romain trouvé à Heerlen, VII, 363-386.

Découverte d'un autel romain à Kessel près de Ruremonde, VII, 387-397.

Twee vorstinnen uit Stevensweert, VII, 413-428.

Analectes concernant le siége de Maestricht et le séjour des Français dans le pays d'Outre-Meuse (1672-1679), VII, 488-498.

Vandalisme, VII, 498-502.

Encore un mot concernant le monument romain de Kessel, VII, 503-506.

Démolissement de l'ancienne tour près de l'église de St-Martin à Wyck-Maestricht, VII, 506-507.

Analectes concernant le siége de Maastricht en 1748, VII, 507-508 et 511-512.

Note biographique de M. Meyer, président du tribunal à Maestricht, VII, 508-509.

De Loonsche leenen in het tegenwoordig hertogdom Limburg; Opbicht, Borne, Horne, Limbricht, Meerssenhoven, Steyn en Urmond, VIII, 4-160.

Geschiedkundige aanteekeningen over Simpelveldt (1155-1598), VIII 161-180.

De oude landrechten en andere gerechtelijke documenten van het voormalig sticht en Rijksvorstendom Thorn, VIII, 195-297.

Exploration d'une villa Belgo-romaine au Herkenbergh à Meerssen, VIII, 379-428.

Ailbert d'Antoing, chanoine de Tournay et fondateur de l'abbaye de Rolduc, a-t-il été architecte? VIII, 429-430.

La Messe de Bolsena et la légende de Ste-Vilgifortis, VIII, 431-432.

Livres dont l'enseignement fut permis dans les écoles du Pays d'Outre-Meuse en 1736, VIII, 433-434.

Mariage des catholiques devant les ministres protestants du pays d'Outre-Meuse, VIII, 434-435.

Vandalisme, VIII, 435-436.

Le manoir de Spyker à Asselt, près de Ruremonde, VIII, 436-438.

Notes sur Limbricht, Steyn et Meerssenhoven, VIII, 438-440.

Notes sur Simpelveldt et Bocholtz, VIII, 440-441.

[p. 39]

Investiture du château et de la Seigneurie d'Obbicht en 1717, VIII, 442-443.

Les échevins de Hoensbroeck prononcent une condamnation à l'amende honorable en chemise en 1629, VIII, 443.

Nécrologie du curé-doyen Jean-Léonard Reinartz., VIII 444.

De laatste vorstin-abdis van het Keizerlijk stift Thorn, IX, 157-180.

Over den oorsprong, de rechten en den toestand van de abdij en het vorstendom Thorn, IX, 181-204.

Eene pelgrimsreis van Limburgsche edelen naar het heilig Land in 1450, IX, 205-216.

Memorieboek van het klooster van den H. Hieronymus te Roermond, der reguliere Kanoniken van den H. Augustinus, IX, 311-342.

Anciens règlements sur les routes, ponts, chaussées et sentiers dans le Brabant et le Pays d'Outre-Meuse, IX, 343-345.

Prêches d'un ministre calviniste à Sittard, Gangelt et Millen en 1609 et 1610, IX, 346-349.

La main de justice et le sabre de bois comme symboles d'une foire franche, IX, 349-350.

Notes sur quelques numismates du Limbourg, IX, 350-353.

Notes sur Jean de Pollart, chanoine d'Aix-la-Chapelle, IX, 353.

De voormalige Heerlijkheid Borgharen, eene bijdrage tot de geschiedenis van het land Valkenburg, X, 391-549.

Le monument funèbre de Fréderic Maurice, duc de Bouillon, gouverneur de Maestricht dans l'église de Cluny, X, 550-552.

Une ancienne peinture du ci-devant château de Fauquemont, X, 553-554.

La famille de Verdugo dans les Pays-Bas et à Ruremonde, X, 554-555.

Compte-rendu du livre intitulé: Bijdrage tot de kennis van den vroegeren Regeeringsvorm der stad Maastricht, par L. Suringar, X, 557-560.

Compte-rendu du livre intitulé: Antiquités sacrées conservées dans les églises de Maestricht, par Bock et Willemsen, X, 561-563.

Oud-Nederlandsche psalmen, door Dr. P.J. Cosyn, X, 563.

De Protestantsche beroerten te Maastricht in 1566 en 1567, verhaald door een tijdgenoot, XI, 347-378.

De echtverbintenis van Maria; een Limburgsch mysteriespel, XII, 127-144.

Een vijftal stukken betrekkelijk de hervorming te Weert in 1583-1584, XII, 225-248.

Een viertal rechts-documenten uit het tegenwoordig hertogdom Limburg, XII, 387-457.

Découverte d'un monte testaccio à Bronshem, XII, 491.

Acte d'union entre plusieurs bancs de justice dans le pays d'Entre-Meuse et Rhin en 1420, XII, 492-494.

Un remède de l'an 1639 contre la suette, XII, 500-501,

Nécrologie de Martin Pascal Hubert Strens, XII, 502-503.

[p. 40]

Compte-rendu du livre intitulé: Limburgsche Legenden en Sagen door H. Welters, XII, 506-507.

Notice sur la ci-devant seigneurie de Cadier et le château de Blankenberg, XIII, 133-169.

De voormalige Heerlijkheid en vesting Stevensweert, XIII, 281-310.

Refrain politique contre le comte de Bruay, gouverneur du Limbourg, XIII, 550-552.

Notes concernant la ci-devant Seigneurie de Cadier, XIII, 553-555

Compte-rendu de l'ouvrage, intitulé: Wandelingen door Nederland met pen en potlood, XIII, 558-559.

Compte-rendu de l'ouvrage de M. Crahay, intitulé: Les coûtumes de Maestricht, XIII, 559-566.

Les gouverneurs des duchés de Limbourg et de Gueldre, XIV, 181-228.

Notice biographique de Godefroid Stas, conseiller à la Cour de cassation à Bruxelles, XIV, 229-236.

Généalogie de la famille Stas, XIV, 236-243.

Oudheidkundige verzamelingen te Roermond, Venloo en Maastricht in 1848, XIV, 323-336.

Chronogrammes politiques de 1525 à 1543, XIV 456-458.

Une satyre contre Luther en vogue à Maestricht vers 1527-1531, XIV, 458-459.

Notice historique sur l'introduction de la brique comme élément d'architecture à Maestricht et dans le sud du Limbourg, XIV, 460-462.

Nécrologie du général Mathieu Bernard Meyers, XIV, 463-465.

Compte-rendu d'un ouvrage de M. Charles Ruelens, intitulé: La légende de St-Servais, XIV, 465-467.

De Wederdoopers te Maastricht tijdens de regeering van Keizer Karel V, XV, 3-190.

Aanteekeningen over de opkomst der hervorming te Susteren en omstreken in 1527-1545, XV, 191-236.

Uittreksels uit het journaal van den Hopman Splinter Helmich betrekkelijk het Overkwartier van Gelderland van 1580-1587, XV, 237-288.

Notice sur la vie et les travaux de M. le chanoine Ubaghs, professeur à Louvain, XV, 331-342.

Chanson sur le siége de Maestricht en 1632 XV, 543-552.

Explosion d'un magasin à poudre à Maestricht en 1761, XV, 553-555.

Een woord over het boek der wrake van Bernard Rothman, XV, 555-557.

Gedenk- en grafschriften in Limburg, XVI, 251-344.

Chroniek van het vrouwenklooster in de Oode, later Trans-Cedron, te Venloo, XVI, 427-505.

Notice sur Mathieu Neven, de Maestricht, XVI, 506.

Notice sur Joseph Bovy, de Ruremonde, XVI, 507-510.

Notice sur Mgr. Pierre Vrancken, de Vroenhoven, XVI, 510.

[p. 41]

Notice sur Louis Charles Gallot, de Venlo, XVI, 511.

Notice sur le père Antoine Maas, de Maestricht, XVI, 512-516.

Levensbericht van Pieter Ecrevisse van Obbicht, XVI, 516-520.

Levensbericht van Jan Andries Kallen van Sittard, XVI, 521-523.

Eenige bescheiden over het klooster Ste-Elisabeth bij Heijthuijsen XVII, 58-65.

Het portret der laatste vorstin-abdis vau Thorn, XVII, 66-68.

De voormalige Heerlijkheid Nuth; eene bijdrage tot de geschiedenis van het land van Valkenburg, XVII, 69-185.

Manuscrits de la bibliothèque des pères Franciscains à Reckheim, XVII, 358-360.

Armoiries et portraits de Henri van Veldeken, poète Limbourgeois du XIIme siècle, XVII, 361-362.

Vandalisme, XVII, 362-363.

Simon de Beaumont, auteur de la première carte topographique publiée de la ville de Maastricht, XVII, 363-364.

Een liedje op de abdij Binderen, bij Helmond, uit het jaar 1658, XVII, 369-372.

Notice biographique de Charles Antoine baron de Bieberstein, natif de Tongres, XVII, 373-375.

Découverte d'antiquités dans le duché de Limbourg; l'âge de la pierre travaillée et du bronze. Routes romaines, Antiquités romaines et franques, XVIII, 3-300.

Fondation d'une bourse d'étude à l'université de Douay par Gisbert Nybelen de Bingelrade, XVIII, 415-417.

Note sur Henri Werpens, doyen du concile de Susteren et curé de Borne, XVIII, 417.

Notice biographique de Hubert Guillaume Blonden, natif de Gronsfeld, XVIII, 423-427.

Compte-rendu du livre intitulé: Thomas de Mahy marquis de Favras, XVIII, 427-429.

Compte-rendu d'un livre intitulé: Eupen und Umgegend, XVIII, 429.

Compte-rendu d'un livre de feu M. le Docteur Willems de Schimmert, intitulé: Bijdragen tot de geneeskundige plaatsbeschrijving van Nederland (Limburg), XVIII, 429.

Compte-rendu du livre, intitulé: Geschichte der ehemaligen Herrschaft Odenkirchen von R. Wiedeman, XVIII, 429-430.

Compte-rendu du livre intitulé: Joannes Murmellius, sein Leben und seine Werke, XVIII, 430.

Compte-rendu du livre intitulé: Papiers de Jean Remie de Chestret, pour servir à l'histoire de la Révolution de Liége XVIII, 431-432.

Compte-rendu du livre intitulé: Beiträge und Material zur Geschichte der Aachener Patrizier-Familiën, XVIII, 432-434.

Nécrologie de Martin Joseph Jansen, de Sittard, XVIII, 435-437.

Nécrologie de Jean André Haakman, XVIII, 437-438.

Nécrologie de Fé lix Titus Courtat, natif de Maestricht, XVIII, 438-439.

[p. 42]

Nécrologie de Guillaume baron de Crassier, de Maestricht, XVIII, 439-440.

Nécrologie de Jean Ernest Henri Hooft van Iddekinge, natif de Maestricht, XVIII, 440-441.

Nécrologie de Joseph Fréderic Nettesheim, XVIII, 441-442.

Nécrologie de François Vincent Henry Antoine de Stuers, natif de Ruremonde, XVIII, 442-445.

De legende, het leven en de wonderwerken van den H. Servatius, bisschop van Maastricht, XIX, 3-84.

Costumen der vrije heerlijkheid Wittem, XIX, 144-178.

Lettres de Sophie de la Marck, née de Baexem, XIX, 178-208).

Fragment généalogique de la noble famille Van der Marck, XIX, 209-214.

Aanteekeningen op de Maastrichter familie Dolmans, XIX, 230-249.

Deux lettres de feu M. le curé Stiels au sujet du sort qu'ont eu les archives et le trésor de St.-Servais à Maestricht, après la suppression du chapitre, XIX, 463-468.

Lettre d'indulgence, accordée en l'an du jubilé universel de 1300 à l'église de Neukerk près Venlo, XIX, 468-470.

Sur un temple payen ayant existé jadis à Maestricht, XIX, 471-473.

Levensbericht van Egidius Slanghen, XX, 484-490.

Notice sur Joseph Lebens, XX, 490-491.

Notice sur Oscar comte d'Ansembourg, XX, 491-492.

Notice sur François Emile Lebens, XX, 492-493.

Levensbericht van Herman Eversen, XX, 493-496.

Levensbericht van Petrus Van de Loo, XX, 496-500.

Levensbericht van Theodorus Schaepkens, XX, 500-503.

De Leenen van Valkenburg, t. XXI, 156-440.

Jacques Vrancken, La legende de St. Servais, XXI, 442.

J. Jongeneel, Le dialecte de Heerlen, Essai sur l'idiomatique dans le sud du Limbourg, XXI, 442.

M.M.L. Rutten, Essai d'une histoire de la patrie, XXI, 443.

Poèsies diverses éditées par quelques membres de la Societé Momus à Maestricht, XXI, 444.

Joseph Daris, Histoire de la principauté et du diocèse de Liège au XVIme siècle, XXI, 445.

Emeute des troupes de la garnison de Bois-le-Duc et de Maestricht, XXI, 446.

Notice biographique de l'ingéneur François Alexandre Cavenne, XXI, 450.

De Leenen van Valkenburg, vervolg van XXI, XXII, pag. 3.

Monument sépulcral du chanoine de Baest à l'église de St. Servais à Maestricht, avec un planche. XXII, 395-397.

Bouclier Romain, trouvé à Blerick, XXII, 539.

Pièce commémorative, trouvée dans les fondations du ci-devant couvent des frères Prêcheurs à Maestricht, XXII, 539.

[p. 43]

Donation d'une rente viagère à Anne de Mirbach par son neveu Louis de Mirbach en 1574, XXII, 543.

Sauf-conduit donné en 1551 par Georges d'Elteren à Gilles de Linchout pour le Pays de Looz, XXII, 543.

La commune de Wessem désire rester unie à la terre de Weert, 14 Nov. 1795, XXII, 544.

Notice sur Herman Jaminé, architecte à Hasselt, XXII, 545.

Notice sur curé Ferdinand Postmans de Saint Trond, XXII, 546.

Historische beschrijving der kerk van O.L. Vrouw te Maastricht, XXIII, 325.

De Legende van het wonderbaar kruis van Riempst, XXIII, 346.

Alexander Gordon, president der rechtbank te Maastricht, XXIII, 447.

Michiel Smiets, Littérateur, XXIII, 453.

Mr. Ernest De Limpens, XXIII, 456.

Ambtelijke brieven en andere bescheiden over de bokkenrijders in het Staatsch land van Overmaas 1775-1782, XXIV, 208.

Projet d'une carte géographique du diocèse de Ruremonde en 1780, XXIV, 477.

Cessation du simultaneum dans la province de Limbourg 1835, XXIV, 482.

Notice biographique de Henry Welters, curé de Spaubeek, XXIV, 488.

Notice biographique de Pierre Gérard Peeters, curé de Wynandsrade, XXIV, 489.

Notice biographique du général-major Pel, XXIV, 490.

Notice biographique du chanoine Pierre Schryen, ci-devant directeur du Séminaire de Rolduc, XXIV, 491.

Beknopte Geschiedenis der Proostdij van Meerssen, XXV, 1.

Eenige bizonderheden omtrent Paulus Chimarrheus, pastoor te Sittard, XXV, 355.

Chroniek der stad Weert, van 1784 tot 1802, geschreven door den ooggetuige Lambertus Goofers, XXV, 365.

Gevangeneming van Pierre Jean Joseph Bernard Stuers, Raad en Momboir in het Souvereine hof van Gelderland door de Weertenaren in 1789, XXV, 411.

Note sur le château de Rimbourg, XXV, 419.

Une carte géographique de l'ancien évêché de Ruremonde, XXV, 421.

Een stuk over het Sendgerecht te Maastricht, XXV, 424.

Jean Nicolas Joseph de Warrimont, XXV, 433.

François van Afferden, XXV, 434.

Martinus Wouters uit Spaubeek, XXV, 437.

Joseph Russel, XXV, 439.

Een Valkenburgsch dorp in 1789, XXVI, 3.

Chroniek der kerk van St. Servaas te Maastricht 1565-1587, XXVI 68.

Liste des engagères des domaines du Limbourg et des trois pays d'Outremeuse, XXVI, 366.

Jan Baptist Sivré, XXVI, 465.

Ordre des services dans l'église paroissiale d'Oirsbeeck en 1780, XXIV, 477.

[p. 44]

Ordonnantie der hoofdbank Vleijtingen, XXVII, 369.

De landrechten der vrije Rijksbaronie Petershem in Lanaken, XXVII, 392

De fransche emigranten te Maastricht, op het einde der vorige eeuw, XXVIII, 134.

Les Musées Episcopaux de la Néerlande, XXVIII, 405.

Notes biographiques sur quelques Pères Franciscains du ci-devant couvent de Slavante, XXVIII, 405.

Kurze Chronik von Sittard, von 900 bis 1755, nach dem Almanach von Augustin Dunckel, mit Fortsetzung bis 1891 von A.B. Pothast, Sittard chez Tholen 1891. In 8o de 132 pages, par Jos. Habets, XXVIII, 409.

Jacobus Kritzraed, par Jos. Habets, XXVIII, 410.

Louis Roersch, recteur de l'université, XXVIII, 424.

Bijzonderheden over de opheffing der Jesuïtenorde te Roermond door Arnold Leonard van Daell, XXIX, 65.

Twee historische beschrijvingen der parochiekerk van St. Matthias te Maastricht, XXIX, 375-447.

Titi Livii ab urbe condita libri XXIV-XXVI. Met aanmerkingen en opmerkingen over taal en stijl van T. Livius voorzien door Dr. J.M.A. van Oppen, rector van het Gymnasium te Maastricht. XXIX, 460.

Traduction inconnue d'un livre de Lindanus, évêque de Ruremonde, XXIX, 461.

Nécrologie de Adrien Maurissen, XXIX, 463-466.

Nécrologie de Hubert Joachim Brouwers, XXIX, 466.

Nécrologie de Emile de Stuers, XXIX, 467.

terug  begin  verder