terug  begin  verder
[p. 45]

Eene onuitgegeven lijst van woorden, afkomstig van zigeuners uit het midden der 16de eeuw.

Eenigen tijd geleden berichtte mij de heer prof. Blok, dat in den inventaris van het archief der familie van Ewsum, uitgegeven door den heer Mr. C.P.L. Rutgers1, een klein handschrift wordt vermeld onder den naam van clene gypta sprake2. De heer Rutgers teekent daarbij aan, dat het schrift voor een deel is van Johan van Ewsum, een bekend edelman in de Groningsche Ommelanden, die in 1570 overleed. Dit vocabularium kan derhalve ongeveer in het midden der 16de eeuw zijn opgesteld. Laat men één in Engeland verschenen lijstje, dat van 1547 moet zijn3, buiten rekening, dan was tot dusverre het oudste dat van Bonaventura Vulcanius, uitgegeven in 1597. Nu echter zou er kans bestaan, dat voortaan het hieronder afgedrukte lijstje van van Ewsum als het oudste moest worden beschouwd. Volstrekte zekerheid kan men daaromtrent niet verkrijgen. Want het lijstje van Vulcanius is misschien reeds lang vóór 1597 opgesteld, en van dat van van Ewsum kan men alleen dit stellig beweren dat het dateert van vóór 1570. Hoe

[p. 46]

het zij, reeds om den ouderdom verdient het stellig te worden uitgegeven. Het bestaat uit ongeveer 50 kleine artikelen, meest losse woorden en ook enkele kleine zinnetjes, waarvan één zonder vertaling. De geheele inhoud staat op ééne zijde van een kwarto-blad. Ik zal dien inhoud hieronder zoo nauwkeurig mogelijk laten afdrukken, en in eenige aanteekeningen de waarde er van trachten aan te duiden. Ik zal daarbij telkens verwijzen naar eenige werken die aan alle beoefenaars der Zigeunertalen bekend zijn, en niet herhalen wat reeds meer dan eens door de meesters der wetenschap is uiteengezet. De voornaamste van die werken zijn:

Pott, Die Zigeuner in Europa und Asien. Twee deelen (1844-1845), aangehaald als: P. 1 en P. 2.

Paspati, Études sur les Tchinghianés ou bohémiens de l'empire ottoman (1870), aangehaald als: Pasp.

Miklosich, Ueber die Mundarten und die Wanderungen der Zigeuner Europa's. Twaalf verhandelingen (1872-1880), aangehaald als: M. 1-12.

Pischel, Beiträge zur Kenntnis der deutschen Zigeuner (1894), aangehaald als: Pischel.

Andere werken, die slechts eene enkele maal worden aangehaald, zullen uitvoeriger worden genoemd. Gemakshalve heb ik de artikelen van het lijstje genummerd. Letters die ik niet behoorlijk heb kunnen lezen zijn door een punt aangeduid. De teekens voor u en n zijn in het handschrift alleen daardoor onderscheiden dat het eerstgenoemde van twee punten is voorzien; in dezen afdruk vindt. men u en n. In de noten wordt bij algemeen bekende woorden alleen verwezen naar de artikelen bij Pott en Miklosich, waaronder die vormen worden behandeld. Voor zooverre zij aanleiding geven tot bijzondere opmerkingen, vindt men er gewag van in het Naschrift.

[p. 47]

Clene gypta sprake

1e kolom.

1. maru dat is broet1

2. ghil botter2

3. maes dat is vlees3

4. kiral dat is kees4

5. kanij dat issen eēhorn5

6. retsa dat issen ent vogel6

7. pappin en gās7

8. sogga dat issen rock8

9. irach hāij dat issen wambes9

10. kiragh ha is en scho10

11. galeuag issen hose11

12. huet dat is stadij12

13. luvina dat is beer13

14. koestrin dat issen rinck14

15. plaegsta dat issen kappe15

16. khaed dat issen hempt16

17. graeij dat issen peert17

18. busenij dat issen sige18

19. gerackijlij dat issen schone maegt19

20. hirackilo dat issen knegt20

21. horom dat issen mā21

[p. 48]

22. hiromenij dat issen frouwe22

23. dae moer23

24. ... ton vaer24

25. stāmyr eē stoel25

26. de mar cotor maro geeft my eē stucke broets26

27. de mar harde pyaer geeft my to drincken27

28. de mande palisijuklees geeft my de handt weder28

29. pernitsa eē kussen29

2e kolom.

30. siiukel dat issen hunt30

31. camphana dat issen klock31

32. khankerij dat issen kerck32

33. paettraedsij issen hillig sackramente33

34. tagta issen suluer schael34

35. yrupuay decka issen suluer stot deegen35

[p. 49]

36. hiranij issen jufer36

37. hiraij issen junker37

38. sastrunijprija dat issen koper pot38

39. gharou dat issen suert met suluer gebunnē39

40. schu. ij. dat issen speet40

41. puska dat issen vuer roer41

42. fijlatsij dat issen slot42

43. bareghoule dat issen lang kleet43

44. kijsij dat issen budel44

45. kustick dat issen gordel45

46. thuesnij dat issen kanne46

47. hijroeck dat issen boē47

48. iaeck dat issen vuer48

49. voddros dat issen bedd49

50. sijvelo dat is naē50

[p. 50]

De volgende artikelen staan nog op den rand van de bladzijde, links van de eerste kolom.

51. laben gaen51

52. ygeer een hues52

53. atschaeij kera.nij de yae53

 

Naschrift.

 

Uit verschillende noten bij de voorafgaande artikelen is reeds gebleken dat er in dit lijstje fouten voorkomen die alleen te verklaren zijn bij de onderstelling dat het een afschrift is. Zoo b.v. laben in plaats van saben (51), naē in plaats van naī (50), yae in plaats van gal (53).

[p. 51]

Andere fouten, zooals mar voor man (26 en 27), stāmyr voor stāmyn (25) zouden desnoods kunnen ontstaan zijn doordat men die woorden verkeerd had gehoord. Ook handt in de vertaling van den volzin onder no. 28 zou men zoo kunnen opvatten; aan de lezing is niet te twijfelen, want het woord hond dat hier noodig is, wordt gespeld hünt, met punten op de u (hier in den druk overal weggelaten), en dus in het schrift duidelijk van handt onderscheiden.

Onder de hier vermelde woorden zijn er een aantal, die met nagenoeg geene wijzigingen in alle Zigeunerdialecten van Europa voorkomen, en waarvan het dus onnoodig is verder te spreken. Onder de overige zijn er echter die het allerbest passen bij de taal der Duitsche Zigeuners, zooals men deze kent uit de vocabularia van later tijd. De vorm stammin b.v., zooals men onder no. 25 moet lezen, is volgens de opgaven bij M. 8, 64 bepaald eigenaardig voor de Duitsche Zigeuners. De oudste vorm is skamni (bewaard bij de Grieksche), en alleen bij de Duitsche vindt men hier st in plaats van sk1; ook de uitgang -in in plaats van -i is bij de Duitsche gewoon.

Onder no. 10 is vermeld kiragh ha, dat in één woord moest geschreven zijn, en een meerv. aanduidt, dat bij Pischel (34) gespeld wordt girĕchá naast het enkelv. girach; men vindt ook kirach. Gewoonlijk echter begint dit woord met een anderen klank; in sommige dialecten vindt men t of d, elders ts. Den hier genoemden vorm heeft men echter alleen bij Duitsche Zigeuners aangetroffen, en wordt ook door Pischel uit eene lijst van Duitsche Zigeunerwoorden aangehaald (t.a. pl. vindt men ook iets over de etymologie).

[p. 52]

Bij de beschouwing van andere woorden heeft men te letten op wat Miklosich in zijne derde verhandeling heeft betoogd omtrent het verband tusschen de verschillende Zigeunertalen van Europa. Wat bewijst b.v. pernitsa (29)? Volgens M. 1, 29 wordt deze uit het Slavisch afkomstige term voornamelijk gevonden bij Slavische en Duitsche Zigeuners. Daar nu echter de voorouders der Poolsche en Russische Zigeuners, zooals M. bewijst, onder Duitschers moeten gewoond hebben, beteekent het voorkomen van pernitsa onder Zigeuners in Polen en Rusland in dit geval zeer weinig, en dat pernitsa in dit vocabularium is opgeteekend, past zeer goed bij de onderstelling dat het van Duitsche Zigeuners afkomstig zou zijn. Bij de Spaansche, wier taal van die der Duitsche onafhankelijk is, heeft men pernitsa niet gevonden.

Minder verspreid nog schijnt het gebruik van campana (31). Uit de aanhalingen bij Pott 2, 105, en de woorden van Pischel (35) mag men opmaken, dat het voornamelijk bij Duitsche en Boheemsche Zigeuners voorkomt; voor de taal der laatsten wordt opgegeven kambaña.

Weinig daarentegen kan men afleiden uit sogga (8), dat wel is waar bij de Duitsche bestaat, maar dat ook is opgeteekend uit de taal der Baskische Zigeuners als soka, socha (M. 7, 193), waarnaast čochindia bij de Spaansche. Ook in de talen der zuidelijke groep is het dus niet onbekend.

Enkele vormen, die hier genoemd zijn, worden niet vermeld in de thans bekende en uit veel later tijd dateerende vocabularia der Duitsche Zigeuners. Zoo luidt het woord, hierboven opgegeven als kanij (5), thans bij de Duitsche kachni, kachnin of kachli (Pischel 31). Doch uit de vormen bij M. 7, 228 blijkt, dat die ch uit eene veel zwakkere gutturaal is ontstaan, en dat die in eene

[p. 53]

oudere transcriptie uit de 16de eeuw is weggebleven, kan niet al te zeer verwonderen. De vorm kanij kan dus zeer goed een woord aanduiden dat men van Duitsche Zigeuners heeft gehoord.

De vorm paettraedsij (33) is thans niet bekend bij de Duitsche Zigeuners, men vindt alleen paterszi. Doch dit is slechts eene jongere verminking, en de vollere vorm patradzi wordt aangehaald als bekend bij de Poolsche (M. 8, 33), wier taal voor een groot deel van de Duitsche afkomstig is.

Kustick (45) wordt niet opgegeven als behoorende tot de taal der Duitsche, en vandaar dat ook bij Liebich (a.w.) het begrip gordel op eene geheel andere wijze wordt uitgedrukt. Maar kustyk bestaat bij de Poolsche, kuštyk bij de Russische, en dit doet volgens de theorie van Miklosich gelooven, dat het ook eenmaal tot de taal der Duitsche Zigeuners heeft behoord (zie M. 7, 242).

Voddros (49) is een dergelijke vorm; de Boheemsche en de Duitsche Zigeuners gebruiken voor bed een geheel ander woord. Aangezien echter eenige op voddros gelijkende vormen bij de Engelsche en Scandinavische in gebruik zijn, is er wel reden om te onderstellen dat het woord bij de Duitsche eenmaal bestaan heeft, maar verloren is gegaan.

In de geheele lijst is slechts één woord, moeilijk te lezen, dat niet gemakkelijk met de Duitsche Zigeunertaal is overeen te brengen, In het handschrift staat naast dae moer (24) een woord dat met vaer wordt vertaald. Het eerstgenoemde is inderdaad de gewone term voor moeder, maar het tweede past minder goed bij dien voor vader. Het woord eindigt op -ton en hier zullen op de laatste letter de twee punten zijn vergeten, zoodat de uitgang is -ou, dat wel meer voorkomt in plaats van den ge-

[p. 54]

wonen uitgang -o: zie b.v. gharou (39). Vóór de laatste lettergreep -to staat een klinker dien men wel als a kan lezen. Nu beteekent vader bij de Duitsche Zigeuners (evenals bij de meeste andere) dad, waarnaast ook voorkomt dade en zelfs dado, naar analogie van andere woorden met dien uitgang (Pischel 31). Maar met den hier opgeteekenden vorm kan moeilijk dado bedoeld zijn, aangezien noch door de Zigeuners zelf, noch door den persoon die dit lijstje heeft gemaakt, d en t met elkaar worden verward. In transcripties, uit Duitschland afkomstig, kan men b.v. vinden dado in plaats van tato, warm; doch iets dergelijks is hier niet te verwachten. Bovendien gelijkt de medeklinker die vóór de a staat, in het geheel niet op eene d, maar wel zeer op eene v, zoodat men zou komen tot vato. Daarvóór staat op eenigen afstand nog een onleesbare klinker, waarmee desnoods eene o (het lidwoord) of eene i in plaats van hi (verg. no. 9 en no. 20) kan bedoeld zijn. Nu is het woord voor vader bij de Spaansche Zigeuners niet dad of dado, maar bato, batu, batico (M. 3, 43), Borrow geeft abatico; hetzelfde woord, van afkomst Slavisch, vindt men ook bij de Baskische Zigeuners. Indien men dit woord met eene eenigszins Spaansche uitspraak der b heeft hooren noemen, dan is wellicht eene transcriptie vato niet ondenkbaar.

Aangezien men volstrekt niet weet bij welke gelegenheid dit lijstje is gemaakt, kan men niet met eenige zekerheid gissen hoe het mogelijk zou zijn, dat onder die reeks van woorden en uitdrukkingen, die alle tot de Duitsche Zigeunertaal kunnen behooren, één bepaald Spaansche of Zuidfransche term wordt gevonden. Johan van Ewsum is werkzaam geweest als magistraat in Groningerland, maar hij heeft ook deelgenomen aan krijgstochten in Duitschland. Kan hij als rechter eene bende

[p. 55]

Zigeuners verhoord en gevonnisd hebben, die voornamelijk uit Duitsche Zigeuners bestond, maar waaronder ook enkele Spaansche waren? Dit is ééne mogelijkheid naast andere. Laat men nu echter dit ééne, vrij onleesbare woord buiten rekening, dan mag men zeggen dat dit lijstje kan beschouwd worden als eene proeve van de taal der Duitsche Zigeuners in de 16de eeuw, waarin reeds verschillende van de eigenaardigheden voorkomen waardoor die taal in later tijd van andere Zigeunertalen is onderscheiden. Nog van meer belang zou het lijstje zijn, indien er tot nu toe onbekende woorden in voorkwamen, maar het tegenovergestelde is hierboven gebleken.

 

A. Kluyver.

1's-Gravenh. 1899.
2Zie blz. 28, onder no. 187b.
3Zie het art. Gipsies in de Encyclop. Brit.
11. Verg. M. 8, 10 manro.
22. M. 7, 238 khil.
33. M. 8, 11 mas.
44. M. 7, 234 keral.
55. De vertaling, waarin trouwens eene doorhaling voorkomt, is onjuist; er moet staan dat issen henne: verg. M. 7, 228 kahni.
66. M. 8, 52 raca.
77. M. 8, 29 papin.
88. M. 7, 193 čocha.
99. Bedoeld is het woord, dat P. 2, 271 wordt behandeld onder rachemi; voor de i aan het begin verg. no. 35.
1010. M. 8, 84 triak (zie verder Naschrift.).
1111. M. 7, 222 cholov; de hier vermelde vorm is het mv., waarin de g aan het einde overtollig is: cholová.
1212. M. 8, 66 stadik.
1313. M. 8, 7 lovina.
1414. M. 7, 167 anguštri.
1515. M. 8, 46 plaščos.
1616. M. 7, 211 gad.
1717. M. 7, 216 grast.
1818. M. 7, 184 buzno (bok, waarnaast buzni geit).
1919. M. 8, 53 raklo (waarnaast als fem. rakli); ge- is waarschijnlijk een overblijfsel van jek, een, waarnaast je (verg. Liebich, Die Zigeuner 122).
2020. Zie no. 19 en no. 35.
2121. M. 8, 56 rom (waarnaast als fem. romni); met ho is wellicht bedoeld hi (verg. no. 35).
2222. Zie no. 21.
2323. M. 7, 198 daj.
2424. Zie het Naschrift.
2525. De laatste letter moet n zijn: verg. M. 8, 64 skamni en zie het Naschrift.
2626. In plaats van mar (waarvan de r geheel gelijk is aan die in de beide volgende woorden), moet men lezen man dat naast mande in den zin van mihi voorkomt (P. 1, 229); de (M. 7, 197) en cotor (M. 7, 244 kotor) zijn de juiste vormen, evenals maro (zie no. 1).
2727. In plaats van de mar moet men weer lezen de man, waarna noodzakelijk een bijzin met te moet volgen, en dit voegwoord is hier voorgesteld door de. Daarna moet het ww. staan, hier waarschijnlijk in de 1e p. sing. die op w eindigt: voor pyaer moet men lezen pyaeu. Het woord har schijnt overtollig: de man te piaw is voldoende (verg. P. 1, 360). Har naast sar (M. 8,60) beteekent hoe, en wordt vaak door een bijzin met te gevolgd (verg. M. 12, 102 en Pasp. 472); letterlijk zou er dus staan da mihi quomodo bibam.
2828. de mande is zonder fout, en het vervolg bestaat uit pale (M. 8, 28), weder, en džukles, acc. sing. van džukel (M. 7, 209), hond; zie verder Naschrift.
2929. Verg. P. 2, 357 en zie het Naschrift.
3030. M. 7, 209 džukel.
3131. P. 2, 105 cambana en zie het Naschrift.
3232. M. 7, 231 kangeri.
3333. M. 8, 33 patrangi en zie het Naschrift.
3434. M. 8, 75 tachtaj. Ook indien dit woord in verband staat met perz. tešt, dan moet men toch erkennen dat het in alle duidelijke voorbeelden uit de taal der Zigeuners eene ch heeft, ook in dit voorbeeld uit de 16e eeuw. Dat de x in taxtai bij Vulcanius zou beteekenen š, wordt ook door Pott (2, 287) niet voor het waarschijnlijkste gehouden.
3535. De y waarmede dit woord begint is of het lidwoord fem. sing i, of ontstaan uit hi, est, dat men in vele vocabularia van Zigeunerwoorden bij een subst. vindt, en dat door de opteekenaars ten onrechte als een deel daarvan werd beschouwd. Met rupuay is bedoeld rupuni, zilveren (in het fem., het masc. is rupuno: M. 8, 58 rup). Het volgende znw. is het woord degen, dat mij anders als overgenomen woord in de Zigeunertalen niet bekend is.
3636. M. 8, 52 raj, fem. rani. Voor hi aan het begin verg. no. 35.
3737. Zie het voorgaande no.
3838. sastrunij is fem. van sastruno, dat eigenlijk ijzeren beteekent: verg. M. 8, 68 šastir. Het woord pot luidt in den nom. piri: verg. M. 8, 45; prija stelt een acc. voor.
3939. gharou is minder juist voor charo: M. 7, 219 chando.
4040. Twee letters zijn in dit woord moeilijk te lezen; de eerste, die na de u staat, gelijkt het meest op m. Toch vermoed ik dat bedoeld is schurin, d.i. čurin, een mes, hier als naam voor een wapen, genoemd tusschen een zwaard en een vuurroer: verg. M. 7. 197 čuri, en Borrow, The Zincali 2, *43 ‘churdiña, dagger-blow, puñalada.’
4141. M. 8, 51 puška.
4242. Verg. P. 2, 392 fillozin, ‘castell’ en de daarbij genoemde vormen, alsmede Liebich, Die Zigeuner 134: ‘filezzin, das schloss, das prachtgebäude, der palast.’
4343. bare staat voor bari, fem. van baro, groot (M. 7, 175), en met ghoule is bedoeld het woord dat bij Liebich 138 vermeld wordt als ‘gola, das kleid.’
4444. M. 7, 242 kisi.
4545. M. 7, 242 kjuštyk en zie het Naschrift.
4646. M. 8, 86 tušni.
4747. M. 8, 57 ruk; voor hij verg. no. 35, 36, 37.
4848. M. 7, 225 jag.
4949. M. 8, 94 vodro, en zie het Naschrift.
5050. naē kan men slechts opvatten als naem, doch sijvelo kan niet een woord van die beteekenis aanduiden; bovendien zou men verwachten ‘dat issen naē,’ naar analogie van de andere artikelen. Waarschijnlijk moet men lezen sijvela, d.i. siwéla, 3e s. van siwáwa, naaien (M. 8, 63); daar in de taal der Zigeuners geen infinitief meer voorkomt, worden vormen van het verbum finitum met infinitieven vertaald (verg. P. 1, 328); voor naē moet men dan lezen naī = naien.
5151. In plaats van laben moet men lezen saben (de l en de lange s gelijken zeer op elkander), eene onzuivere transcriptie voor džaben, het subst. verbale van džawa, gaan (M. 7, 206).
5252. M. 7, 237 kher; voor y verg. no. 35-37.
5353. Van dezen zin ontbreekt de vertaling. De letter, die door een punt wordt aangeduid, is of e of eene kleine s, en kerasnij is blijkbaar grasni, merrie (M. 7, 216). Het volgende de zal evenals in no. 27 het voegw. te voorstellen. In plaats van yae, dat niets beteekent, zal men moeten lezen gal dat er weinig van verschilt, en dit gelijkstellen met chal, edit (M. 7, 217). De ij aan het einde der eerste groep van letters moet het lidwoord zijn, behoorende bij grasni. Het overblijvende atschae zal een vorm zijn van ačáwa, dat, gevolgd door een bijzin met te, beteekent laten (M. 7, 162). Uit den imper. , gevolgd door eene partikel ta, ontstaat ašta: kan atschae daarvan eene verminking zijn? Men zou ook kunnen aannemen dat atscha ontstaan was uit ačáha, 1e p. plur., die als adhortatief wordt gebruikt (M. 12, 101). Uit ača + i ontstaat dan ačai, waarvoor hier gespeld wordt atschaeij met aeij, evenals in no. 17 graeij voor graj. De zin moet beteekenen: ‘laat de merrie eten’, of: ‘laten wij de merrie laten eten’, of iets dergelijks. De juistheid van die opvatting in het algemeen is dunkt mij niet te betwijfelen. Aan adjái, atehái (Pasp. 128), aché (Ascoli, Zigeunerisches 132), dat nog, bovendien beteekent, zal men hier niet mogen denken, althans in de Zigeunertalen van West-Europa schijnt het niet voor te komen.
1Ook in een Scandinavischen vorm vindt men st, maar in andere opzichten wijkt deze zeer af, want hij wordt opgegeven als stamlon.
terug  begin  verder